Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:6459

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-09-2015
Datum publicatie
01-10-2015
Zaaknummer
15/1759 (lurisnummer: KLR-I-2014002151)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verlof ex artikel 552p Sv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Rekestnummer: 15/1759

Lurisnummer: KLR-I-2014002151

Datum uitspraak: 1 september 2015

Beslissing op de vordering ex artikel 552p van het Wetboek van Strafvordering

Beslissing van deze rechtbank, meervoudige raadkamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie ex artikel 552p van het Wetboek van Strafvordering van 22 april 2015, in het kader van een uit Noorwegen afkomstig internationaal rechtshulpverzoek van 25 augustus 2014, in de aldaar aanhangige zaak tegen - onder meer - de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [1976] in [geboorteplaats] (Marokko),

wonende te ( [postcode] ) [woonplaats] aan de [adres] .

In deze rekestenprocedure wordt de hiervoor genoemde verdachte als belanghebbende aangemerkt.

1 De procedure

Het onderzoek in raadkamer heeft in het openbaar plaatsgevonden op 16 juli 2015 en 18 augustus 2015. De belanghebbende is niet ter zitting verschenen. In raadkamer zijn gehoord de officier van justitie en de raadsman van de belanghebbende, mr. P.P.J. van der Meij, advocaat in Amsterdam.

De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van het dossier, waaronder:

  • -

    een internationaal rechtshulpverzoek van de Trøndelag Statsadvokatembeter te Trondheim Noorwegen, van 25 augustus 2014, strekkende (onder meer) tot het verrichten van een doorzoeking ter inbeslagneming en aan de verzoekende staat overdragen van stukken van overtuiging;

  • -

    een proces-verbaal van de politie te Noorwegen van 23 mei 2014;

  • -

    een vordering van de officier van justitie ex artikel 552n Sv strekkende tot doorzoeking van 23 september 2014;

  • -

    een proces-verbaal van doorzoeking van de woning aan de [adres] te [woonplaats] van 23 oktober 2014, met bijlage inbeslaggenomen goederen;

  • -

    een proces-verbaal van 14 januari 2015 met betrekking tot de uitvoering van het rechtshulpverzoek, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] ;

  • -

    een vordering verlof van de officier van justitie als bedoeld in art. 552p, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering van 22 april 2015.

De rechtbank heeft tevens gelet op:

- Het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (Straatsburg, 20 april 1959), en de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Lid-Staten van de Europese Unie (Brussel, 29 mei 2000).

2 De vordering en de beoordeling

De vordering van de officier van justitie ex artikel 552n Sv strekt tot doorzoeking ter inbeslagneming op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] . De vordering op grond van artikel 552p Sv strekt tot het verlenen van verlof tot afgifte aan de Noorse autoriteiten van het ter uitvoering van genoemd rechtshulpverzoek opgemaakte eindproces-verbaal met nummer PL0900-2014298346 van 14 januari 2015 en de gegevensdragers van de in beslag genomen en uitgelezen telefoons.

Alvorens te beslissen dient de rechtbank na te gaan of aan alle in de van toepassing zijnde verdragen en wetgeving genoemde voorwaarden is voldaan.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat, nu het verzoek is gedaan door een daartoe bevoegde autoriteit en is gegrond op een verdrag -hier het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken- aan dat verzoek ingevolge art. 552k, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering zoveel mogelijk het verlangde gevolg dient te worden gegeven.

Er doet zich geen dwingende weigeringsgrond als bedoeld in art. 552l van het Wetboek van Strafvordering voor, die zich verzet tegen inwilliging van het verzoek. Evenmin is sprake van een politiek delict waarvoor machtiging is vereist als bedoeld in art. 552m van het Wetboek van Strafvordering. Ten slotte doen zich geen verdragsrechtelijke weigeringsgronden voor.

Uit art. 552o, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volgt dat aan een buitenlands verzoek tot inbeslagneming slechts kan worden voldaan als het feit in verband waarmee de rechtshulp is gevraagd, ware het in Nederland begaan, tot inbeslagneming had kunnen leiden en aanleiding had kunnen geven tot uitlevering aan de verzoekende staat.

Het feit waarvan de belanghebbende wordt verdacht betreft het medeplegen van invoer, handel en bezit van verdovende middelen. Deze materiële feiten zijn naar Noors recht strafbaar overeenkomstig de artikelen 162 Algemeen Burgerlijk wetboek van Strafvordering, waarop een gevangenisstraf van ten hoogste tien jaar is gesteld.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële feiten omschreven in het rechtshulpverzoek vallen onder de Nederlandse artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, waarop ingevolge de artikelen 10 en 11 van die wet een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaar is gesteld. De kern van voornoemde Noorse en Nederlandse artikelen beogen hetzelfde rechtsbelang te beschermen. Daarmee is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarstelling. Tevens is voldaan aan het minimale strafmaximum.

Gelet op het hiervoor gestelde en nu ook anderszins niet is gebleken van enige belemmering van wezenlijke aard, noch dat inwilliging in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht is, is het verzoek voor inwilliging vatbaar. Alle hiervoor genoemde goederen kunnen aan de verzoekende autoriteiten worden overgedragen. De rechtbank zal de vordering toewijzen.

Tijdens het onderzoek in raadkamer heeft de raadsman verzocht expliciet in de beslissing aan te geven dat de stukken waarvoor verlof tot afgifte wordt verleend, door de Noorse autoriteiten niet dienen te worden gebruikt voor vervolging van de belanghebbende voor feiten waarvoor hij reeds in Nederland is veroordeeld. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de belanghebbende in Nederland is vervolgd en in eerste aanleg veroordeeld voor kort gezegd- het aanwezig hebben van hasjiesj op 21 oktober 2014 te Woerden. Gelet op de verdenking zoals weergegeven in het rechtshulpverzoek doet zich geen ne bis in idem-situatie voor en zal de rechtbank geen toepassing geven aan het ter zake bepaalde in artikel 552l, vierde lid Wetboek van Strafvordering.

3 De beslissing

De rechtbank wijst de door de officier van justitie ingediende vordering toe en verleent verlof aan de rechter-commissaris het in de vordering bedoelde eindproces-verbaal (met nummer PL0900-2014298346 van 14 januari 2015, pagina’s 1 – 75) en de gegevensdragers van de uitgelezen telefoons aan de officier van justitie ter beschikking te stellen, opdat deze die kan overdragen aan de Noorse autoriteiten.

Daarbij bepaalt de rechtbank dat het verlof slechts wordt verleend onder het voorbehoud dat bij afgifte van voormelde stukken aan de buitenlandse autoriteiten wordt bedongen dat de stukken zo spoedig mogelijk worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt.

Deze beslissing is genomen door mr. E. Akkermans, voorzitter, mrs. A.J.P. Schotman en R.B. Eigeman, rechters, bijgestaan door mr. K.M. Strijbos als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank van 1 september 2015.

Mr. R.B. Eigeman is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.