Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:6241

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-09-2015
Datum publicatie
18-09-2015
Zaaknummer
C-16-379732- HA ZA 14-837
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2015-0341
INS-Updates.nl 2015-0264
AR 2015/1717
RO 2015/75
JONDR 2016/29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/379732 / HA ZA 14-837

Vonnis van 2 september 2015

in de zaak van

MR. ROBERTUS LAMBERTUS GERHARDUS KRAAIJVANGER Q.Q.,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ),

wonende te Utrecht,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. M. de Jong te Utrecht,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. F.A. Geevers te Utrecht,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna de curator, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 4 maart 2015, waarbij de rechtbank een comparitie van partijen heeft gelast en heeft beslist dat partijen zich ter gelegenheid van deze comparitie dienen uit te laten over de toepassing van artikel 69 Rv met betrekking tot het reconventionele verzoek ex artikel 186 lid 2 Rv

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 30 juni 2015, ter gelegenheid waarvan beide partijen bij akte producties hebben overgelegd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[bedrijf 1] was een onderneming die zich bezig hield met het geven van beveiligingsopleidingen en -trainingen aan WW-ers van boven de leeftijd van 45 jaar. Zij is opgericht op 31 oktober 2012. [bedrijf 1] was enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ).

2.2.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn bestuurders geweest van [bedrijf 1] .

2.3.

Enig aandeelhouder van [bedrijf 1] was [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ). Deze vennootschap is tevens enig bestuurder en aandeelhouder geweest van [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ). [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn via hun vennootschappen ( [bedrijf 5] en [bedrijf 6] ) bestuurders en (voor respectievelijk 20% en 40%) aandeelhouders van [bedrijf 3] . De overige 40% van de aandelen werd gehouden door [bedrijf 7] , later opgevolgd door [bedrijf 8] (hierna: [bedrijf 8] ).

2.4.

Op 4 maart 2013 hebben [bedrijf 1] en [bedrijf 4] een convenant gesloten met het UWV teneinde WW-ers van boven de leeftijd van 45 jaar op te leiden tot beveiliger. Vervolgens heeft [bedrijf 1] leerovereenkomsten gesloten met ongeveer 150 WW-ers, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“(…)

2.3 (

terug) Betaling van de kosten van de opleiding:

De leerling/cursist is verplicht deze leerovereenkomst te tekenen. De betaling van de opleiding zoals overeengekomen en aangeboden geschiedt:

(…)

• Door [bedrijf 4] 20% boven C.A.O. VPB beloond, echter wordt zolang de studie c.q. opleidingsschuld bestaat deze 20% afgeroomd ter terugbetaling van overeengekomen opleidingskosten.

(…)

3. Ná het behalen van de opleiding Beveiliger Burger Luchtvaart, wordt de medewerker:

• Arbeidscontract voor minimaal 1 jaar aangeboden, met baangarantie bij [bedrijf 4]

(…)”

2.5.

Bij vonnis van deze rechtbank van 5 november 2013 is [bedrijf 1] failliet verklaard en is de curator tot curator benoemd.

2.6.

Op 22 september 2014 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof verleend tot het leggen van beslag ten laste van [gedaagde sub 1] .

2.7.

Bij vonnis van 16 december 2014 is [bedrijf 4] failliet verklaard en is de curator tot curator benoemd.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De curator vordert samengevat - dat de rechtbank:

primair:

- voor recht verklaart dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hun taak als bestuurder van [bedrijf 1] kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement van [bedrijf 1] in zin van artikel 2:248 BW,

- [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan de curator van het gehele boedeltekort, tot de dagvaarding voorlopig begroot op € 450.899,54, alsmede tot vergoeding van schade bestaande uit het overige nog niet bekende tekort, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met dien verstande dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in ieder geval veroordeeld worden tot betaling van een voorschot van € 100.000,00,

subsidiair:

- voor recht verklaart dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hun taak als bestuurder van [bedrijf 1] onbehoorlijk hebben vervuld in de zin van artikel 2:9 BW,

- [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan de curator van een vergoeding voor de schade die [bedrijf 1] zelf dan wel de crediteuren van [bedrijf 1] hebben geleden, begroot op € 450.899,64, vermeerderd met wettelijke rente,

meer subsidiair:

- voor recht verklaart dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onrechtmatig hebben gehandeld jegens [bedrijf 1] dan wel de gezamenlijke crediteuren van [bedrijf 1] ,

- [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan de curator van een vergoeding voor de schade die [bedrijf 1] zelf dan wel haar crediteuren hebben geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

primair, subsidiair meer subsidiair:

- [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van de procedure, waaronder de beslagkosten.

3.2.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde sub 1] vordert in reconventie dat de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor beveelt op de voet van artikel 186 lid 2 Rv.

4 De beoordeling

in conventie

ten aanzien van [gedaagde sub 1]

Kennelijk onbehoorlijk bestuur ex artikel 2:248 BW

4.1.

Aan zijn primaire vorderingen heeft de curator artikel 2:248 BW ten grondslag gelegd. Op grond van deze bepaling is iedere bestuurder van een failliete vennootschap aansprakelijk voor het boedeltekort, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dat een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Voor kennelijk onbehoorlijk bestuur is vereist dat geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus gehandeld zou hebben.

4.2.

Volgens de curator heeft het bestuur van [bedrijf 1] zijn taak kennelijk onbehoorlijk vervuld, aangezien zij [bedrijf 1] is gestart en heeft voortgezet en deze jegens derden verplichtingen heeft laten aangaan, terwijl de daarvoor benodigde financiering in zijn geheel niet was geregeld, zodat het bestuur wist, althans behoorde te weten dat [bedrijf 1] haar verplichtingen jegens haar crediteuren niet zou kunnen nakomen.

4.3.

[gedaagde sub 1] heeft zich hiertegen verweerd met de stelling dat er in de aanloopfase wel voldoende financiering aanwezig was (een door hem geregelde lening van in totaal € 300.000), maar dat dit kapitaal in april 2013 niettemin ontoereikend bleek, aangezien de kosten, waaronder in het bijzonder de personeelskosten, te snel stegen en de inkomsten achterbleven bij de prognoses. Dit zijn omstandigheden die volgens [gedaagde sub 1] aan het handelen van [gedaagde sub 2] geweten moeten worden en waarvoor [gedaagde sub 1] zich kan disculperen, omdat hij niet nalatig is geweest in het nemen van maatregelen om de gevolgen van het betreffende handelen van [gedaagde sub 2] af te wenden.

4.4.

Artikel 2:248 BW gaat uit van een gezamenlijke aansprakelijkheid van alle bestuurders voor de onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur van een vennootschap. De rechtbank zal dan ook als eerste beoordelen of het bestuur heeft gezorgd voor een adequate financiering van [bedrijf 1] , en pas ten tweede of [gedaagde sub 1] zich kan disculperen op grond van

lid 3 van deze bepaling.

4.5.

Als onweersproken staat vast dat er volgens het businessplan van [bedrijf 4] (later gewijzigd in een structuur van een groep van vennootschappen, waaronder zustermaatschappij [bedrijf 1] ) een startkapitaal van € 300.000 nodig zou zijn om de eerste periode van deze vennootschap te overbruggen. Voorts staat vast dat [bedrijf 8] , een door [gedaagde sub 1] gevonden financier, op drie momenten namelijk 17 januari, 18 februari en 19 april 2013 telkens leningen van € 100.000 heeft verstrekt aan aan [bedrijf 1] gelieerde ondernemingen. Uit de door de curator als productie 17 overgelegde bankrekeningafschriften van [bedrijf 1] blijkt dat [bedrijf 3] (die als moedermaatschappij feitelijk het grootste deel van de geleende gelden heeft ontvangen) en [bedrijf 4] (leningnemer) regelmatig grote betalingen (van tussen de € 5.000 en

€ 25.000) aan [bedrijf 1] hebben gedaan met als omschrijving “lening” of “betaling van rekeningen”. Daaruit moet worden afgeleid dat de lening van in totaal € 300.000 bedoeld was voor alle vennootschappen die onderdeel uitmaakten van de groep, en derhalve mede ter beschikking stond van [bedrijf 1] . Gelet hierop kan niet worden geconcludeerd dat [bedrijf 1] reeds bij aanvang ernstig ondergefinancierd was.

4.6.

Tussen partijen staat vast dat in ieder geval sinds april 2013 de financiering van [bedrijf 1] onvoldoende was in het licht van de (te) snel stijgende kosten en tegenvallende inkomsten. Zoals [gedaagde sub 1] ter comparitie heeft verklaard, bleken de middelen uit hoofde van op 17 januari, 18 februari en 19 april 2013 verstrekte leningen ter grootte van in totaal

€ 300.000 in april 2013 op te zijn en moest vanaf dat moment voor alle aanslagen loonheffing en bijdragen voor het bedrijfspensioenfonds betalingsonmacht bij de fiscus gemeld worden. Dit geldt blijkens producties 18 en 51 van de curator zowel voor [bedrijf 1] als voor [bedrijf 4] . Voorts blijkt uit de overgelegde vonnissen van deze rechtbank, waarin werknemers van [bedrijf 1] loonvorderingen hebben ingesteld tegen [bedrijf 1] (producties 8 en 41 van de curator), dat meerdere werknemers van [bedrijf 1] vanaf 22 april 2013 niet meer werden betaald.

4.7.

Als onweersproken staat voorts vast dat [bedrijf 1] , ondanks de betalingsonmacht als hiervoor beschreven, op 10, 14 en 22 april 2013 nog arbeidsovereenkomsten aangaat met nieuwe werknemers (productie 46 van [gedaagde sub 1] ). Voorts breidt zij de oppervlakte van de door haar gehuurde kantoorruimte op 10 april en 15 mei 2013 zodanig uit dat de huursom stijgt van € 2.757,00 per kwartaal naar € 8.389,63 per kwartaal (productie 25 van de curator). Een en ander leidt volgens de eigen berekeningen van [gedaagde sub 1] , die door hem zijn overgelegd als producties 42 en 43, tot een verlies per eind maart 2013 van € 76.403 en eind april 2013 van € 105.480.

4.8.

Naar het oordeel van de rechtbank zou een redelijk handelend bestuurder bij een dergelijk ontbreken van voldoende middelen alleen nieuwe verplichtingen zijn aangegaan namens de vennootschap als hiervoor beschreven, indien er op dat moment voldoende zekerheid bestond dat op korte termijn wel voldoende financiering zou worden verkregen dan wel voldoende inkomsten uit andere bron.

4.9.

[gedaagde sub 1] heeft aangevoerd dat er een reëel uitzicht was op tijdige financiering en voldoende inkomsten uit omzet en heeft in dat kader gewezen op financiering die [gedaagde sub 2] bij een derde zou hebben geregeld en omzet die zou komen uit een grote beveiligingsopdracht op Schiphol.

4.10.

Voor zover hij met voormelde financiering van een derde doelt op de lening van

€ 300.000 die de heer [A] ter beschikking zou stellen uit hoofde van een leningsovereenkomst van 4 december 2012 (productie 25 van [gedaagde sub 1] ), geldt dat die lening blijkens de tekst van die overeenkomst reeds op 6 december 2012 uitbetaald had moeten zijn en naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheden zijn gesteld door [gedaagde sub 1] of anderszins gebleken waaraan [gedaagde sub 1] in april 2013 redelijkerwijs het vertrouwen kon of mocht ontlenen dat die lening in april 2013 alsnog gestand zou worden gedaan.

4.11.

Ten aanzien van de beveiligingsopdracht op Schiphol waarop [gedaagde sub 1] doelt, geldt dat de aanbesteding voor die opdracht in april 2013 nog niet was begonnen, laat staan dat [bedrijf 4] deze al had gewonnen. Voorts moet uit de door de curator als productie 35 overgelegde verslagen van bedrijfsbezoeken van het UWV aan [bedrijf 4] worden afgeleid dat na de aanbesteding hiervan nog maanden zouden verstrijken voordat gediplomeerde kandidaten daadwerkelijk op Schiphol zouden kunnen worden ingezet. Dit betekent dat het bestuur er in april 2013 serieus rekening mee behoorde te houden dat [bedrijf 4] in het gunstigste geval, bij een gewonnen aanbesteding in mei, pas in oktober 2013 inkomsten uit deze opdracht zou verwerven, zodat daarvoor in ieder geval overbruggingsfinanciering vereist was, hetgeen ook wordt bevestigd door de door [gedaagde sub 1] opgemaakte notulen van het bestuur van 18 april 2013 (productie 24 van de curator).

4.12.

Daar komt nog bij dat de opdrachtnemer voor deze opdracht [bedrijf 4] zou zijn, en niet [bedrijf 1] . [bedrijf 1] moest blijkens de onder 2.4 weergegeven leerovereenkomst de opleidingskosten voorfinancieren en deze kosten zouden door de cursist pas vergoed worden na voltooiing van diens opleiding van zeven maanden en indienstneming door [bedrijf 4] . Die opleidingskosten zouden dan door de cursist terugbetaald kunnen worden uit de opslag van 20% bovenop het salaris dat deze van [bedrijf 4] zou ontvangen. Dat betekent echter dat [bedrijf 1] ook na die zeven maanden dus niet de gehele opleidingskosten meteen voldaan zou krijgen, maar in gedeeltes. Dus ook indien er een reëel uitzicht had bestaan op het binnenhalen van de beveiligingsopdracht op Schiphol, zou overbruggingsfinanciering nodig zijn geweest.

4.13.

[gedaagde sub 1] heeft weliswaar gesteld dat [bedrijf 1] tussentijds inkomsten zou verkrijgen tijdens de stageperiode van de cursisten, maar die stelling heeft hij gelet op de betwisting daarvan door de curator onvoldoende onderbouwd. Dat had wel van hem mogen worden verlangd, aangezien uit het door de curator als productie 35 overgelegde verslag van een bedrijfsbezoek van UWV aan [bedrijf 4] blijkt dat er in de periode voorafgaande aan 23 september 2013 al een groep van 36 kandidaten is geweest die daadwerkelijk een stage heeft gevolgd. De leerovereenkomst voorziet bovendien niet in een stagevergoeding en in de brief van de advocaat van [gedaagde sub 2] van 17 januari 2014 (productie 16 van de curator) geeft deze aan dat de vergoeding voor een stage niet meer betreft dan een reiskostenkostenvergoeding en dat die reiskostenvergoeding rechtstreeks aan de cursisten is voldaan.

4.14.

Het voorgaande brengt mee dat, anders dan [gedaagde sub 1] stelt, in april 2013 niet voldoende zekerheid bestond dat op korte termijn wel voldoende financiering zou worden verkregen dan wel voldoende inkomsten uit andere bron waarmee [bedrijf 1] in staat zou zijn haar verplichtingen na te komen. Naar het oordeel van de rechtbank zou geen redelijk handelend bestuurder onder die omstandigheden nieuwe verplichtingen zijn aangegaan als beschreven in rechtsoverweging 4.7 en moet de conclusie zijn dat het bestuur van [bedrijf 1] zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld met ingang van de periode april 2013.

Oorzaak faillissement

4.15.

Ter comparitie heeft [gedaagde sub 1] erkend dat de oorzaak voor het faillissement is gelegen in het feit dat na de start de omzet uitbleef terwijl de kosten bleven stijgen. Gelet op het ontbreken van voldoende financiering en/of voldoende omzet in de periode april 2013 en daarna is ook overigens aannemelijk dat het aangaan van nieuwe verplichtingen door het bestuur namens [bedrijf 1] in die periode een belangrijke oorzaak is van het faillissement.

Disculpatie

4.16.

Volgens [gedaagde sub 1] is de onbehoorlijke taakvervulling niet aan hem te wijten en is hij niet nalatig geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen ervan af te wenden, zodat hij niet aansprakelijk kan worden gehouden voor het boedeltekort. Volgens hem is het uitblijven van financiering, het opdrijven van de kosten, het missen van opdrachten en het voorliegen van personeel en bestuursleden allemaal het werk geweest van [gedaagde sub 2] . Hij is niet nalatig geweest in het nemen van maatregelen om de gevolgen van het handelen van [gedaagde sub 2] af te wenden, aldus [gedaagde sub 1] , nu hij eigenhandig alsnog financiering heeft geregeld die voldoende had kunnen en moeten zijn om de onderneming te redden. Dat dat uiteindelijk niet zo is geweest, is te wijten aan een combinatie van factoren waarbij het handelen van [gedaagde sub 2] de belangrijkste rol speelde.

4.17.

Op grond van lid 3 van artikel 2:248 BW is niet aansprakelijk de bestuurder die bewijst dat onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hem te wijten is en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.

4.18.

De rechtbank constateert dat [gedaagde sub 1] CFO van [bedrijf 1] was en als zodanig primair verantwoordelijk was voor het financieel beleid van [bedrijf 1] . Het was dan ook primair zijn taak om te zorgen dat er voldoende financiering was voor de activiteiten van [bedrijf 1] en dat er geen financiële verplichtingen werden aangegaan die [bedrijf 1] niet kon dragen.

4.19.

Ter comparitie heeft [gedaagde sub 1] gesteld dat [gedaagde sub 2] hem een rad voor ogen heeft gedraaid en dat hij er pas in september 2013 achter kwam dat wat [gedaagde sub 2] hem had verteld over toekomstige inkomsten van [bedrijf 1] niet klopte.

4.20.

Uit de notulen van de bestuursvergaderingen van [bedrijf 1] die voordien hebben plaatsgevonden (productie 24 van de curator) blijkt evenwel dat [gedaagde sub 1] al eerder dan september, namelijk onder meer ten tijde van het MT-overleg van

6 mei 2013 (zie punt 10 van dat verslag), op de hoogte was van het bestaande financiële probleem.

4.21.

[gedaagde sub 1] heeft betoogd dat [gedaagde sub 2] hem telkens gerustgesteld heeft dat de financiering was opgelost, maar naar het oordeel van de rechtbank was er voldoende aanleiding voor hem om daar niet op af te gaan. Immers, [gedaagde sub 2] had ook toegezegd dat [A] in december 2012 de financiering van € 300.000 zou verstrekken, hetgeen ook contractueel was vastgelegd, terwijl het tot die financiering niet is gekomen. Het lag dan ook op de weg van [gedaagde sub 1] als CFO om te waarborgen dat er vanaf april 2013 voldoende financiering zou zijn, door tijdig financiering bij banken aan te vragen dan wel een andere wijze van financiering te regelen. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde sub 1] daartoe actie heeft ondernomen.

4.22.

Voor zover [gedaagde sub 1] zich op het standpunt stelt dat [gedaagde sub 2] de werknemers aannam en geen bemoeienis van hem daarbij wilde, rechtvaardigt dat nog niet de conclusie dat hem ter zake van het toenemen van de personeelskosten geen verwijt kan worden gemaakt. Blijkens zijn ter comparitie afgelegde verklaring wist hij dat er nieuwe werknemers werden aangenomen, zodat hij kon weten dat [bedrijf 1] aanzienlijke financiële verplichtingen aanging. Indien [gedaagde sub 2] hem bij het nemen van dergelijke beslissingen met aanzienlijke financiële consequenties voor [bedrijf 1] bij herhaling niet betrok, had hij net als toenmalig medebestuurder [B] daaruit de ultieme consequentie moeten trekken, en al in april 2013 moeten (dreigen met) opstappen. Door dat niet te doen heeft hij medeverantwoordelijkheid aanvaard voor het toenemen van de kosten en de mogelijkheid dat de daarmee corresponderende verplichtingen niet zouden kunnen worden nagekomen.

4.23.

Overigens blijkt uit productie 25 van de curator dat [gedaagde sub 1] de onderhuurovereenkomsten, waarbij de huursom in april en mei 2013 flink werd verhoogd, zelf heeft getekend, zodat hem terzake van het toenemen van deze kosten ook een verwijt treft.

4.24.

Voor zover het al zo zou zijn dat [bedrijf 1] opdrachten is misgelopen door het handelen van [gedaagde sub 2] , betekent dat niet dat [gedaagde sub 1] geen verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot het gebrek aan financiering met ingang van april 2013. Zoals hiervoor reeds is overwogen zou een opdracht van Schiphol, indien de aanbesteding zou zijn gewonnen, pas na 5 maanden opbrengsten genereren voor [bedrijf 1] .

Hetzelfde geldt voor de potentiële opdracht van iSec die door [gedaagde sub 1] wordt genoemd en wordt toegelicht in de door hem als productie 37 overgelegde verklaring. Daaruit blijkt dat het alleen zou gaan om stage/detachering, zodat zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet valt in te zien hoe dit als een voldoende financiële basis had kunnen fungeren voor de hoge kosten die op dat moment door [bedrijf 1] werden gemaakt. [gedaagde sub 1] had hoe dan ook voor voldoende overbruggingsfinanciering zorg moeten dragen. Nu hij dat niet heeft gedaan, kan hem als CFO een verwijt worden gemaakt voor de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur.

4.25.

De conclusie van het voorgaande is dat de primaire vorderingen jegens [gedaagde sub 1] voor toewijzing vatbaar zijn. Dit geldt ook voor het gevorderde voorschot, nu [gedaagde sub 1] ter comparitie heeft bevestigd dat de schuld van [bedrijf 1] ten tijde van het faillissement ruim

€ 300.000 bedroeg en niet gesteld of gebleken is dat er nog zodanige inkomsten voor de boedel zijn te verwachten dat het boedeltekort onder de € 100.000 zou kunnen uitkomen.

Ten aanzien van [gedaagde sub 2]

4.26.

Het primair gevorderde komt de rechtbank ten aanzien van [gedaagde sub 2] niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze ook ten aanzien van hem zullen worden toegewezen.

Beslagkosten en proceskosten

4.27.

De curator vordert [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv alleen ten aanzien van de beslagene, dus [gedaagde sub 1] , toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 1.623,16 voor verschotten en € 2.580,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 2.580,00).

4.28.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de ten aanzien van hen gemaakte proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op:

- dagvaarding € 77,52

- griffierecht 1.519,00

- salaris advocaat 5.160,00 (2,0 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 6.756,52

Nu de curator de kosten voor de comparitie van partijen alleen ten aanzien van [gedaagde sub 1] heeft gemaakt, zal alleen [gedaagde sub 1] in de kosten daarvan (1 punt salaris advocaat) worden veroordeeld.

in reconventie

4.29.

Ter comparitie heeft [gedaagde sub 1] aangevoerd dat hij zijn reconventionele vordering tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor alleen heeft ingesteld voor het geval de rechtbank overweegt om (in conventie) aan hem een bewijsopdracht te geven. De vordering moet derhalve als voorwaardelijk worden aangemerkt. Uit de beslissing in conventie vloeit voort dat de gestelde voorwaarde niet is vervuld, zodat op de vordering in reconventie geen beslissing hoeft te worden gegeven. Nu ten aanzien van deze vordering door de curator nog geen kosten zijn gemaakt, ziet de rechtbank geen aanleiding tot het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hun taak als bestuurder van [bedrijf 1] kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement van [bedrijf 1] in de zin van artikel 2:248 BW,

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de een betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de curator van het gehele tekort in het faillissement van [bedrijf 1] , voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kan worden voldaan, tot de dag van dagvaarding begroot op € 450.899,54,

5.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de een betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de curator van een voorschot op het onder 5.2 bedoelde bedrag van € 100.000,

5.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 4.203,16,

5.5.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de een betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de ten aanzien van hen beiden gemaakte proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 4.176,52,

5.6.

veroordeelt [gedaagde sub 1] in de overige proceskosten, aan de zijde van de curator begroot op € 2.580,--,

5.7.

verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad, behoudens het onder 5.1 bepaalde,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.9.

verstaat dat de vordering geen behandeling behoeft.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Gaertman, mr. L.M.G. de Weerd, rechters, en mr. M.C.J. Lommen, rechter-plaatsvervanger, bijgestaan door mr. W.A. Visser als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2015.1

1 type: WV/4208 coll: