Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:6339

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-09-2015
Datum publicatie
22-09-2015
Zaaknummer
C/16/369682 / HA ZA 14-407
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2016:3623
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Executoriaal derdenbeslag; verklaringsprocedure. Staven met bescheiden. Contragaranties afgegeven aan Irakese bank; consequenties van sanctiemaatregelen tegen Irak vanwege Golfoorlog.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/369682 / HA ZA 14-407

Vonnis van 2 september 2015

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

CITIBANK N.A.,

gevestigd te New York, Verenigde Staten van Amerika,

eiseres,

advocaat mr. T.C. Wiersma te Amsterdam,

tegen

de coöperatie

COÖPERATIEVE CENTRALE RAIFFEISEN-BOERENLEENBANK B.A.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. E.M. Snijders te Utrecht.

Partijen zullen hierna Citibank en Rabobank genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in het incident van 17 september 2014;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van 22 januari 2015;

  • -

    de akte na comparitie van Citibank;

  • -

    de antwoordakte van Rabobank.

1.2.

Om organisatorische redenen heeft de rechter, ten overstaan van wie de comparitie is gehouden, dit vonnis niet kunnen wijzen. Partijen zijn hiervan op de hoogte gesteld in een brief van 14 augustus 2015.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Citibank heeft een vordering op de Irakese banken Rafidain en Rasheed, beide te Bagdad. De rechtbank Amsterdam heeft in een verstekvonnis van 27 september 2000 Rafidain en Rasheed hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan Citibank van $ 11.431.893,85 met $ 1.059,29 per dag aan rente met ingang van 1 januari 2000, met ƒ 12.200 aan buitengerechtelijke kosten en ƒ 20.844 aan proceskosten. Daarvan is een deel betaald. De vordering van Citibank bedraagt nog $ 11.760.748,87, met verdere rente en kosten.

2.2.

Citibank heeft op 29 oktober 2013 onder Rabobank ten laste van Rafidain en Rasheed executoriaal derdenbeslag gelegd.

2.3.

Rabobank heeft met een brief van 12 december 2013 en een ingevuld formulier de buitengerechtelijke verklaring van artikel 476a Rv afgelegd. De verklaring is als volgt ingevuld:

Tussen de derde en de schuldenaar bestaat/bestaan (nog) de volgende rechtsverhouding(en):

(mogelijke) vorderingen uit hoofde van (vervallen) bankgarantie

Aan de schuldenaar zijn de volgende bedragen verschuldigd:

 EUR 401.630,00 resp. EUR 145.415,00

2.4.

De betreffende garanties dateren uit de jaren 1979 tot en met 1990. Zij zijn opgesomd in de bijlage bij de verklaring, als volgt:

Rafidain Bank

1) Garantienummers GAR25084/085/086/087, begunstigde: State Organization of Iraqi Ports. Per garantie een (resterend) uitstaand bedrag van NLG 200.000,00, totaal NLG 800.000,00.

2) Garantienummer GAR06642, begunstigde State Organization of Iraqi Ports, initieel garantiebedrag NLG 138.400,00, vordering thans beperkt tot nog te betalen provisie (vordering verwaarloosbaar)

3) Garantienummer GAR34055, State Establishment for Water and Sewerage, Baghdad, uitstaand bedrag Iraqi Dinar 61.094,00

4) Garantienummer GAR36442, begunstigde Agricultural Supplies Co., garantiebedrag NLG 4.410,00, uitstaand bedrag betreft echter kosten ad NLG 200,00 (vordering verwaarloosbaar)

Totale vorderingen Rafidain Bank (bij benadering) € 401.630,00

Rasheed Bank

1) Garantienummer GAR35364, begunstigde State Establishment for Rayon Industries, uitstaand bedrag NLG 286.000,00

2) GAR36355, begunstigde State Electrical Industries Establishment, uitstaand bedrag NLG 17.550,00

3) Garantienummer GA900233, begunstigde Al Qaqaa State Establishment, uitstaand bedrag NLG 16.901,00

Totale vorderingen Rasheed Bank (bij benadering) € 145.415,00

NB: Het is zeer de vraag of de vorderingen van voornoemde banken rechtmatig zijn en er ooit tot uitbetaling zou moeten worden overgegaan in verband met destijds vigerende sanctie-maatrgelen tegen Irak c.q. Iraakse banken.

3 Het geschil

3.1.

Citibank vordert, samengevat:

i) veroordeling van Rabobank om een schriftelijke en ondertekende gerechtelijke verklaring af te leggen, met name door het verschaffen van kopieën van de aan Rafidain en Rasheed verstrekte garanties;

ii) afhankelijk van het resultaat daarvan, veroordeling van Rabobank tot betaling of afgifte van hetgeen aan Citibank zal blijken toe te komen, met wettelijke rente;

iii) veroordeling van Rabobank in de kosten van deze procedure.

3.2.

Rabobank voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt, voor zover hier van belang, hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Dit is een verklaringsprocedure zoals bedoeld in artikel 476a en verder van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv). Van belang zijn vooral de volgende bepalingen:

artikel 476a Rv

1. Zodra vier weken zijn verstreken na het leggen van het beslag, is de derde verplicht verklaring te doen van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen. (…)

2. De verklaring wordt door de derde-beslagene gedagtekend en ondertekend en bevat:

a. de met redenen omklede opgave of hij al dan niet iets aan de geëxecuteerde verschuldigd is of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding zal worden, dan wel of hij al dan niet iets voor deze onder zich heeft; (…)

f. de verdere gegevens die voor het vaststellen van de rechten van partijen dienstig mochten zijn.

artikel 476b lid 2 Rv

De verklaring gaat zo veel mogelijk vergezeld van afschrift van tot staving dienende bescheiden.

artikel 477a lid 2 Rv

Indien de derde-beslagene wel een verklaring heeft afgelegd, is de executant bevoegd deze geheel of ten dele te betwisten dan wel aanvulling daarvan te eisen door de derde binnen twee maanden na zijn verklaring te dagvaarden tot het doen van gerechtelijke verklaring en tot betaling of afgifte van hetgeen volgens de vaststelling door de rechter aan de executant zal blijken toe te komen.

4.2.

Rabobank heeft een buitengerechtelijke verklaring afgelegd. Citibank heeft Rabobank tijdig gedagvaard om aanvulling van die verklaring met bewijsstukken te eisen.

4.3.

Rabobank heeft in haar conclusie van antwoord een gerechtelijke verklaring afgelegd, die enigszins afwijkt van de oorspronkelijke. Deze verklaring komt neer op het volgende. In de jaren tachtig had zij klanten die zaken deden in Irak. Deze klanten hadden een bankgarantie nodig van een Irakese bank, Rafidain of Rasheed. De Irakese banken eisten daarvoor een contragarantie van een Nederlandse bank. Rabobank heeft die contragaranties gegeven. Als gevolg van de Golfoorlog van 1990-1991 en de internationale sancties tegen Irak moesten de klanten van Rabobank hun zakelijke activiteiten in Irak beëindigen. Daarmee verviel ook de mogelijkheid dat er nog een (valide) claim zou kunnen worden ingediend onder de Irakese bankgaranties en de bijbehorende contragaranties. Vanwege de sancties tegen Irak zou Rabobank ook niets meer aan Rafidain en Rasheed mogen betalen. Rafidain en Rasheed hebben daarom geen vordering meer op haar.

4.4.

In beginsel staat het de derde-beslagene (in dit geval: Rabobank) vrij om de verklaring te wijzigen of te herroepen. Er kunnen omstandigheden zijn die zich daartegen verzetten, maar daarvan is hier niets gebleken. Uitgangspunt voor de beoordeling is dus de herziene verklaring in de conclusie van antwoord.

4.5.

In een verklaringsprocedure als deze berust de bewijslast in beginsel op de beslaglegger. Van de derde-beslagene mag echter verlangd worden dat hij ter staving van zijn verklaring zo veel mogelijk feitelijke gegevens verstrekt. Deze exhibitieplicht moet gezien worden in het licht van de artikelen 476a lid 2 en 476b lid 2 Rv, waarin is bepaald dat de derde-beslagene zijn verklaring met redenen moet omkleden en zijn verklaring zo veel mogelijk moet onderbouwen met afschriften van ‘tot staving dienende bescheiden’. Als de verklaring inhoudt dat de derde-beslagene niets (meer) verschuldigd is aan degene ten laste van wie beslag gelegd is, dient hij ook dat met stukken te onderbouwen.

4.6.

De vordering van Citibank strekt tot aanvulling van de verklaring van Rabobank met bepaalde bescheiden, namelijk met afschriften van de contragaranties. Daarvoor biedt de wet geen grondslag. Artikel 477a lid 2 Rv verplicht de derde-beslagene tot het staven van zijn verklaring met bescheiden, maar niet tot het afleggen van een met bepaalde bescheiden onderbouwde verklaring. Het is aan de derde-beslagene om te bepalen welke bescheiden hij overlegt; het is aan de rechter om te beoordelen of met het overgelegde aan de exhibitieplicht is voldaan.

4.7.

Rabobank verwijst voor haar standpunt naar de sanctiemaatregelen tegen Irak. Volgens haar waren er vóór 7 augustus 1990 geen claims ingediend (althans geen claims die nog niet waren uitbetaald); daarna konden er als gevolg van de sancties geen claims meer opkomen.

4.8.

In de overgelegde stukken ziet de rechtbank geen aanwijzingen om aan te nemen dat er nog claims waren van vóór 7 augustus 1990. Citibank noemt ook geen stukken waarmee Rabobank dat verder zou kunnen staven.

4.9.

Voor de situatie vanaf 7 augustus 1990 is de geschiedenis van de sancties van belang. In overeenstemming met de relevante VN-Resoluties zijn er verschillende Europese Verordeningen uitgevaardigd. In Verordening 2340/1990 is iedere vorm van handel met Irak verboden met ingang van 7 augustus 1990. Verordening 3541/1992 bevat een verbod om ‘eisen in te willigen’ van Irakese partijen in verband met een transactie die geraakt werd door het embargo. Deze verordening diende ter bescherming van bedrijven buiten Irak tegen vorderingen tot vergoeding van de schade die Irak leed door het embargo. Na opheffing van het handelsverbod in 2003 is in Verordening 1210/2003 bepaald dat tegoeden van de vorige regering van Irak werden bevroren. Artikel 6 van deze Verordening bevatte een regeling over het vrijgeven van bevroren tegoeden. Deze bepaling is herhaaldelijk gewijzigd en komt nu hierop neer dat de tegoeden kunnen worden vrijgegeven, onder meer als zij het voorwerp zijn van een vonnis daterend van vóór 22 mei 2003.

4.10.

Aangenomen moet worden dat vorderingen wegens wanprestatie in verband met het embargo blijvend onmogelijk zijn. Het was uitdrukkelijk niet de bedoeling om de schade als gevolg van het embargo te verplaatsen van de Irakese partij die de schade leed naar een niet-Irakese zakenpartner die als gevolg van het embargo niet meer mocht presteren. Dat geldt echter niet per definitie voor alle vorderingen. Het is denkbaar dat een Irakese partij een vordering heeft op een niet-Irakese zakenpartner vanwege een wanprestatie die niets met het embargo te maken heeft, bijvoorbeeld vanwege werkzaamheden die (voor augustus 1990) gebrekkig waren uitgevoerd. Gezien het tijdsverloop is niet ondenkbaar dat dergelijk vorderingen inmiddels verjaard zouden zijn, maar dat kan alleen beoordeeld worden aan de hand van de omstandigheden van het geval (waaronder het recht dat op de overeenkomst van toepassing was). Van dergelijke claims is denkbaar dat zij door de sancties niet vervielen, maar alleen werden opgeschort, zodat zij na het opheffen van de sancties zouden kunnen herleven.

4.11.

Dit wordt ondersteund door de uitspraak van het Engelse House of Lords van 28 juni 2001 in de zaak [naam] and others v. Rasheed and others, waarop Rabobank zich beroept. In § 28 wordt hier opgemerkt:

Counsel for Rasheed argued that the Regulation says nothing about prohibiting permanently the satisfaction of claims which are not the consequence of the embargo. He emphasised that the words in the recital aim to prevent Iraqi parties “from obtaining compensation for the negative effects of the embargo.” This statement is substantially correct (…)

De kwestie is in die uitspraak niet verder uitgewerkt, omdat daar vaststond dat de vordering juist wel verband hield met het embargo.

4.12.

In deze zaak is bijna niets bekend over de contragaranties, of over de onderliggende overeenkomsten waaruit vorderingen zouden kunnen voortvloeien. Rabobank licht niet toe waarom er geen vorderingen meer zouden kunnen opkomen vanwege wanprestaties die geen verband hielden met het embargo. Weliswaar lijkt die kans niet heel groot, vanwege het tijdsverloop, maar dat betekent nog niet dat het onmogelijk is. Rabobank stelt ook niet dat de contragaranties een looptijd hadden die verhindert dat er nog vorderingen kunnen ontstaan. Zij voert wel aan dat zij geweigerd heeft de contragaranties te verlengen, maar gaat er niet op in welke consequenties dat heeft. Ook het verzoek aan Rabobank om de looptijd van de contragaranties te verlengen is niet overgelegd, zodat niet beoordeeld kan worden hoe het standpunt van Rafidain of Rasheed is.

4.13.

Het argument dat de zakelijke klanten van Rabobank de contragaranties als vervallen beschouwen, overtuigt de rechtbank in ieder geval niet. Een schuldenaar is niet bevoegd om te bepalen dat zijn verplichting is vervallen.

4.14.

Rabobank voert ook aan dat zij haar verklaring niet hoeft te staven met bescheiden, omdat zij het bedrag van eventuele openstaande vorderingen alleen zou mogen overmaken aan het Ontwikkelingsfonds voor Irak. Zij gaat echter niet in op de stellingen van Citibank (in de akte na comparitie) die erop neerkomen dat de bevriezing alleen nog bedoeld is om te voorkomen dat de tegoeden naar het oude regime kunnen terugvloeien, maar dat beslag en executie wel mogelijk zijn. Daarmee heeft zij onvoldoende gemotiveerd dat zij op deze grond haar verklaring niet hoeft te staven met bescheiden.

4.15.

Als bijkomend argument voert Rabobank aan dat zij niet alle stukken meer heeft (overigens zonder te vermelden welke stukken zij wel heeft en welke niet meer). Dit is bij uitstek een omstandigheid die ligt in haar risicosfeer. Het is denkbaar dat er redenen waren waarom Rabobank die stukken niet meer hoefde te bewaren, maar Rabobank noemt die redenen niet. Daarom kan Rabobank zich achter deze algemene mededeling niet verschuilen. Ook het argument dat haar klanten er belang bij hebben dat hun gegevens niet na verloop van meer dan 20 jaar ‘zomaar’ worden verstrekt aan het Amerikaanse Citibank, gaat niet op. In de eerste plaats is het staven van de verklaring met bescheiden wettelijk voorgeschreven, zodat de term ‘zomaar’ misplaatst is. Bovendien kan het enkele feit dat Citibank een Amerikaans bedrijf is geen reden zijn waarom zij geen recht heeft op een deugdelijk onderbouwde verklaring over het door haar gelegde derdenbeslag. Het is wel zo dat Rabobank niet verplicht kan worden tot het overleggen van bepaalde bescheiden. Zoals gezegd, het is aan haar om te bepalen welke bescheiden zij overlegt, mits zij daarmee haar verklaring voldoende onderbouwt.

4.16.

Met de nu overgelegde stukken is de verklaring van Rabobank niet voldoende gestaafd. De rechtbank zal Rabobank de gelegenheid geven om haar verklaring aan te vullen met nadere gegevens en met bescheiden, ter staving van haar stelling dat Rafidain en Rasheed niets meer van haar te vorderen hebben of kunnen krijgen op grond van de contragaranties.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 30 september 2015, waar Rabobank een akte kan nemen om haar verklaring aan te vullen met verdere gegevens en met tot staving dienende bescheiden, waarna Citibank op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen;

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.O. Zuurmond en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2015.1

1 type: nig 4123 coll: JOZ 4583