Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:630

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-02-2015
Datum publicatie
27-07-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 7217
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vovo, Wmo, vermindering indicatie, feitelijk gestoeld op bezuinigingen vooruitlopend op nieuwe Wmo, onvoldoende onderbouwd; verzoek toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Almere

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 14/7217

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 februari 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen, verweerder

(gemachtigde: I.C.M. Stam).

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder een indicatie voor hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) aan verzoekster toegekend voor 5 uur en 45 minuten per week, met een geldigheid van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2019. Verzoekster krijgt hiervoor een persoonsgebonden budget (pgb) van € 104,82 per week.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het primaire besluit dan wel continuering van het pgb zoals dat eerder was toegekend, totdat op het bezwaar is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2015. Verzoekster is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter ziet zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld of sprake is van spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Vaststaat dat verzoekster leeft van een bijstandsuitkering. Verzoekster heeft verder gesteld dat zij het met de indicatie die haar per 1 januari 2015 is toegekend niet redt en dat zij niet in staat is om, in afwachting van het besluit op bezwaar, de zorg (deels) zelf te bekostigen. Daarnaast heeft verzoekster gewezen op de vele kosten die zij maakt voor haar hulphond. Ter onderbouwing hiervan heeft zij ter zitting enkele kopieën van facturen overgelegd. De voorzieningenrechter ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat ieder spoedeisend belang ontbreekt. De voorzieningenrechter komt dan ook toe aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek.

3. Verzoekster voert aan dat verweerder haar nu 1 uur en 45 minuten per week minder heeft toegekend dan bij haar vorige, ten tijde van het primaire besluit nog geldende, indicatie, terwijl haar situatie eerder is verslechterd dan verbeterd. Verweerder heeft niet goed gemotiveerd wat de reden is voor deze vermindering en waar deze op is gebaseerd. Verweerder heeft ook onvoldoende acht geslagen op haar huidige fysieke gesteldheid. Er is geen advies gevraagd aan het CIZ of aan [naam] en verweerder beschikt zelf niet over de benodigde medische kennis. Met de huidige geïndiceerde uren wordt verzoekster onvoldoende gecompenseerd. Verder wijst verzoekster erop dat zij als gevolg van haar fysieke beperkingen – onder meer doofheid en slechtziendheid – geen gebruik kan maken van een vrijwilliger of boodschappenservice. Zij heeft problemen met communiceren en kan niet lang achter de computer zitten.

4. De voorzieningenrechter overweegt, gelet op gedingstukken en het verhandelde ter zitting, dat verweerder het primaire besluit heeft gebaseerd op de Wmo 2007, ingegeven door bezuinigingen in verband met de Wmo 2015. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting laten weten dat hij het primaire besluit niet heeft gebaseerd op nieuwe of gewijzigde beleidsregels. Voorts heeft verweerder ter zitting aangegeven dat de beslissing op bezwaar zal worden gebaseerd op de Wmo 2015.

5. Niet in geschil is dat verzoekster in aanmerking komt voor hulp bij het huishouden. In geschil is of de nieuwe indicatie voor hulp bij het huishouden, mede gelet op de beperkingen van verzoekster, volstaat.

6. Bij het primaire besluit heeft verweerder de indicatie, zoals die aan verzoekster was toegekend bij het besluit op bezwaar van 25 oktober 2012, als volgt gewijzigd:

  • -

    “licht poetswerk”: 60 minuten, wordt “licht huishoudelijk werk”: 50 minuten;

  • -

    “zwaar poetswerk”: 180 minuten, wordt “zwaar huishoudelijk werk”: 120 minuten;

  • -

    “verzorging kleding/linnengoed”: 60 minuten, wordt “wasverzorging”: 55 minuten;

  • -

    “maaltijdbereiding”: 105 minuten, wordt “hulp bij warme maaltijd”: 105 minuten;

  • -

    “dagelijkse organisatie van het huishouden en communicatie (PAR)”: 30 minuten, wordt “organisatie van het huishouden”: 15 minuten.

  • -

    “boodschappen opruimen”: 15 minuten, vervalt.

De eerdere indicatie van verzoekster liep van 21 mei 2012 tot en met 20 mei 2017.

7. De voorzieningenrechter stelt vast dat de enige motivering die in het primaire besluit wordt gegeven voor deze verminderingen, is dat voor het halen van de zware boodschappen voorliggende voorzieningen aanwezig zijn. Verzoekster zou gebruik kunnen maken van een vrijwilliger of een online boodschappenservice. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat de vorige indicatie niet voorzag in een indicatie voor het doen van boodschappen. Verder staat in het onderliggende rapport van 24 oktober 2014 onder meer dat verzoekster voor het halen van de verse producten gebruik kan maken van haar scootmobiel en dat er geen noodzaak bestaat voor maaltijdbereiding, zodat alleen het openen van de magnetronmaaltijden voldoende is. Echter ten aanzien van de hulp bij de warme maaltijd vindt geen wijziging in minuten ten opzichte van de vorige indicatie plaats. Verder vermeldt het rapport dat het beleid van de Wmo 2015 is dat er geen wekelijkse schoonmaak meer zal plaatsvinden maar eenmaal per twee weken, maar dat in sommige situaties toch wekelijks iemand moet langskomen. In het rapport is vermeld dat ten aanzien van verzoekster niet één op één wordt gehalveerd, maar dat wel is gebleken dat de hulp tijd overhoudt nu zij ook tijd heeft om de hond uit te laten en de haren twee tot drie maal per week te borstelen. Ter zitting heeft verweerder nog toegelicht dat één van de kamers van de woning van verzoekster niet wordt gebruikt dus dat ze daarom met minder minuten voor zwaar huishoudelijk werk toe kan. Verzoekster heeft dit ter zitting betwist. Over de vermindering van de PAR is in het rapport opgenomen dat verzoekster in staat wordt geacht om een briefje te kunnen schrijven voor de hulp om de gewenste taken aan te kunnen geven. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het “boodschappen opruimen” vervalt omdat dit door de boodschappenservice of door een vrijwilliger kan worden gedaan. Verzoekster heeft beide punten betwist en daarbij gewezen op haar (fysieke) beperkingen in de wijze van communiceren. Verder heeft verweerder ter zitting laten weten dat de vermindering van 5 minuten op de wasverzorging in het besluit op bezwaar of eerder bij een nieuw besluit weer zal worden hersteld.

7. Daargelaten of de Wmo 2007 of de Wmo 2015 van toepassing is of in de te nemen beslissing op bezwaar van toepassing zal zijn, heeft verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter gelet op het voorgaande onvoldoende gemotiveerd dan wel onderbouwd dat verzoekster met de nu toegekende uren nog voldoende wordt ondersteund bij het uitvoeren van de huishoudelijke taken. Het primaire besluit en het onderliggende rapport van 24 oktober 2014 geven er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voorts geen blijk van dat in voldoende mate rekening is gehouden met de fysieke beperkingen van verzoekster en hoe deze zich verhouden tot de door verweerder gestelde mogelijkheid om gebruik te maken van vrijwilligers.

8. Gelet op het voorgaande oordeelt de voorzieningenrechter dat het bezwaar van 4 december 2014 een redelijke kans van slagen niet kan worden ontzegd. De voorzieningenrechter zal daarom het verzoek toewijzen en het primaire besluit schorsen tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist. Dit betekent dat de eerdere indicatie van verzoekster voor 7,5 uur huishoudelijke hulp herleeft. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat verzoekster vanaf 1 januari 2015 tot op heden geen extra kosten heeft gemaakt voor hulp in het huishouden.

9. Verweerder dient aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

  • -

    schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan verzoekster te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Stapels-Wolfrat, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.F.C. Vogel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.