Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:6217

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-06-2015
Datum publicatie
21-08-2015
Zaaknummer
UTR 14-3614
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AOW; geen bijzonder geval op grond waarvan het AOW-pensioen met verdere terugwerkende kracht dan één jaar voor de aanvraagdatum zou kunnen worden toegekend; geen aanspraak op vakantie-uitkering in de periode voorafgaand aan het moment met ingang waarvan AOW-pensioen is toegekend; art. 28 AOW.

Voor zover eiser bedoelt te betogen dat het recht op vakantie-uitkering blijkens artikel 28 van de AOW is gekoppeld aan het recht op AOW en niet aan de aanspraak op feitelijke uitbetaling daarvan zoals geregeld in artikel 16 AOW, slaagt dat betoog niet. Uit artikel 7, eerste lid, van de AOW, artikel 14, eerste lid, van de AOW en artikel 16 van de AOW blijkt dat degene die aan de voorwaarden daarvoor voldoet, recht heeft op ouderdomspensioen, maar dat de aanspraak op feitelijke uitbetaling pas ontstaat vanaf het moment met ingang waarvan het ouderdomspensioen op aanvraag is toegekend. De wetgever heeft met artikel 28 van de AOW niet beoogd een uitzondering te maken op dit systeem voor het recht op vakantie-uitkering. Weliswaar is in artikel 28 van de AOW het recht op vakantie-uitkering gekoppeld aan het recht op ouderdomspensioen, en niet aan de aanspraak op feitelijke uitbetaling daarvan, maar dat heeft blijkens de parlementaire geschiedenis een specifieke praktische reden, namelijk in verband met de moeilijkheden die ontstaan als gevolg van de correcties op betalingen die leiden tot het pensioenbedrag, waarover de vakantie-uitkering als regel in feite dient te worden berekend. De wetgever heeft hiermee niet de bedoeling gehad om het recht op vakantie-uitkering te laten bestaan onafhankelijk van de aanspraak op feitelijke uitbetaling van het ouderdomspensioen. Hieruit volgt dat eiser geen aanspraak kan maken op vakantie-uitkering in de periode voorafgaand aan het moment met ingang waarvan hem een AOW-pensioen is toegekend, te weten november 2012.

Voor zover eiser heeft willen betogen dat de omstandigheid dat de aanspraak op vakantiegeld is ontstaan nadat hij zijn aanvraag tot toekenning van AOW-pensioen had ingediend tot gevolg moet hebben dat dit vakantiegeld moet worden uitgekeerd als ware er in de voorgaande 12 maanden AOW uitgekeerd, berust deze grond niet op de wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 14/3614

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser (met terugwerkende kracht van één jaar) per november 2012 in aanmerking gebracht voor een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).

Bij besluit van 7 mei 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 april 2015. Eiser is verschenen. Verweerder is niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser, geboren op [1946] , is op 10 juni 2011 65 jaar geworden. Op

17 december 2013 heeft eiser een ouderdomspensioen aangevraagd.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat er geen sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan het ouderdomspensioen met verdere terugwerkende kracht dan één jaar voor de aanvraagdatum zou kunnen worden toegekend.

3. Eiser heeft aangevoerd dat het recht op AOW-uitkering ten onrechte is beperkt tot de duur van het jaar voorafgaand aan de aanvraag, omdat verweerder heeft nagelaten hem te informeren dat er een maximale nabetalingstermijn geldt van één jaar. Eiser maakt aanspraak op AOW-uitkering vanaf 1 juni 2011.

4. Artikel 16 van de AOW luidt als volgt:

1. Het ouderdomspensioen gaat in op de dag waarop de belanghebbende aan de voorwaarden voor het recht op ouderdomspensioen voldoet.

2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan een ouderdomspensioen niet vroeger ingaan dan een jaar vóór de dag waarop de aanvraag werd ingediend of vóór de dag waarop ambtshalve toekenning plaatsvond. De Sociale verzekeringsbank kan voor bijzondere gevallen van het bepaalde in de vorige volzin afwijken.

5. Verweerder is, gelet op dit artikel, in bijzondere gevallen waarin de AOW-aanvraag meer dan één jaar te laat is ingediend, bevoegd het ouderdomspensioen met een terugwerkende kracht van meer dan één jaar toe te kennen. Daartoe dient verweerder eerst te toetsen of er sprake is van een bijzonder geval.

6. Volgens het beleid van verweerder (SB1071) is sprake van een bijzonder geval:

- indien de belanghebbende door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen;

- indien de belanghebbende onbekend was met zijn mogelijke recht op pensioen én deze onbekendheid verschoonbaar was.

7. Naar het oordeel van de rechtbank is van een bijzonder geval geen sprake. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) – bijvoorbeeld de uitspraak van

8 mei 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9839) – levert onbekendheid met wettelijke regelingen, verdragsbepalingen of rechtspraak in de regel geen bijzonder geval op. Op deze regel wordt een uitzondering gemaakt indien de onbekendheid van de belanghebbende met zijn mogelijke recht op pensioen verschoonbaar is, maar daarvan is in het onderhavige geval niet gebleken. De stelling van eiser dat verweerder hem had moeten informeren dat er een maximale nabetalingstermijn geldt van één jaar, volgt de rechtbank niet. Daarbij betrekt de rechtbank dat verweerder eiser reeds op 17 mei 2011, 2 september 2011 en 19 september 2011, een aanvraagformulier heeft toegezonden, met het verzoek deze ingevuld terug te sturen. Dit wordt door eiser niet weersproken. Het had op de weg van eiser gelegen om navraag te doen bij verweerder. Eiser heeft een risico genomen door niet al in 2011 actie te ondernemen. Dat risico dient voor zijn rekening te komen.

8. Vervolgens heeft eiser aangevoerd dat verweerder hem ten onrechte geen vakantie-uitkering heeft uitgekeerd over de periode van mei 2012 tot en met oktober 2012. Voor zover eiser hiermee bedoelt te betogen dat het recht op vakantie-uitkering blijkens artikel 28 van de AOW is gekoppeld aan het recht op AOW en niet aan de aanspraak op feitelijke uitbetaling daarvan zoals geregeld in artikel 16 AOW, slaagt dat betoog niet. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit artikel 7, eerste lid, van de AOW, artikel 14, eerste lid, van de AOW en artikel 16 van de AOW blijkt dat degene die aan de voorwaarden daarvoor voldoet, recht heeft op ouderdomspensioen, maar dat de aanspraak op feitelijke uitbetaling pas ontstaat vanaf het moment met ingang waarvan het ouderdomspensioen op aanvraag is toegekend. De wetgever heeft met artikel 28 van de AOW niet beoogd een uitzondering te maken op dit systeem voor het recht op vakantie-uitkering. Weliswaar is in artikel 28 van de AOW het recht op vakantie-uitkering gekoppeld aan het recht op ouderdomspensioen, en niet aan de aanspraak op feitelijke uitbetaling daarvan, maar dat heeft blijkens de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 1969/70, 10 584, nr. 3, pagina 9-10) een specifieke praktische reden, namelijk in verband met de moeilijkheden die ontstaan als gevolg van de correcties op betalingen die leiden tot het pensioenbedrag, waarover de vakantie-uitkering als regel in feite dient te worden berekend. De wetgever heeft hiermee niet de bedoeling gehad om het recht op vakantie-uitkering te laten bestaan onafhankelijk van de aanspraak op feitelijke uitbetaling van het ouderdomspensioen. Hieruit volgt dat eiser geen aanspraak kan maken op vakantie-uitkering in de periode voorafgaand aan het moment met ingang waarvan hem een AOW-pensioen is toegekend, te weten november 2012. Gelet hierop treft eisers stelling dat aan hem ten onrechte geen vakantie-uitkering is uitgekeerd over de periode van mei 2012 tot en met oktober 2012 dan ook geen doel, nu die periode is gelegen vóór november 2012. De beroepsgrond slaagt niet.

8. Voor zover eiser met deze beroepsgrond heeft willen betogen dat de omstandigheid dat de aanspraak op vakantiegeld is ontstaan nadat hij zijn aanvraag tot toekenning van AOW-pensioen had ingediend tot gevolg moet hebben dat dit vakantiegeld moet worden uitgekeerd als ware er in de voorgaande 12 maanden AOW uitgekeerd, berust deze grond niet op de wet.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Slootweg, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Jak, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.