Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:6454

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-08-2015
Datum publicatie
04-09-2015
Zaaknummer
16/659859-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OM deels niet-ontvankelijk ivm verjaring. Verwerping verweer bewijsuitsluiting mbt binnentreden en doorzoeking woning verdachte. Veroordeling medeplichtigheid hennepteelt. Vrijspraak medeplegen en diefstal elektriciteit: geen nauwe en bewuste samenwerking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/659859-14 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 24 augustus 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1975] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2015. De verdachte is niet ter terechtzitting verschenen. Als raadsvrouw van verdachte is aanwezig mr. E. Uit de Boogaardt, advocaat te Emmeloord, die verklaart uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om de verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd.

De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: zich primair als medepleger en subsidiair als medeplichtige schuldig heeft gemaakt aan hennepteelt in de periode van 1 september 2007 tot en met

5 juli 2012.

Feit 2: zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan diefstal van elektriciteit door middel van braak/verbreking in de periode van 1 september 2007 tot en met 5 juli 2012.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3.1

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Op grond van artikel 70, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht vervalt door verjaring het recht op strafvervolging -kort gezegd- in zes jaar voor misdrijven waarop een gevangenisstraf van niet meer dan drie jaar is gesteld en in twaalf jaar voor misdrijven waarop een gevangenisstraf van meer dan drie jaar en tot acht jaar is gesteld. Op grond van artikel 71 van het Wetboek van Strafrecht vangt de termijn van verjaring aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd. De verjaring kan worden gestuit door een daad van vervolging (artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht).

Opzettelijke overtreding van artikel 3, onder B of C, van de Opiumwet wordt ingevolge artikel 11 van de Opiumwet gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar. Gekwalificeerde diefstal als bedoeld in artikel 311, sub 4 en 5, van het Wetboek van Strafrecht wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaar.

De rechtbank stelt gelet hierop het volgende vast.

De verjaringstermijn van feit 1 primair en subsidiair is aangevangen, gelet op de ten laste gelegde periode, op 2 september 2007 tot en met 6 juli 2012 en behelst een periode van zes jaar. De verjaringstermijn is gestuit door het uitbrengen van de dagvaarding, dat blijkens de dagtekening heeft plaatsgevonden op 6 juli 2015. Het recht op strafvervolging is verjaard voor wat betreft de periode die, terugrekenend vanaf het moment van stuiting, is gelegen méér dan zes jaar terug; derhalve de periode vóór 6 juli 2009. De rechtbank zal het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde betreffende de periode van 1 september 2007 tot en met 5 juli 2009. Voor het overige deel van de ten laste gelegde periode is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging.

De verjaringstermijn van feit 2 is ook aangevangen op 2 september 2007 tot en met 6 juli 2012 en behelst een periode van twaalf jaar. Nu de verjaringstermijn ten aanzien van dit feit niet is overschreden zal de rechtbank het Openbaar Ministerie ontvankelijk verklaren in de vervolging van dit feit.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd het (onder 1 primair en 2) ten laste gelegde, te weten -kort gezegd- medeplegen van hennepteelt en diefstal van elektriciteit, wettig en overtuigend bewezen te verklaren, mede gelet op de bekennende verklaring van verdachte. Gelet op de verrichte handelingen en de duur hiervan is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte en moet de betrokkenheid van verdachte gekwalificeerd worden als medeplegen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het binnentreden in de woning onrechtmatig was vanwege het ontbreken van een machtiging hiertoe. Ook heeft een doorzoeking van de woning plaatsgevonden zonder dat hiervoor een machtiging door de rechter-commissaris is afgegeven. Er is sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering waardoor verdachte in haar belang is geschaad en uitsluiting van het hierna vergaarde bewijs dient te volgen. De ten laste gelegde feiten kunnen dan niet wettig en overtuigend bewezen worden. Subsidiair is geen sprake geweest van nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van de hennepteelt en kan het onder feit 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen worden. Ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Nu verdachte niet betrokken is geweest bij de onder feit 2 ten laste gelegde diefstal, dient zij hiervan vrijgesproken te worden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting

Binnentreden

Blijkens pagina 23 van het proces-verbaal is voorafgaand aan het binnentreden van de woning een machtiging afgegeven op grond van artikel 94 en 96 van het Wetboek van Strafvordering. Op grond van artikel 96 in samenhang met artikel 67, eerste lid aanhef en sub c van het Wetboek van Strafvordering mag een opsporingsambtenaar - onder andere - bij verdenking van overtreding van artikel 11 van de Opiumwet ter inbeslagneming elke plaats betreden. Dat is hier het geval. Ook overigens is niet gebleken dat deze machtiging niet voldoet aan de eisen die zijn gesteld in de Algemene wet op het binnentreden. Het binnentreden van de woning van verdachte was daarom rechtmatig. In het proces-verbaal binnentreden woning, opgenomen op pagina 22, wordt weliswaar verwezen naar een machtiging op grond van artikel 9 van de Opiumwet, maar het hier anders weergeven van de grondslag van de machtiging doet niet af aan de bevoegdheid tot binnentreden voortkomende uit die machtiging.

Doorzoeking

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 25, is de woning binnengetreden ter opsporing en inbeslagneming. De bevoegdheid tot het binnentreden van plaatsen omvat de bevoegdheid tot zoekend rondkijken en om zich de doorgang in dat perceel te verschaffen (zie o.a. HR 18 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6238). Nu slechts een stellage is verschoven om de toegang tot een daarachter gelegen deur vrij te maken en vervolgens de daarachter gelegen ruimte te betreden, is geen sprake geweest van een doorzoeking als bedoeld in artikel 97 van het Wetboek van Strafvordering.

Conclusie

De rechtbank stelt vast dat er geen vormen zijn verzuimd in het voorbereidend onderzoek en verwerpt daarom het verweer tot bewijsuitsluiting.

4.3.2

Vrijspraak ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het (mede)plegen van diefstal van elektriciteit en zal verdachte vrijspreken van het haar onder feit 2 ten laste gelegde.

4.3.3

Bewezenverklaring ten aanzien van feit 1
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op 5 juli 2012 wordt door de politie binnengetreden in de woning aan de [adres] .2 In de kelder is een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met 234 hennepplanten.3 De aangetroffen planten zijn getest en de test gaf een positieve reactie, indicatief voor THC, zijnde de werkzame stof in hennep en hasjiesj, vermeld op lijst II van de Opiumwet.4

Door netbeheerder Enexis is aangifte gedaan van diefstal van energie. Geconstateerd werd dat het deksel van de aansluitkast ongeoorloofd is geopend. De hoofdbeveiliging ten behoeve van de elektrische installatie is verzwaard en er is een illegale aftakking aangelegd. Door de manipulatie werd afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage niet correct via de meter geregistreerd. Er is minimaal 351.125 kWh illegaal weggenomen.5

Verdachte heeft na haar aanhouding in 2012 verklaard dat zij sinds vijf jaar woont in de woning van medeverdachte [medeverdachte] . Sinds zij daar is komen wonen weet zij dat [medeverdachte] samen met zijn ex-vrouw een hennepkwekerij in de woning heeft. Verdachte heeft geholpen met het oogsten en verzorgen hiervan.6 Verdachte schat dat in deze vijf jaar twee of drie keer per jaar werd geoogst.7

Bewijsoverweging

Aan de hand van genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte behulpzaam is geweest bij en gelegenheid en middelen heeft verschaft tot het telen van hennep. Zij heeft hiertoe de woning ter beschikking gesteld en ook verzorgingshandelingen verricht. De intensiteit en frequentie van haar handelingen blijkt echter niet uit enig bewijsmiddel. Gelet hierop acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte(n) ten aanzien van de hennepteelt en zal zij verdachte vrijspreken van het haar onder feit 1 primair ten laste gelegde.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

feit 1 subsidiair:

een of meer personen in de periode van 6 juli 2009 tot en met 5 juli 2012 te [woonplaats] met elkaar, althans één van hen, telkens opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van ongeveer 234 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 6 juli 2009 tot en met 5 juli 2012 te [woonplaats] meermalen telkens opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen en door in die woning aanwezige hennepplanten (helpen) te kweken en te verzorgen en de in die woning aanwezige hennepplanten (helpen) te oogsten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als:

Medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten (onder 1 primair en 2) zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 80 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte de zorg draagt voor haar echtgenoot en dat dit een contra-indicatie vormt voor het opleggen van een gevangenisstraf. Mede in aanmerking genomen het blanco strafblad van verdachte, haar proceshouding en het tijdsverloop, acht de raadsvrouw oplegging van een taakstraf passend en kan de verdediging zich vinden in de strafeis zoals geformuleerd door de officier van justitie.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan hennepteelt. Gedurende een lange periode is sprake geweest van meerdere oogsten per jaar. Het spreekt voor zich dat het kweken van een softdrug als hennep een strafbaar feit is dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die bij (langdurig) gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op de inhoud van een uittreksel uit de justitiële documentatie van 16 juni 2015, waaruit blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld.

Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 6 augustus 2015. De reclassering acht het recidiverisico laag. Er is sprake van stabiliteit op de beschreven criminogene factoren en er is geen sprake van verdere justitiële contacten.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat de redelijke termijn is overschreden. De behandeling van de strafzaak is niet binnen twee jaar na aanvang van de termijn op 5 juli 2012 afgerond, terwijl in deze strafzaak geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn geweest die daartoe aanleiding hebben gegeven. Dit leidt tot strafvermindering.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden passend en geboden is oplegging van een taakstraf voor de duur van 60 uur, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d 48, 49 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ter zake van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde betreffende de periode van 1 september 2007 tot en met 5 juli 2009.

Verklaart de officier van justitie ten aanzien van het overige deel van de ten laste gelegde periode van feit 1 primair en subsidiair en feit 2 ontvankelijk in de vervolging.

Vrijspraak

Verklaart het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewezenverklaring
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 60 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. V. van Dam, voorzitter,

mr. drs. S.M. van Lieshout en mr. J.M. Eelkema, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.M. Strijbos, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 augustus 2015.

BIJLAGE: de tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt, na wijziging van de tenlastelegging, die hierna cursief is weergegeven, tenlastegelegd dat:

1.

Primair

zij in of omstreeks de periode van 1 september 2007 tot en met 5 juli 2012 te

[woonplaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen,(telkens) opzettelijk heeft

geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk

aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] ) een hoeveelheid van (in

totaal) ongeveer 234 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten

en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een

materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde

lid van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

Subsidiair

een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 1

september 2007 tot en met 5 juli 2012 te [woonplaats] , althans in het

arrondissement Midden-Nederland met elkaar, althans één van hen, (telkens)

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]

[adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 234 hennepplanten, althans een

groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een

hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde

hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of

bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks 1

september 2007 tot en met 5 juli 2012 te [woonplaats] , althans in het

arrondissement Midden-Nederland, meermalen, althans eenmaal

(telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft

verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend

gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van

hennepplanten ter beschikking te stellen en/of door in die woning aanwezige

hennepplanten (helpen) te kweken en/of te verzorgen en/of de in die woning

aanwezige hennepplanten (helpen) te oogsten;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

zij in of omstreeks de periode van 1 september 2007 tot en met 5 juli 2012 te

[woonplaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk

van wederrechtelijke toeëigening in/uit een pand aan de [adres] heeft

weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan Enexis B.V., in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of haar mededader(s), waarbij verdachte en/of haar

mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder haar/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal, nr. PL2525 2012036053, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (pagina 1 tot en met 93). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij, pagina 24.

3 Het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij, pagina 26.

4 Het proces-verbaal Opiumwet, pagina 34.

5 Een geschrift, zijnde een aangifte door Enexis op 10 juli 2012, pagina 60 en 61

6 Het proces-verbaal van verhoor verdachte op 5 juli 2012, pagina 41.

7 Het proces-verbaal van verhoor verdachte op 5 juli 2012, pagina 42.