Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:6457

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-08-2015
Datum publicatie
01-10-2015
Zaaknummer
16/659861-14 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vordering ontneming niet-ontvankelijk ivm ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit (strafzaak: deels OM niet-ontvankelijk en overige vrijspraak)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/659861-14 (ontneming)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 24 augustus 2015

in de ontnemingszaak tegen

[niet-veroordeelde],

geboren op [1973] in [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [postcode] in [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 augustus 2015.

1 De procedure

De procedure blijkt uit:

- de schriftelijke vordering van de officier van justitie, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

- het strafdossier onder parketnummer 16/659861-14, waaruit blijkt dat de officier van justitie bij vonnis van 24 augustus 2015 van deze rechtbank niet-ontvankelijk is verklaard in de vervolging van verdachte ter zake van -kort gezegd- het medeplegen van dan wel de medeplichtigheid aan hennepteelt en dat verdachte is vrijgesproken van -kort gezegd- het medeplegen van diefstal van elektriciteit;

- de overige stukken;

en de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de officier van justitie gehoord. Tevens is de verdachte gehoord, bijgestaan door haar raadsvrouw mr. C.G. Blok, advocaat te Dronten.

2 De beoordeling

2.1

De vordering van de officier van justitie

De schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot het aan de veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van € 108.136,35.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie haar vordering gehandhaafd.

2.2

Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht, gelet op de bepleite vrijspraak, tot niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie in de ontnemingsvordering. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen omdat niet aannemelijk kan worden gemaakt dat daadwerkelijk opbrengsten zouden zijn gegenereerd. Ook dient de overschrijding van de redelijke termijn te leiden tot afwijzing dan wel sterke vermindering van het ontnemingsbedrag. Mocht aannemelijk worden geacht dat verdachte wederrechtelijk voordeel heeft genoten, dan kan de vordering maximaal worden toegewezen tot een bedrag van € 62.881,81.

2.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie bij vonnis van 24 augustus 2015 niet‑ontvankelijk is verklaard in de vervolging van verdachte ter zake van het medeplegen van dan wel de medeplichtigheid aan hennepteelt en dat verdachte is vrijgesproken van het medeplegen van diefstal van elektriciteit. De vervolging van verdachte heeft niet tot een veroordeling geleid. Het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit staat aan de ontvankelijkheid van de ontnemingsvordering in de weg (zie HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4258).

3 De beslissing

De rechtbank:

Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door

mr. V. van Dam, voorzitter,

mr. drs. S.M. van Lieshout en mr. J.M. Eelkema, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.M. Strijbos, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 augustus 2015.