Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:6349

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-08-2015
Datum publicatie
31-08-2015
Zaaknummer
4377026 UE VERZ 15-431 -1111
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kan een verzoek tot een zogenoemde pro forma ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van art. 96Rv.; kan niet

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 96
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 669
Burgerlijk Wetboek Boek 7 671b
Burgerlijk Wetboek Boek 7 673
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0827
AR 2015/1603
Prg. 2015/258
RAR 2015/164
JAR 2015/235
RBP 2015/84
TvPP 2015, afl. 5, p. 150
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 4377026 UE VERZ 15-431 -1111

Beschikking van 28 augustus 2015

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Koninklijke ERU Kaasfabriek B.V.,

gevestigd te Woerden,

verder ook te noemen verzoeker als bedoeld in art. 96 Rv of verzoekende partij,

gemachtigde: mr. A.H.C. Heere,

tegen:

[A] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen verzoeker als bedoeld in art. 96 Rv., of verzoekende partij, dan wel verwerende partij,

gemachtigde: mr. A.E. Schat.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op voet van art. 96 Rv. en artikel 671 b lid 1 juncto 669 lid 3 sub g BW op 21 augustus 2015 ingediend verzoekschrift

  • -

    en

  • -

    het op 19 augustus 2015 ingediend verweerschrift.

1.2.

De kantonrechter heeft beslist dat mondelinge behandeling van het verzoek, op verzoek van partijen, achterwege kan blijven.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 Het verzoek en de beoordeling daarvan

2.1.

[A] is, sinds 23 februari 2010, in dienst van ERU Kaasfabriek.

2.2.

Beiden vragen ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 november 2015, onder toekenning aan [A] van een vergoeding ad € 4.475,- ingevolge artikel 7:673 lid 2 BW.

2.3.

Partijen hebben de kantonrechter verzocht om het verzoekschrift en verweerschrift op voet van artikel 96 Rv. in behandeling te nemen. Dat verzoek kan worden toegewezen, nu, hoezeer ook afdeling 9 van titel 10 van boek 7 BW dwingend recht bevat, het niet gaat om een zaak die rechtsgevolgen betreft die niet ter vrije bepaling van partijen in de zin van artikel 96 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staan.

2.4.

Iets anders is wat dan in de op grond van art. 96 Rv. aan de kantonrechter voorgelegde zaak door die gekozen kantonrechter beslist moet worden. Partijen hebben de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen hen beiden verzocht op grond van art. 7:671b lid 1 sub a BW in verbinding met art. 7:669 lid 3 BW. Beide partijen hebben daartoe aangevoerd, dat tussen hen een zodanig verschil van inzicht omtrent de te verrichten werkzaamheden is ontstaan, dat verdere samenwerking niet mogelijk is en dat de verhouding tussen partijen zodanig is verstoord, dat verdere vruchtbare samenwerking niet mogelijk is. Zij verzoeken de kantonrechter de overeengekomen vergoeding ex artikel 7: 673 lid 2 ad € 4.475,- aan de werknemer toe te kennen. Partijen zijn het dus helemaal met elkaar eens en hebben dus zelf de beslissing al genomen en wensen geen daadwerkelijke beslissing op een geschilpunt. Dit leidt tot afwijzing van de eerste grondslag van het gezamenlijke verzoek.

2.5.

Ten overvloede overweegt de kantonrechter nog het volgende. Zelfs als toch om een beslissing zou worden gevraagd, in de vorm van een beschikking met een stempel van de kantonrechter en bijgevolg een executoriale titel, dan nog kan de kantonrechter partijen daarin niet kritiekloos volgen. Het einde van de arbeidsovereenkomst door middel van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, vindt plaats op grond van een limitatieve reeks van redelijke gronden (art. 7:669 lid 3 juncto art. 7:671b BW). De leden 1 en 3 van art. 7:669 BW betreffen de kern van het nieuwe systeem van ontslagrecht (zie ook: Handboek Nieuw ontslagrecht, J. van Slooten, I. Zaal, J.P.H. Zwemmer, Wolters Kluwer 2015, pagina 4 onder verwijzing naar Kamerstukken II, 2013/ 2014, 33 818, pagina 36). De kern van de bedoelde bepalingen valt uiteen in tweeën: het gaat om een limitatieve reeks van ontslaggronden en het gaat om de kern van het arbeidsrecht, te weten het ontslagrecht met al zijn reguleringen. De kantonrechter is daaraan gebonden.

2.6.

Daar komt bij dat het hier ook gaat om een tweede belangrijk uitgangspunt van het nieuwe ontslagrecht. Het nieuwe stelsel gaat er vanuit dat opzegging altijd mogelijk is met schriftelijke instemming van de werknemer, al dan niet gegoten in de instemming met een opzegging of een met de werkgever gesloten beëindigingsovereenkomst. Zonder instemming moet toestemming voor opzegging worden gevraagd aan het UWV of een verzoek tot ontbinding worden gedaan bij de kantonrechter. Ook een pro forma beschikking is een ontbinding door de kantonrechter. Partijen dienen derhalve een duidelijke keuze te maken. Of zij kiezen voor opzegging met instemming of een beëindigingsovereenkomst – wat ter vrije bepaling staat - dan wel verzoeken de overheidsrechter om bemoeienis en zullen in dat laatste geval (niet via artikel 96 Rv. een beslissing van de kantonrechter van hun keuze kunnen inroepen, maar) een (geregeld) ontbindingsverzoek bij de relatief bevoegde kantonrechter moeten indienen.

2.7.

Partijen hebben de kantonrechter verzocht “op basis van artikel 96 Rv (…) om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met mevr. [A] op grond van artikel 671b lid 1 sub a juncto artikel 7: 669 lid 3 sub g BW.” De kantonrechter ziet derhalve reden het verzoek tot ontbinding te behandelen op de tweede verzochte grond, te weten die van de wettelijke bepalingen van afdeling 9 van titel 10 van boek 7 BW en meer in het bijzonder de genoemde wetsartikelen.

2.8.

De kantonrechter heeft op grond van het bepaalde in artikel 7:671b lid 2 BW zich ervan vergewist of het verzoek verband houdt met het bestaan van enig opzegverbod, hetgeen volgens beide partijen niet het geval is.

2.9

Partijen voeren een onverenigbaar verschil van inzicht aan, voor welke grond niet zonder meer reden bestaat om haar als redelijke grond te beschouwen en het verzoek tot ontbinding toe te wijzen. Partijen hebben evenwel ook opgemerkt dit verschil van inzicht van dusdanige aard te vinden dat een vruchtbare samenwerking in de toekomst uitgesloten moet worden geacht. Op grond van hetgeen over en weer is aangevoerd, is de kantonrechter van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat er sprake is van een redelijke grond als bedoeld in art. 7:669 lid 3 onder g BW.

2.10.

Ontbinding is verzocht per 1 november 2015. Door werknemer noch werkgever is aangevoerd dat deze termijn niet correspondeert met hetgeen is neergelegd in artikel 7:671b lid 8 aanhef en onder a BW. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de tussen partijen geldende opzegtermijn onder aftrek van de duur gelegen tussen de datum van ontvangst van het verzoek, dat door de kantonrechter zekerheidshalve op 21 en niet op 19 augustus 2015 wordt bepaald, en de dagtekening van deze beschikking, korter is dan de datum van 1 november 2015. Nu de overeengekomen einddatum in het voordeel is van de WW-uitvoerende instantie en van de werknemer, is er geen rechtens relevant belang geschaad met een verder weg liggende einddatum dan de in de wet neergelegde einddatum van art. 7:671b lid 8 aanhef en onder a BW.

2.11.

De kantonrechter ziet voorts geen aanleiding (meer) aan [A] een vergoeding toe te kennen. Die taak is de kantonrechter ontvallen, behalve bij ernstige tekortkomingen van de werkgever (wat niet is aangevoerd, nu partijen kennelijk door de verwijzing naar artikel 7:673 lid 2 BW het oog hebben gehad op de transitievergoeding). Die transitievergoeding kan door partijen in een beëindigingsovereenkomst worden vastgelegd, voor zover al niet voldoende uit de wet (art. 7:673 lid 1 BW) voortvloeit dat de werkgever, onder in de wet geformuleerde voorwaarden, de transitievergoeding verschuldigd is. Niet valt in te zien waarom in een zogenoemde geregelde ontbinding de opname van een overeengekomen, maar ook op grond van de wet aan de werknemer toekomende, transitievergoeding in de beschikking noodzakelijk is, zeker niet teneinde in een verband van onderlinge overeenstemming de kennelijk desondanks beoogde executoriale titel te verkrijgen.

2.12.

De proceskosten worden geheel gecompenseerd.

3 De beslissing

De kantonrechter:

- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 november 2015;

- compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen;

- wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2015.