Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:644

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-02-2015
Datum publicatie
06-02-2015
Zaaknummer
16.659733-14 (P
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2015:7837, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 80-jarige man is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf voor het doden van zijn vriendin op 30 juli 2014 in Hilversum. De rechtbank achtte doodslag bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16.659733-14 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 6 februari 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1934] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd te PPC Amsterdam.

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting dat is aangevangen op 17 oktober 2014. Het onderzoek ter terechtzitting is hervat op 19 december 2014. Op 23 januari 2015 heeft de inhoudelijke behandeling van de strafzaak plaatsgevonden.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. N.T.R.M. Franken en van de standpunten door de raadsvrouw van verdachte,

mr. S.N.W. van Dam Ouwens, naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 30 juli 2014 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk en met voorbedachte rade[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer]

- (meermalen) met een wijnfles en/of een mes, althans met een hard en/of stomp voorwerp, op/tegen het (achter)hoofd geslagen en/of

- (negen keer) met een (klap)mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals en/of de borst(streek), in elk geval het lichaam, gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Subsidiair

hij op of omstreeks 30 juli 2014 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk

- (meermalen) met een wijnfles en/of een mes, althans met een hard en/of stomp voorwerp, op/tegen het (achter)hoofd geslagen en/of

- (negen keer) met een (klap)mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals en/of de borst(streek), in elk geval het lichaam, gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de officier van justitie merkt de rechtbank op dat onder primair ten laste is gelegd de moord, althans de doodslag op[slachtoffer]. Onder subsidiair is eveneens de doodslag op[slachtoffer] ten laste gelegd. Mede gelet op de strekking van het bepaalde in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank daarom de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in haar vervolging ter zake van het subsidiair ten laste gelegde.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte vrij te spreken van de primair ten laste gelegde moord, nu uit het dossier niet is gebleken dat sprake was van een moment van bezinning waarin verdachte zich heeft kunnen beraden op het te nemen besluit om[slachtoffer] van het leven te beroven. De officier van justitie heeft gevorderd de subsidiair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit verdachte vrij te spreken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg. Gelet hierop heeft de verdediging vrijspraak bepleit van de primair ten laste gelegde moord. De raadsvrouw heeft ten aanzien van de subsidiair ten laste doodslag aangevoerd dat verdachte door het enkele slaan met de fles geen opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van het slachtoffer. Nu uit het dossier niet onomstotelijk volgt dat het verdachte is geweest die de fatale messteken heeft toegebracht, is het overlijden van het slachtoffer niet aan verdachte toe te rekenen.

Het oordeel van de rechtbank 1

De rechtbank acht de primair ten laste gelegde moord niet wettig en overtuigend bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank acht de impliciet primair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

Op donderdag 31 juli 2014 omstreeks 08.34 uur kwam een melding binnen bij de politie dat op het adres [adres] een overleden vrouw was aangetroffen.

Ter plaatse zagen de gearriveerde verbalisanten dat de vrouw, naar later bleek mevrouw[slachtoffer], in de keuken van de woning lag. Zij lag in een plas bloed en verbalisanten namen verschillende steekwonden in haar lichaam waar. In een kamer op de tweede verdieping van de woning zagen de verbalisanten een man – naar later bleek verdachte – in bed liggen. De verbalisanten zagen dat over zijn gelaat een plastic zak lag en nabij zijn nek een veter. Verdachte is hierop overgebracht naar het Tergooi Ziekenhuis te Hilversum.2

Tijdstip van overlijden en doodsoorzaak[slachtoffer] 3 :

In het proces-verbaal van sporenonderzoek wordt geconcludeerd dat, gelet op de bloedspatpatronen en het over het gezicht uitgelopen bloed, er sprake was van geweld dat op twee momenten op het lichaam van het slachtoffer is uitgeoefend. In eerste instantie is er geweld toegepast terwijl het slachtoffer rechtop stond in de buurt van een stoel achterin de keuken. In tweede instantie is er geweld toegepast terwijl het slachtoffer op haar rug lag voor het keukenblok. Op dat moment leefde het slachtoffer nog en bewoog zij haar arm. Doordat één of meermalen geweld op het lichaam is uitgeoefend terwijl het slachtoffer op de grond lag, ontstond een spatpatroon rond het bovenlichaam en het hoofd. Op die laatste plaats is het slachtoffer vervolgens overleden. Uit het sporenonderzoek volgt voorts dat een diepe maanvormige wond die op het hoofd van het slachtoffer werd aangetroffen, mogelijk is ontstaan door het slaan met een fles.4

A. Maes, arts en patholoog van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI), heeft onderzoek gedaan naar de doodsoorzaak van[slachtoffer]. Uit het rapport van

11 augustus 2014 volgt dat op het hoofd van het slachtoffer huidverscheuringen en onderhuidse bloeduitstortingen zijn ontstaan. Deze hoofdletsels zijn ontstaan ten gevolge van bij leven toegepast heftig botsend geweld op het hoofd, zoals het meermalen slaan met een voorwerp. Eveneens werd een lineaire schedelbreuk aan het achterhoofd waargenomen. Deze schedelbreuk en een deel van de letsels aan het achterhoofd kunnen passen bij een val waarbij het hoofd een hard oppervlak heeft geraakt. Deze hoofdletsels waren ernstig en hebben door het optreden van bloedverlies bijgedragen aan het overlijden. Uit het rapport volgt voorts dat aan de linkerzijde en de rechterzijde van de hals, evenals aan de linkerzijde en de rechterzijde van de borst in totaal negen steekverwondingen zijn waargenomen. Deze steekverwondingen zijn alle bij leven opgelopen en hebben onder meer de linkerhalsader en de beide longen geperforeerd. Hierbij is veel bloed verloren.

A. Maes concludeert dat het overlijden van het slachtoffer kan worden verklaard als gevolg van verwikkelingen van meermalen bij leven opgelopen uitwendig scherprandig perforerend geweld, te weten steekverwondingen, op het lichaam. Meermalen bij leven opgelopen uitwendig inwerkend botsend geweld op het hoofd heeft aan het overlijden bijgedragen.5

Door technisch rechercheur M. Bontan is op 31 juli 2014 tussen 10:35 uur en 10:55 uur middels het Nomogram van Henssge een postmortale tijdsintervalbepaling gedaan.

Hieruit volgt dat de dood van het slachtoffer vermoedelijk tussen 30 juli 2014 om 19:30 uur en 30 juli 2014 om 22:30 uur is ingetreden.6

De rechtbank overweegt dat uit het voorgaande volgt dat[slachtoffer] op 30 juli 2014 is overleden ten gevolge van steekverwondingen en dat het slaan met de fles op het hoofd aan het overlijden heeft bijgedragen.

Betrokkenheid verdachte bij de dood van[slachtoffer]:

Uit het onderzoek van de politie volgt dat de woning gelegen aan de [adres] volledig afgesloten was op het moment dat het slachtoffer werd ontdekt door de schoonmaakster die de woning ontsloot. De achterdeur, het raam en de garagedeur waren van binnen vergrendeld. Eveneens was de voordeur op slot gedraaid met een sleutel. In de woning werd op het aanrecht, in de nabijheid van het slachtoffer, een stiletto aangetroffen met daarop bloed. Voorts werden op de kraanknop van de koude keukenkraan en op een op het aanrecht liggende handdoek, bloedvegen aangetroffen. In de spoelbak van het aanrecht, alsook op het aanrecht, was eveneens bloed zichtbaar.7 Nabij de trap op de eerste verdieping werd een wijnfles aangetroffen. Deze wijnfles is onderzocht en bleek geen bloedsporen te bevatten.8 Op de tweede verdieping van de woning werden een paar in bloed doordrenkte sokken aangetroffen alsook een blauwe broek en een blauw overhemd met daarop bloedspatten.9 Op het lichaam van verdachte werden op zijn armen, onder zijn voeten en aan zijn linkerhand bloedsporen aangetroffen.10 Voorts werden op het hemd dat verdachte droeg bloedsporen aangetroffen.11

De aangetroffen bloedsporen op het heft en het lemmet van de stiletto, op de linkerhand van verdachte en de voeten van verdachte zijn onderworpen aan een DNA-onderzoek door het NFI. Het NFI concludeert dat voornoemde bloedsporen met een zeer hoge mate van waarschijnlijkheid afkomstig zijn van het slachtoffer[slachtoffer].12 Uit onderzoek van het NFI naar het mes volgt dat op het mes geen vingerafdrukken zijn aangetroffen.13

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het slachtoffer op 30 juli 2014 rond 17:30 uur bij hem langs kwam in zijn woning aan de [adres]. Het slachtoffer vertelde hem dat zij de relatie wilde beëindigen en dat zij niets meer met het bezoek van zijn dochter aan Nederland te maken wilde hebben. Verdachte verklaarde dat hij vervolgens tegen het slachtoffer heeft gezegd dat hij niet voor zichzelf instond en overwoog een einde aan zijn leven te maken. Het slachtoffer zei tegen verdachte dat als hij dat wilde doen hij dat moest doen, waarna verdachte het slachtoffer met een wijnfles op haar hoofd heeft geslagen. Verdachte heeft verklaard dat hij denkt dat hij haar één of twee keer heeft geslagen, waarna hij zag dat het slachtoffer bloedde. Het slachtoffer probeerde vervolgens de fles af te pakken waarop zij op de grond is gevallen. Verdachte heeft verklaard dat hij niet meer goed weet wat er is gebeurd nadat het slachtoffer is gevallen. Hij weet dat hij naar boven is gelopen, slaappillen heeft ingenomen en een zak over zijn hoofd heeft gedaan. Verder heeft hij verklaard dat hij die zak na enige tijd weer heeft losgetrokken omdat hij het benauwd kreeg. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij wist dat het slachtoffer altijd iets in haar tas had zitten waarmee zij zich kon verdedigen als zij alleen was en dat dit een mes of pepperspray zou kunnen zijn.14

Aan verdachte is het in de woning aangetroffen mes getoond. Hij heeft dit mes niet herkend als het zijne en hij weet niet waar het mes vandaan komt.15

Verdachte heeft ontkend dat hij een plan had om het slachtoffer iets aan te doen. Weliswaar had hij eerder pillen klaargelegd om zelfmoord te kunnen plegen in het geval dat het slachtoffer de relatie zou verbreken, maar hij heeft ontkend dat er sprake was van een vooropgezet plan om het slachtoffer van het leven te beroven. De verdachte handelde naar eigen zeggen in een opwelling van woede.16

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verdachte op 30 juli 2014 te Hilversum meermalen met een fles op het hoofd van[slachtoffer] heeft geslagen en haar negen maal met een mes heeft gestoken, ten gevolge waarvan[slachtoffer] is overleden. De rechtbank overweegt daartoe dat de woning van verdachte op het moment dat het levenloze lichaam van het slachtoffer werd aangetroffen volledig was afgesloten.

De verklaring van verdachte in samenhang bezien met de in de woning, op zijn kleding en op verdachte zelf aangetroffen bloedsporen, maakt dat het niet anders kan dan dat het de verdachte is geweest die het slachtoffer negen maal heeft gestoken. Dat verdachte zich dit niet meer herinnert, doet daar niet aan af. De rechtbank acht het, gelet op het voorgaande en in het bijzonder gelet op het feit dat met name op de onderkant van de broekspijpen van verdachte bloedspetters zaten, zijn sokken doordrenkt waren met bloed en op de hand en voeten van verdachte bloed van het slachtoffer is aangetroffen, volstrekt onaannemelijk dat een ander dan verdachte de fatale messteken aan het slachtoffer heeft toegebracht. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsvrouw.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag geplaatst hoe deze handelingen van verdachte dienen te worden gekwalificeerd.

Moord/doodslag

De rechtbank is van oordeel dat voornoemd handelen van de verdachte niet als voorbedachten rade is aan te merken. Voor een bewezenverklaring van voorbedachten rade is vereist dat, behoudens contra-indicaties, komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen besluit of het genomen besluit, zodat hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Er zijn geen feiten en omstandigheden gebleken waaruit kan volgen dat verdachte[slachtoffer] met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht.

De rechtbank spreekt de verdachte derhalve vrij van de primair ten laste gelegde moord.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als doodslag.

Uit het voorgaande volgt dat wettig en overtuigen bewezen is dat verdachte op 30 juli 2014[slachtoffer] heeft gedood door haar meermalen met een wijnfles op haar hoofd te slaan en door haar negen maal te steken met een mes. Uit de hiervoor omschreven gedragingen van verdachte volgt dat verdachte opzettelijk, in de zin van willens en wetens,[slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het opzet heeft gehad op de dood van[slachtoffer] en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan de impliciet primair ten laste gelegde doodslag van[slachtoffer].

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

Primair

hij op 30 juli 2014 te Hilversum opzettelijk[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk die [slachtoffer]

- meermalen met een wijnfles op het hoofd geslagen en

- negen keer met een mes in de hals en/of de borststreek gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Van het primair meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Primair: doodslag.

7 STRAFBAARHEID

Het feit en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van de tijd die reeds door verdachte in voorarrest is doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van een op te leggen straf verzocht rekening te houden met de persoon van de verdachte, zijn lichamelijke conditie, het feit dat verdachte first offender is, zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid, het feit dat penitentiaire inrichtingen in Nederland niet zijn ingericht voor personen van de leeftijd van verdachte en dat hij het zwaar heeft in detentie.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de doodslag van[slachtoffer]. Doodslag is één van de ernstigste delicten die de Nederlandse strafwetgeving kent. Het recht op leven behoort tot de fundamenteelste rechten die in onze rechtsorde dienen te worden beschermd. De verdachte heeft het leven van het slachtoffer op zeer gewelddadige wijze beëindigd en haar daarmee dat recht ontnomen. Verdachte heeft daarbij steeds zijn eigen belang voorop gesteld, hetgeen onder meer volgt uit de omstandigheid dat hij heeft verzuimd de hulpdiensten te verwittigen. De rechtbank rekent verdachte dit alles zeer ernstig aan. Het behoeft geen nader betoog dat verdachte onbeschrijfelijk veel leed heeft toegebracht aan de kinderen, kleinkinderen en de overige familieleden van het slachtoffer, alsmede aan anderen die het haar lief hadden. Uit de ter terechtzitting van 23 januari 2015 voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaringen van de zoons van[slachtoffer] blijkt dat de nabestaanden onnoemelijk veel verdriet is aangedaan en dat het overlijden van het slachtoffer een groot gemis voor hen betekent.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van het

Pro Justitia Rapport (dubbel rapportage) van psychiater M.R. Weerda d.d. 7 oktober 2014 en klinisch psycholoog R.A. Sterk d.d. 26 november 2014.

Deskundige Weerda vermeldt dat de vrouw van verdachte in 2013, na een huwelijk van 45 jaar, is overleden. Na het overlijden van zijn vrouw lijken enkele persoonlijkheidskenmerken van verdachte, zoals krenkbaarheid en een neiging tot afhankelijkheid, te zijn versterkt. De gevoelens van teleurstelling, krenking en woede die hij in de relatie met het slachtoffer heeft ervaren en de manier waarop de relatie werd beëindigd, hebben bij verdachte geleid tot een uit zeer bedreigende gevoelens van krenking, woede en angst voortkomende agressieve impulsdoorbraak. Nu deze gevoelens verdachte vooral in de relatie met het slachtoffer beperkten, mogelijk versterkt door gevoelens van rouw en verlatingsangst, kan, ondanks de duidelijke kwetsbaarheden in de persoonlijkheid van verdachte, de diagnose persoonlijkheidsstoornis in engere zin ten tijde van het ten laste gelegde niet worden gesteld. Deskundige Sterk is tot overeenkomstige bevindingen gekomen.

Psychiater Weerda en klinisch psycholoog Sterk concluderen dat bij verdachte geen ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens ten tijde van het ten laste gelegde is vastgesteld. Ondanks het voorgaande hebben voornoemde persoonlijkheidskenmerken wel een rol gespeeld bij de totstandkoming van het ten laste gelegde. Verdachte moet in staat worden geacht om de wederrechtelijkheid van het ten laste gelegde in te kunnen zien, maar hij kan als gevolg van de psychische problematiek niet goed in staat worden geacht om zijn wil overeenkomstig bovengenoemd inzicht geheel in vrijheid te bepalen. Gelet hierop concludeert psychiater Weerda dat sprake is van een verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid. Psycholoog Sterk concludeert dat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te achten is.

De rechtbank neemt de conclusie van de deskundigen over in die zin dat verdachte in verminderde mate toerekeningsvatbaar te achten is.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met een verdachte betreffend reclasseringsadvies d.d. 20 oktober 2014 waarin de bevindingen van psychiater Weerda en klinisch psycholoog Sterk worden onderschreven. De rechtbank heeft eveneens rekening gehouden met een door de reclassering uitgebracht reclasseringsadvies d.d. 21 januari 2015 waarin is gerapporteerd over de detentiegeschiktheid van verdachte.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank voorts rekening met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 29 augustus 2014, waaruit volgt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.

Alles afwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van 8 jaren passend en geboden. Weliswaar is verdachte een 80-jarige man met een kwetsbare lichamelijke conditie, maar uit onderzoeken is niet gebleken is dat er sprake is van detentie ongeschiktheid of extreem psychisch lijden in het geval van op te leggen detentie. De aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit acht de rechtbank zodanig ernstig dat, ondanks de leeftijd van de verdachte, uitsluitend een gevangenisstraf van lange duur passend wordt geacht.

9 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting hebben [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] – daartoe vertegenwoordigd door mr. M.A.J. Kubatsch, advocaat te Utrecht – zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De hoogte van die materiële schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 11.966,57.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de door [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] ingediende vordering geheel toe te wijzen. De officier van justitie heeft gevorderd de schademaatregel op te leggen en voornoemd bedrag met inbegrip van de wettelijke rente toe te wijzen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair, gelet op de door haar bepleite vrijspraak, verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren. Subsidiair heeft zij bepleit de benadeelde partij ten aanzien van de kosten van de notaris, de nota van de Veilige Haven en de nota van Natuursteen ‘Gooiland’ B.V., niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, nu deze op grond van artikel 6:108 lid van het Burgerlijk Wetboek niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij, [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2], rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 5 bewezen verklaarde feit. De hoogte van die materiële schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 11.422,07. Dit bedrag bestaat uit alle gevraagde kosten minus de kosten in rekening gebracht door de notaris. Anders dan de andere posten zijn deze laatste kosten, gelet op hun aard, niet direct gerelateerd aan de lijkbezorging van de overledene. In zoverre wordt de benadeelde partij dan ook in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Voornoemd bedrag van € 11.422,07 wordt vermeerderd met de wettelijke rente sinds de factuurdatum van de respectieve toewijsbare kosten, tot de dag van algehele voldoening en de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 27, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Ontvankelijkheid

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging ter zake van het subsidiair ten laste gelegde;

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen de primair aan verdachte ten laste gelegde moord en spreekt hem daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het impliciet primair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat primair meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar en kwalificeert dat zoals hierboven onder 6 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partij

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2], domicilie kiezende ten kantore van mr. M.A.J. Kubatsch, Newtonlaan 53, 3584 BP te Utrecht van een bedrag van € 11.422,07 (zegge: elfduizend vierhonderd tweeëntwintig euro en zeven cent), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de factuurdatum van de respectieve kosten, te weten: Fred’s Bloementeam, € 525,00, factuurdatum 22 augustus 2014; Gooische Uitvaartverzorging, € 8361,17, factuurdatum 23 september 2014; Veilige Haven, € 3672,65, factuurdatum 25 augustus 2014; Natuursteen ‘Gooiland’ B.V., € 1724,25, factuurdatum

24 november 2014, tot de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 11.422,07, vermeerderd met de wettelijke rente, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 92 dagen hechtenis;

- bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] voor de notariskosten in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mrs. Z.J. Oosting en R.C.J. Hamming, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Arends, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 februari 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL0900-2014209860, doorgenummerd 1 tot en met 152.

2 Pagina 5 tot en met 8.

3 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het proces-verbaal forensisch onderzoek PL0900-2014209860, doorgenummerd 1 tot en met 203.

4 Pagina 23.

5 Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, NFI, A. Maes, arts en patholoog, 11 augustus 2014, pagina 5 en 6.

6 Pagina 88.

7 Pagina 20 en 23.

8 Pagina 131.

9 Pagina 163.

10 Pagina 134.

11 Pagina 150.

12 Pagina 183.

13 Pagina 181.

14 Verklaring van verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting d.d. 23 januari 2015.

15 Pagina 84.

16 Verklaring van verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting d.d. 23 januari 2015.