Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:6453

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-08-2015
Datum publicatie
18-09-2015
Zaaknummer
16/659860-14 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming mbt hennepteelt. Verjaarde periode is aan te merken als een 'ander strafbaar feit' ex artikel 36e lid 2 Sr. Verdeling voordeel met medepleger en medeplichtige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/659860-14 (ontneming)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 24 augustus 2015

in de ontnemingszaak tegen

[veroordeelde],

geboren op [1963] in [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [postcode] in [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 augustus 2015.

1 De procedure

De procedure blijkt uit:

- de schriftelijke vordering van de officier van justitie, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

- het strafdossier onder parketnummer 16/659860-14, waaruit blijkt dat verdachte bij vonnis van 24 augustus 2015 van deze rechtbank is veroordeeld onder meer ter zake van -kort gezegd- medeplegen van hennepteelt in de periode van 6 juli 2009 tot en met 5 juli 2012 en medeplegen van diefstal van elektriciteit in de periode van 6 juli 2003 tot en met 5 juli 2012;

- het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij (hierna: het rapport), met bijlagen, nr. 2012036053 van 21 januari 2014, opgenomen op pagina 85 – 93 van het proces-verbaal;

- de overige stukken;

en de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de officier van justitie gehoord. [veroordeelde] (hierna: de veroordeelde) is niet ter terechtzitting verschenen. Als raadsvrouw van de veroordeelde is aanwezig mr. E. Uit de Boogaardt, advocaat te Emmeloord, die verklaart uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om de veroordeelde ter terechtzitting te verdedigen.

2 De beoordeling

2.1

De vordering van de officier van justitie

De schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot het aan de veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van € 238.249,69.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering aldus gewijzigd dat volgens de officier van justitie op voornoemd bedrag nog knipkosten en elektriciteitskosten in mindering dienen te worden gebracht. De veroordeelde dient hoofdelijk aansprakelijk gesteld te worden.

2.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht tot afwijzing van de ontnemingsvordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair kan niet worden gesteld dat sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel uit het gronddelict, uitgaande van de in beslag genomen kweek van 234 hennepplanten, en moet het wederrechtelijk verkregen voordeel worden geschat op nihil. Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering maximaal kan worden toegewezen tot een bedrag van € 11.008,40. De in het rapport genoemde hoeveelheid planten, hoeveelheid oogsten en de kosten worden door de verdediging betwist.

2.3

Het oordeel van de rechtbank

Dat de veroordeelde het bewezenverklaarde heeft begaan blijkt uit het door de meervoudige kamer van deze rechtbank gewezen vonnis in de strafzaak van 24 augustus 2015 en uit de in dat vonnis opgenomen bewijsmiddelen. De rechtbank stelt op grond van de navolgende feiten en omstandigheden, die aan wettige bewijsmiddelen zijn ontleend, vast dat de veroordeelde (als medepleger) door middel van het begaan van het onder feit 1 bewezenverklaarde en andere strafbare feiten -waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan- voordeel heeft gehad als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.1

De rechtbank acht het aannemelijk dat de veroordeelde samen met zijn mededader en zijn medeplichtige voordeel heeft verkregen uit de hennepkwekerij. De rechtbank berekent eerst hoeveel wederrechtelijk voordeel de aangetroffen hennepkwekerij heeft gegenereerd, om vervolgens toe te komen aan de berekening van de hoogte van het bedrag dat toegerekend kan worden aan de veroordeelde.

Periode en aantal oogsten van de hennepkwekerij

Blijkens voornoemd vonnis is de officier van justitie in de strafzaak niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde betreffende de periode van 1 januari 2003 tot en met 5 juli 2009 in verband met verjaring als bedoeld in artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht. Deze periode kan echter wel meegenomen worden in het kader van de ontnemingsvordering. Deze ten laste gelegde periode waarvoor niet tot een veroordeling is gekomen, is aan te merken als een ‘ander strafbaar feit, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan’ als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Anders dan in de jurisprudentie na het Geeringsarrest van het EHRM (1 maart 2007, NJ 2007/349) is hier geen oordeel gegeven over de bewijsbaarheid van de verjaarde ten laste gelegde periode. De onschuldpresumptie is dan ook niet in het geding (zie HR 7 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH3342).

In afwijking van het rapport neemt de rechtbank de verklaring van de veroordeelde voor wat betreft de periode en het aantal oogsten als uitgangspunt. Hij heeft hier duidelijk en zonder terughoudendheid over verklaard en de rechtbank ziet in de inhoud van het (beperkte) opsporingsonderzoek en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aanleiding om hiervan af te wijken.

Dit geldt ook voor de verklaring van de veroordeelde voor wat betreft de gemiddelde opbrengst aan hennep per oogst over de periode tot en met 2010. Dit is evenwel anders met betrekking tot de periode 2011 en 2012. In juli 2012 is een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met daarin 234 hennepplanten. Door de verdediging is ter zitting betoogd dat de kwekerij in 2011 en 2012 bestond uit 234 hennepplanten. Gelet hierop acht de rechtbank het aannemelijk dat in deze periode sprake was van een grotere hoeveelheid hennepplanten dan in de daaraan voorafgaande periode en ziet hierin aanleiding om af te wijken van de verklaring van de veroordeelde voor wat betreft de gemiddelde opbrengst aan hennep per oogst.

Het standpunt van de raadsvrouw dat in de onderhavige periode sprake is geweest van minder oogsten met een kleine(re) hoeveelheid planten acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd en niet verifieerbaar en aldus niet aannemelijk geworden. Daarbij wordt met name de verklaring van de veroordeelde zelf in aanmerking genomen.

De veroordeelde heeft verklaard in 2002/2003 te zijn begonnen met het kweken van hennepplanten. Gedurende 10 jaar heeft hij twee à drie keer per jaar geoogst. De hoeveelheid hennep per oogst was wisselend, van één tot drie kilo per oogst.2

Door de verdediging is aangevoerd dat de veroordeelde gedurende twee jaar, van medio 2005 tot medio 2007, niet betrokken is geweest bij de hennepteelt en hier geen voordeel uit heeft verkregen omdat hij toen niet in de woning verbleef. Nu de veroordeelde ook bij zijn eerste verhoor bij de politie heeft verklaard in deze periode niet in de woning te hebben gewoond, zal de rechtbank in zijn voordeel deze jaren niet meerekenen.

De rechtbank acht het aannemelijk dat in de periode van 2003 tot en met juli 2012 gedurende zeven jaren (mede) door de veroordeelde hennep is geteeld in de woning. Gelet op zijn verklaring bij de politie dat hij in die periode twee tot drie oogsten per jaar had, gaat de rechtbank uit van afwisselend twee en drie oogsten per jaar.

In de periode 2003 tot en met 2010 leverde de kwekerij - gelet op de verklaring van veroordeelde - gemiddeld 2 kilogram hennep per oogst op.

In de periode 2011 en 2012 bestond de hennepkwekerij uit 234 planten met 36 planten per m². De opbrengst per plant per oogst is dan 16,7 gram volgens het rapport ‘Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht’ van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (hierna: het BOOM-rapport), waarin hieromtrent standaardberekeningen en normen zijn vermeld. In deze periode leverde de kwekerij gemiddeld (234 planten x 16,7 gram) 3,9078 kilogram hennep per oogst op.3

Bruto opbrengst

De verkoopprijs van de hennep zoals weergegeven in het rapport is door de verdediging niet weersproken. De verkoopprijs van hennep wordt tot 1 november 2010 volgens het BOOM‑rapport gesteld op € 2.370,- per kilogram en na 1 november 2010 op € 3.280,- per kilogram.4

Nu de kwekerij is aangetroffen in juli 2012 en aannemelijk wordt geacht dat deze vanaf 2003 (met uitzondering van 2005 en 2006) gedurende zeven jaar in werking is geweest, wordt in de berekening gekomen tot 13 oogsten voorafgaand aan 1 november 2010. Bestaande uit 12 oogsten vanaf juli 2003 tot juli 2010 (afwisselend twee en drie oogsten per jaar) en één oogst in de periode juli tot november 2010. Na 1 november 2010 is sprake geweest van vier oogsten, bestaande uit één oogst eind 2010 en drie oogsten in de periode januari 2011 tot juli 2012. In totaal zijn dit 17 oogsten.

Berekening opbrengst:

Voor 1 november 2010: 13 oogsten x 2 kilogram = 26 kilogram x € 2.370,- = € 61.620,-

November 2010 tot januari 2011: 1 oogst x 2 kilogram = 2 kilogram x € 3.280,- = € 6.560,-

Na 1 januari 2011: 3 oogsten x 3,9078 kilogram = 11,72 x € 3.280,- = € 38.441,60

Kosten

De volgende kostenposten moeten in mindering worden gebracht op de opbrengst. Voor de berekening hiervan is het aantal planten in de kwekerij van belang. Ten aanzien van de periode tot en met 2010 heeft de rechtbank hiervoor de verklaring van de veroordeelde als uitgangpunt genomen, zoals hiervoor al weergegeven. Op grond daarvan gaat de rechtbank ervan uit dat de kwekerij per oogst gemiddeld twee kilogram hennep heeft opgeleverd. Volgens het BOOM-rapport wordt uitgegaan van een gemiddelde opbrengst van 28,2 gram hennep per plant.5 Dit als uitgangpunt nemende acht de rechtbank aannemelijk dat de kwekerij tot en met 2010 (minimaal) heeft bestaan uit 71 hennepplanten (2.000 gram / 28,2 = 70,9). In de periode 2011 en 2012 waren het 234 hennepplanten per oogst.

Afschrijvingskosten: De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de vaste kosten van de kwekerij hoger hebben gelegen dan normaal omdat de kwekerij in geen enkel jaar volledig heeft gefunctioneerd. In de loop der jaren is een bedrag van € 19.128,54 geïnvesteerd. Dit bedrag dient geheel in mindering gebracht te worden.

Gelet op het vonnis in de strafzaak is de rechtbank van oordeel dat de veroordeelde samen met een mededader eigenaar is geweest van de hennepkwekerij. Aannemelijk wordt geacht dat, nu samen geprofiteerd is, ook samen de kosten zijn gedragen. Dit geldt zowel voor de afschrijvingskosten als de variabele kosten. Het standpunt van de raadsvrouw ten aanzien van de investeringskosten is niet met verifieerbare gegevens onderbouwd en de rechtbank gaat hieraan voorbij. De rechtbank heeft de gemiddelde afschrijvingskosten als uitgangpunt genomen zoals weergegeven in het BOOM-rapport, te weten per oogst € 150,- tot en met 2010 en € 200,- in 2011 en 2012.6

Variabele kosten: De hoogte van de variabele kosten zoals weergegeven in het rapport is door de verdediging niet weersproken. Gelet op het BOOM-rapport wordt uitgegaan van € 4,40 per plant voor 1 november 2010 en € 6,18 per plant na 1 november 2010.7

Variabele kosten voor 1 november 2010: 71 planten x € 4,40 = € 312,40 per oogst

Variabele kosten november 2010 tot januari 2011: 71 planten x € 6,18 = € 438,78 per oogst

Variabele kosten na 1 januari 2011: 234 planten x € 6,18 = € 1.446,12 per oogst

Elektriciteitskosten: De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de veroordeelde de kosten voor het elektriciteitsverbruik heeft betaald. Het betaalde bedrag dient daarom in mindering te worden gebracht. De rechtbank is van oordeel dat de kosten gemaakt voor elektriciteitsverbruik ten behoeve van de hennepkwekerij in mindering kunnen worden gebracht. Volgens de berekening van Enexis waren de kosten voor het verbruik van elektriciteit met betrekking tot 30 eerdere oogsten (10 jaar x 3 oogsten) in de periode van 1 januari 2003 tot en met 5 juli 2012 € 24.057,78.8 De netwerkkosten komen volgens de berekening van Enexis uit op € 7.035,71 voor deze 30 oogsten. Bij voorgaande berekeningen heeft de rechtbank de periode voor wat betreft de aangetroffen planten buiten beschouwing gelaten.9 De overige door Enexis in rekening van de veroordeelde gebrachte kosten staan niet in directe relatie tot de voltooiing van het delict. Aan elektriciteitskosten wordt in mindering gebracht:
€ 24.057,78 + € 7.035,71 = € 31.093,49 / 30 oogsten = € 1.036,45 per oogst.

Deze kosten worden in mindering gebracht op het voordeel verkregen door de veroordeelde, nadat een verdeling is gemaakt met betrekking tot de mededader.

Overige kosten: Door de verdediging is, overeenkomstig het rapport, gesteld dat geen kosten voor knippers zijn gemaakt. Verder is door de verdediging aangedragen dat rekening moet worden gehouden met een navorderingsaanslag inkomstenbelasting van de Belastingdienst die de veroordeelde zal ontvangen. Ook heeft de veroordeelde kosten moeten maken om de woning na het binnentreden van de politie weer veilig bewoonbaar te maken. De rechtbank stelt vast dat dit geen kosten zijn die voor mindering in aanmerking komen, nu deze kosten niet in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict.

De rechtbank brengt dus de volgende kosten in mindering:

Voor 1 november 2010: 13 oogsten x (€ 150 + € 312,40) = € 6.011,20

November 2010 tot januari 2011: 1 oogst x (€ 150 + € 438,78) = € 588,78

Na 1 januari 2011: 3 oogsten x (€ 200 + € 1.446,12) = € 4.938,36

Verdeling ten aanzien van de medepleger

In het onder 1. genoemde vonnis in de strafzaak waarbij tot een veroordeling is gekomen ter zake van hennepteelt en diefstal van elektriciteit, is door de rechtbank geoordeeld dat sprake is geweest van medeplegen. De rechtbank acht aannemelijk dat de veroordeelde samen met een ander gedurende de gehele ten laste gelegde periode, te weten 1 januari 2003 tot en met 5 juli 2012, eigenaar is geweest van de hennepkwekerij.

De veroordeelde heeft verklaard samen met zijn ex-vrouw eigenaar te zijn van de hennepkwekerij.10 Hij kreeg de helft van de opbrengst.11 De rechtbank gaat bij haar berekening uit van deze verklaring.

Verdeling ten aanzien van de medeplichtige

Blijkens het gelijktijdig gewezen vonnis van deze rechtbank van 24 augustus 2015 met parketnummer 16/659859-14 is de huidige partner van de veroordeelde, [A] , als medeplichtige veroordeeld voor betrokkenheid bij deze hennepkwekerij.

De partner van de veroordeelde, [A] , heeft na haar aanhouding in 2012 verklaard dat zij sinds vijf jaar woont in de woning van [veroordeelde] .12

De veroordeelde heeft verklaard dat zijn deel van de opbrengst van de hennepkwekerij in het huishouden terechtkwam.13

Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat zowel de veroordeelde als zijn partner in de jaren 2007 tot en met 2012 genoten hebben van het voordeel verkregen uit de hennepkwekerij. Zij worden beiden voor de helft hiervan verantwoordelijk gehouden.

Conclusie

Alles afwegende leidt dit tot de volgende berekening.

In de periode 2003-2007 betreft het vijf oogsten. Dit betekent dat over die periode het wederrechtelijk verkregen voordeel is:

Opbrengst 5 oogsten x 2 kilogram = 10 kilogram x € 2.370,- € 23.700,-

Kosten 5 oogsten x (€ 150 + € 312,40) € 2.312,-

Subtotaal € 23.700,- - € 2.312,- € 21.388,-

Verdeling met medepleger € 21.388,- : 2 € 10.694,-

Aftrek elektriciteitskosten 5 oogsten x € 1.036,45 € 5.182,25

Totaal € 10.694,- - € 5.182,25 € 5.511,75

In de periode 2007-2012 betreft het twaalf oogsten. Dit betekent dat over die periode het wederrechtelijk verkregen voordeel is:

Opbrengst 8 oogsten x 2 kilogram = 16 kilogram x € 2.370,- € 37.920,-

1 oogst x 2 kilogram = 2 kilogram x € 3.280,- € 6.560,-

3 oogsten x 3,9078 kilogram = 11,72 x € 3.280,- € 38.441,60

Totaal opbrengst € 37.920,- + € 6.560,- + € 38.441,60 € 82.921,60

Kosten 8 oogsten x (€ 150 + € 312,40) € 3.699,20

1 oogst x (€ 150 + € 438,78) € 588,78

3 oogsten x (€ 200 + € 1.446,12) € 4.938,36

Totaal kosten € 3.699,20 + € 588,78 + € 4.938,36 € 9.226,34

Subtotaal € 82.921,60 - € 9.226,34 € 73.695,26

Verdeling met medepleger € 73.695,26 : 2 € 36.847,63

Aftrek elektriciteitskosten 12 oogsten x € 1.036,45 € 12.437,40

Subtotaal € 36.847,63 - € 12.437,40 € 24.410,23

Verdeling met medeplichtige € 24.410,23 : 2 € 12.205,12

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel:

€ 5.511,75 + € 12.205,12 € 17.716,87

Draagkrachtverweer
De verdediging heeft aangevoerd dat de veroordeelde en zijn partner geen verhaal bieden en ook in de toekomst geen verhaal kunnen bieden.

Dit verweer is door de verdediging niet onderbouwd met concrete, verifieerbare gegevens. Uit de inhoud van het dossier en het onderzoek ter zitting is niet aannemelijk geworden dat de huidige en de redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van de veroordeelde niet toereikend zullen zijn om voormeld bedrag te voldoen. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om het aan de Staat te betalen bedrag lager vast te stellen en verwerpt dit verweer.

Resumerend is de rechtbank van oordeel dat de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van voormeld bedrag van € 17.716,87 aan de veroordeelde moet worden opgelegd.

3 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

4 De beslissing

De rechtbank:

Stelt het bedrag van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van € 17.716,87.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 17.716,87.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door

mr. V. van Dam, voorzitter,

mr. drs. S.M. van Lieshout en mr. J.M. Eelkema, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.M. Strijbos, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 augustus 2015.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal, nr. PL2525 2012036053, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (pagina 1 tot en met 93). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van verhoor verdachte op 5 juli 2012, pagina 50.

3 Het rapport, pagina 88.

4 Het rapport, pagina 88.

5 Het rapport, pagina 92.

6 Het rapport, pagina 92.

7 Het rapport, pagina 89.

8 Een geschrift, zijnde een aangifte door Enexis op 10 juli 2012, pagina 80.

9 Een geschrift, zijnde een aangifte door Enexis op 10 juli 2012, pagina 82 in combinatie met 78.

10 Het proces-verbaal van verhoor verdachte op 5 juli 2012, pagina 49.

11 Het proces-verbaal van verhoor verdachte op 5 juli 2012, pagina 51.

12 Het proces-verbaal van verhoor verdachte op 5 juli 2012, pagina 41.

13 Het proces-verbaal van verhoor verdachte op 5 juli 2012, pagina 51.