Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:6452

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-09-2015
Datum publicatie
18-09-2015
Zaaknummer
16/705621-15
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Openlijk geweld. Vrijspraak poging doodslag en poging zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/705621-15

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 1 september 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1994] te [geboorteplaats] ,

wonende [adres] te [woonplaats] ,

thans gedetineerd in [verblijfplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2015 en 18 augustus 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal.

Tevens is verschenen de benadeelde partij, [slachtoffer] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

De zaak van [verdachte] is gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld met de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] .

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich op 3 maart 2015 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag, dan wel het medeplegen van een poging tot zware mishandeling, dan wel het plegen van openlijk geweld.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Zij acht het meer subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, gelet op de verklaringen van aangever en getuige [getuige] . De officier van justitie acht niet bewezen dat verdachte – of zijn broers – hebben geschoten op aangever.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit, nu verdachte op 3 maart 2015 niet in Veenendaal is geweest. Subsidiair heeft de verdediging vrijspraak bepleit, nu niet blijkt dat aangever is beschoten. De verdediging stelt zich verder op het standpunt dat ook niet kan worden vastgesteld dat verdachte betrokken is geweest bij het steekincident, nu hij geen mes voorhanden heeft gehad en ook niet wist dat een ander een mes bij zich droeg.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op 4 april 2015 heeft [slachtoffer] aangifte2 gedaan tegen verdachte en zijn broers, [medeverdachte] en [A] . Aangever verklaart dat hij op 3 maart 2015 bij de [bedrijf] aan de [straat] in [woonplaats] was. [medeverdachte] was daar ook aanwezig. Aangever verklaart dat hij [medeverdachte] heeft aangesproken en dat er vervolgens buiten een gesprek heeft plaatsgevonden. Aangever is weer naar binnen gegaan. Aangever verklaart dat [A] ongeveer 10 minuten later binnen kwam en wilde praten. Aangever vertrouwde het niet en is niet meegegaan. Aangever verklaart dat hij na het eten naar buiten liep en daar verdachte en zijn broers – [medeverdachte] en [A] – zag staan. Aangever verklaart dat de drie broers op hem af kwamen en hem begonnen te slaan. Aangever verklaart3 dat hij ziet dat [verdachte] iets in zijn hand had, dat hij een klein donker voorwerp op hem richtte, een knal hoort en iets aan zijn been voelt. Ook verklaart hij dat [A] hem in de linkerzijde van zijn lichaam stak.

Getuige [getuige] heeft verklaard4 dat hij met aangever bij de [bedrijf] was. [getuige] verklaart dat aangever een conflict had met één van de broers [achternaam verdachte] , wat vervolgens buiten is uitgepraat. [getuige] verklaart dat een andere broer even later binnenkwam en wilde praten, maar aangever wilde dat niet. Toen aangever kort daarna naar buiten ging werd hij aangevallen door de drie broers [achternaam verdachte] , waarbij aangever werd geslagen en werd gestoken.

In een afgeluisterd telefoongesprek5 van 5 maart 2015 bepreekt [B] – de vrouw van [A] – met een vrouw (haar schoonmoeder) een ruzie tussen een jongen en [medeverdachte] ; dat die jongen een kopstoot heeft gegeven aan [medeverdachte] en dat daarna de ruzie is begonnen. [B] zegt vervolgens dat zij thuis waren, dat [verdachte] belde en dat ‘zij’ er naar toe zijn gegaan. Ook [A] is meegegaan zegt [B] .

In een brief6 van het Ziekenhuis Gelderse Vallei d.d. 3 maart 2015 staat dat aangever een steekwond in de linkerzijde van zijn buik heeft.

Bewijsoverweging

Op grond van de aangehaald bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 3 maart 2015 openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] . De rechtbank stelt vast dat er een eerste confrontatie is geweest tussen aangever en [medeverdachte] bij de [bedrijf] . [medeverdachte] heeft vervolgens zijn broers [verdachte] en [A] ingelicht en die zijn naar de [bedrijf] gekomen. Verdachte ontkent daar die avond geweest te zijn. Zijn aanwezigheid volgt echter uit de verklaringen van aangever en getuige [getuige] , welke verklaringen worden ondersteund door hetgeen [B] op 5 maart 2015 aan de telefoon zegt, namelijk dat verdachte zelf kennelijk over het incident heeft gebeld en dat er toen ook anderen heen zijn gegaan. Dat verdachte op dat moment in Antwerpen of elders zou hebben verbleven is gelet op het bovenstaande en op het volledig ontbreken van een onderbouwing van zijn stelling, niet aannemelijk.

De rechtbank overweegt – ten aanzien van het tenlastegelegde schieten in het been van [slachtoffer] – dat aannemelijk is dat er tijdens het incident bij de [bedrijf] is geschoten. Getuigen die boven de [bedrijf] wonen verklaren dat zij twee knallen hebben gehoord en dat er werd geroepen dat iemand een pistool had. In het wapen dat bij getuige [getuige] is aangetroffen zitten twee afgeschoten patronen. Op basis van het dossier is echter niet objectief vast te stellen wie er heeft geschoten, of dat met het aangetroffen wapen is gebeurd en of er gericht (op het slachtoffer) is geschoten. Ook is er geen overtuigend bewijs in het dossier aanwezig dat het letsel in het been van aangever schotletsel is. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het tenlastegelegde schieten met een vuurwapen.

Ten aanzien van het steken overweegt de rechtbank dat door aangever en door getuige [getuige] wordt verklaard dat aangever in de zij is gestoken. In het ziekenhuis is vastgesteld dat aangever een steekwond in de linkerzijde van zijn buik had. Hoewel geen mes of steekvoorwerp is gezien of aangetroffen, blijkt uit de verklaringen en het aangetroffen letsel dat aangever is gestoken tijdens het incident. Aangever heeft verklaard dat hij is gestoken door [A] . Weliswaar is niet bewezen dat verdachte daarbij een mes of ander scherp steekvoorwerp voorhanden heeft gehad, maar nu zijn opzet is geweest het in vereniging plegen van het openlijk geweld en hij daar zelf tenminste door te slaan significant aan heeft bijgedragen, is zijn betrokkenheid bij dit (meer subsidiair ten laste gelegde) feit bewezen.

Gezien de vrij lichte aard van het letsel en nu niet duidelijk is met welk voorwerp de verwonding is toegebracht, komt de rechtbank niet tot de vaststelling dat een poging heeft plaatsgevonden het slachtoffer te doden dan wel hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank spreekt verdachte hiervan vrij.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 3 maart 2015 te Veenendaal, met anderen, op de openbare weg, de Kerkewijk, onverholen en waarneembaar voor ter plaatse aanwezige personen – openlijk met verenigde krachten geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit

 het meerdere malen slaan van die [slachtoffer] en

 het met een mes, althans een dergelijk scherp (steek)voorwerp in de linkerzij van die [slachtoffer] steken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

het openlijk en in vereniging plegen van geweld tegen personen.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden wordt opgelegd, met aftrek van de tijd die hij heeft doorgebracht in voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair stelt de verdediging dat de eis van de officier van justitie dient te worden gematigd en rekening moet worden gehouden met het feit dat verdachte first offender is. Ook dient rekening gehouden te worden met de situatie thuis, nu moeder ernstig ziek is en vader het bedrijf – waarin ook verdachte werkt - alleen moet managen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. De broer van verdachte heeft een eerste confrontatie gehad met aangever, waarna verdachte en een andere broer zijn ingeschakeld. Verdachte en zijn broer zijn ter plaatse gekomen om samen verhaal te halen. Met zijn drieën hebben zij aangever aangevallen op het moment dat hij de [bedrijf] verliet, waarbij ook een mes of steekvoorwerp is gebruikt. Verdachte heeft daarbij een bijdrage geleverd aan het geweld door aangever te slaan.

De rechtbank weegt mee dat het geweld zich op de openbare weg heeft afgespeeld. Diverse omwonenden en het personeel van de [bedrijf] zijn getuige geweest van dit geweld. Voorts is het feit gepleegd rond 18.30 uur ’s avonds, derhalve een tijdstip dat veel mensen, waaronder ook kinderen, ervan getuige kunnen zijn en hierdoor bang kunnen worden. Dergelijke geweldplegingen dragen bij aan een gevoel van onveiligheid in de samenleving en bezorgen directe getuigen gevoelens van angst. Uit de verklaringen van de omwonenden blijkt dat daarvan in dit geval ook daadwerkelijk sprake is geweest.

Verdachte is, zo blijkt uit het uittreksel justitiële documentatie van 23 juni 2015, niet eerder veroordeeld voor enig strafbaar feit.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank mede gelet op het oriëntatiepunt bij een dergelijk feit, te weten drie maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht een hogere straf echter passend, nu verdachte en zijn mededaders aangever welbewust hebben opgewacht, met zijn drieën hebben aangevallen en bij het geweld een mes of steekvoorwerp is gebruikt.

De rechtbank is van oordeel dat, alles overziende, een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. Een andere strafmodaliteit is gezien de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan, niet aan de orde.

De rechtbank is van oordeel dat er, gezien de stukken en het verhandelde ter zitting, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat er een nieuwe confrontatie zal plaatsvinden tussen verdachte en aangever. Gelet op het feit dat er al langer onenigheid was tussen aangever en verdachte en diens familie acht de rechtbank het noodzakelijk een contactverbod met aangever op te leggen, in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel. Een dergelijke maatregel kan dadelijk uitvoerbaar worden verklaard, hetgeen de rechtbank ook zal doen teneinde ernstig gevaarzettende contacten te stoppen.

9 Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een bedrag van € 2.480,-, bestaande uit € 480,- materiële schade en € 2.000,- immateriële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering hoofdelijk kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.200,-, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Zij heeft de materiële schade – nu deze schade niet nader onderbouwd is – geschat op een bedrag van € 200,-. Zij acht een bedrag van € 1.000,- immateriële schade toewijsbaar, nu ook deze schade niet volledig is onderbouwd. De vordering dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert en daarnaast ook onvoldoende onderbouwd is. De vordering dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus de verdediging.

De rechtbank overweegt dat de behandeling van de vordering van [slachtoffer] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden, te weten schade aan zijn T-shirt, boxershort en joggingbroek. Niet is gebleken dat de bodywarmer van de benadeelde partij is beschadigd door het geweld. Ter onderbouwing van de immateriële schade is een aantal voorbeelden uit het Handboek Smartengeld bijgevoegd. De aangehaalde zaken sluiten echter onvoldoende aan bij hetgeen in de onderhavige zaak is gebeurd en kunnen daardoor niet als voldoende onderbouwing van dit deel van de vordering dienen. Voor het overige is de immateriële schade onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank waardeert de materiële schade op een bedrag van € 100,- en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2015. Dit bedrag zal hoofdelijk worden toegewezen. De vordering wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

In het belang van [slachtoffer] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 27, 36f, 38v, 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde, en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van hetgeen primair en subsidiair is tenlastegelegd;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde feit bewezen, zodanig als hiervoor onder 5. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het openlijk en in vereniging plegen van geweld tegen personen;

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden;

- beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden;

- legt op de vrijheidsbeperkende maatregel inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van één jaar op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met aangever [slachtoffer] , ook niet als deze zelf contact met verdachte zoekt;

- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval door veroordeelde niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 3 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 3 maanden (90 dagen);

- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;

- omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon beveelt de rechter, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

Vordering benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 100,-, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 3 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door een mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , € 100,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 2 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door een mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.J.M. Mol, voorzitter,

mr. E. Akkermans en mr. A.R. Creutzberg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.M. van de Kamp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 september 2015.

BIJLAGE: de tenlastelegging

Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat

Primair

hij op of omstreeks 03 maart 2015 te Veenendaal, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s)

 die [slachtoffer] geduwd en/of (daarbij) dreigend de woorden toegevoegd dat die [slachtoffer] niet wist wie hij was, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

 met een vuurwapen op/in het (linkerboven)been van die [slachtoffer] geschoten en/of (vervolgens)

 die [slachtoffer] meerdere malen geslagen/gestompt en/of

 met een mes, althans een dergelijke scherp (steek)voorwerp in de (linker)zij van die [slachtoffer] gestoken,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 03 maart 2015 te Veenendaal, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

 die [slachtoffer] heeft/hebben geduwd en/of (daarbij) dreigend de woorden toegevoegd dat die [slachtoffer] niet wist wie hij was, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

 met een vuurwapen op/in het (linkerboven)been van die [slachtoffer] heeft/hebben geschoten en/of (vervolgens)

 die [slachtoffer] meerdere malen heeft/hebben geslagen/gestompt en/of

 met een mes, althans een dergelijke scherp (steek)voorwerp in de (linker)zij van die [slachtoffer] heeft/hebben gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 03 maart 2015 te Veenendaal, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Kerkewijk, onverholen en/of waarneembaar voor ter plaatse aanwezige personen - openlijk met verenigde krachten geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit

 het duwen van die [slachtoffer] en/of het (daarbij) dreigend de woorden toevoegen dat die [slachtoffer] niet wist wie hij was, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

 het met een vuurwapen op/in het (linkerboven)been van die [slachtoffer] schieten en/of (vervolgens)

 het meerdere malen slaan/stompen van die [slachtoffer] en/of

 het met een mes, althans een dergelijke scherp (steek)voorwerp in de (linker)zij van die [slachtoffer] steken;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met de naam 034Kerkewijk met betrekking tot [verdachte] bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering van 1 tot en met 469. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 4 maart 2015, opgenomen op pagina 63-65.

3 Proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 16 maart 2015, opgenomen op p. 68-71, met name p. 69.

4 Proces-verbaal verhoor verdachte [getuige] d.d. 4 maart 2015, opgenomen op pagina 51-61.

5 Tapgesprek d.d. 5 maart 2015, opgenomen op pagina 332.

6 Brief Ziekenhuis Gelderse Vallei d.d. 3 maart 2015, niet genummerd.