Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:6178

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-08-2015
Datum publicatie
20-08-2015
Zaaknummer
16/284077-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een verkeersongeval waarbij zijn vrouw, als medepassagier van de auto, lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/284077-14 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 20 augustus 2015.

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1973] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. F.B. van Schendel, advocaat te IJsselstein.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

primair: op 14 december 2014 als bestuurder van een personenauto zich zo roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen, dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht;

subsidiair: op 14 december 2014 als bestuurder van een personenauto gevaar op de weg heeft veroorzaakt en/of het verkeer op die weg heeft gehinderd door onder invloed van alcoholhoudende drank in een bocht met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord heeft gereden, met dat motorrijtuig tegen de naast de rijbaan gelegen trottoirband is gebotst, de controle over dat motorrijtuig is verloren en met dat motorrijtuig tegen een boom is gebotst;

Feit 2:

op 14 december 2014 als bestuurder van een personenauto dit voertuig heeft bestuurd onder invloed van alcohol, te weten 590 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 primair en onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Bij feit 1 primair kan volgens de officier van justitie schuld in de zin van aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag bewezen worden verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat niet met zekerheid valt vast te stellen dat verdachte harder heeft gereden dan de ter plaatse toegestane 50 km/u en de auto van verdachte is gaan glijden als gevolg van een glad wegdek. Daarnaast is niet bewezen dat er een causaal verband is tussen het ongeluk en het alcoholgebruik van verdachte. Zelfs al zou vast komen te staan dat verdachte voor de situatie ter plaatse met een onverantwoorde snelheid heeft gereden, dan komt daarbij nog niet vast te staan dat daardoor het ongeluk is veroorzaakt.

Over het onder feit 2 ten laste gelegde heeft de verdediging geen opmerkingen gemaakt.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Verbalisanten [A] , [B] , [C] en [D] hebben – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Op 14 december 2014 kregen wij kennis van een verkeersongeval op de Batauweg te Nieuwegein. De personenauto Mercedes-Benz met kenteken [kenteken] was bij dit ongeval betrokken. Ik heb de bestuurder gevorderd om mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht. Als resultaat zag ik dat het ademtestapparaat een alcoholindicatie aangaf van A.2

De verdachte gaf op te zijn genaamd [verdachte] . Op 14 december 2014 heb ik de verdachte bevolen medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 WVW.3 Dit heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek.4

Uit het formulier ademanalyse blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende:

Startdatum: 14-12-2014

Achternaam verdachte: [verdachte]

Voornaam verdachte: [verdachte]

Geboortedatum verdachte: [1973]

Ademonderzoek-resultaat: 590 ug/l.5

Verbalisant [A] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Op 14 december 2014 kwamen wij ter plaatse op de Batauweg te Nieuwegein. Ik zag een Mercedes op de weg staan. Ik zag dat de rechtervoorzijde van de auto helemaal weg was. Ik zag dat op de bijrijdersstoel een vrouw zat. Ik hoorde haar schreeuwen van de pijn. [verdachte] gaf aan dat zijn vrouw in de auto zat en dat hij de bestuurder was. Ik hoorde hem het volgende verklaren:

- Dat hij met zijn vrouw naar een feest was geweest.

- Dat hij ongeveer 2 a 3 biertjes had gedronken.

- Dat hij ongeveer 60 km/u had gereden.

- Dat hij vanaf de rotonde kwam.

- Dat hij ineens voelde dat de achterzijde van zijn auto begon te glijden.

- Dat hij zijn auto niet meer kon houden en hierop uit de bocht vloog.6

Verbalisanten [E] en [F] van de verkeersongevallendienst hebben – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

De bestuurder van de Mercedes-Benz reed over de Batauweg te Nieuwegein, komende uit de richting van de Noordstedeweg en gaande in de richting van de Wijkerslootweg. In de rijrichting van de Mercedes gezien maakte de Batauweg ter hoogte van de Donkeregaard een bocht naar links. In deze bocht raakte de bestuurder van de Mercedes kennelijk de macht over het stuur kwijt en botste met de rechter voorzijde tegen een in de rechterberm staande boom. Het voertuig kwam nagenoeg dwars op de rijbaan tot stilstand.7

Verbalisant [B] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Bij het ongeval heeft [slachtoffer] letsel opgelopen8: een breuk in het rechter bovenbeen. Op 17 december 2014 is er contact geweest met [slachtoffer] . Betrokkene is thuis, heeft een gebroken rechter bovenbeen, hier zit een stalen pin in. Betrokkene loopt op krukken en moet 12 weken rustig aan doen.9

Verdachte heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Ik voelde de achterkant van de auto uitbreken. Ik probeerde nog te corrigeren, maar ik raakte de stoeprand met de achterwielen van de auto. Vanaf dat moment ging ik over het talud en raakte de auto een boom. We kwamen in het midden van de weg tot stilstand. Ik was onder invloed van alcohol.

Mijn vrouw loopt nu nog steeds bij de fysiotherapeut.10

4.3.2

Bewijsoverweging

Vastgesteld kan worden dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden waarbij [slachtoffer] een gebroken bovenbeen heeft opgelopen. In haar been is een stalen pin geplaatst en op 6 augustus 2015, meer dan zeven maanden na het ongeluk, was zij nog altijd niet volledig hersteld. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [slachtoffer] nog steeds fysiotherapie ondergaat. Dit letsel is te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel.

Voor de beantwoording van de vraag of verdachte schuld heeft gehad aan dit verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, zijn de navolgende omstandigheden, zoals die naar voren zijn gekomen uit voornoemde bewijsmiddelen, van belang.

De verdachte was ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol en wel in die mate dat het alcoholgehalte bij een ademanalyse 590 microgram per liter uitgeademde lucht bleek te zijn. Dit is ruim twee keer de wettelijk toegestane hoeveelheid alcohol voor een ervaren bestuurder. Het is een feit van algemene bekendheid dat door het gebruik van alcoholhoudende drank het reactievermogen alsmede het waarnemingsvermogen afneemt. Aangenomen mag worden dat dit zeker het geval is geweest bij een ademalcoholgehalte als het onderhavige.

Niet kan worden vastgesteld met welke snelheid verdachte exact heeft gereden. De rechtbank is echter van oordeel dat verdachte met een voor de situatie ter plaatse onverantwoord (hoge) snelheid heeft gereden. Verdachte reed ’s nachts met zijn personenauto op een weg in een bocht naar links. Verdachte heeft verklaard dat hij voelde dat zijn auto in de bocht uitbrak. Verdachte is met zijn auto tegen de naastgelegen trottoirband gereden, de controle over zijn auto verloren en vervolgens tegen een boom in de berm gebotst. Juist in deze situatie, te weten ’s nachts en dus in het donker en in een bocht, had verdachte zijn snelheid moeten aanpassen. Niet is gebleken dat het wegdek glad was maar ook al zou dit zo zijn geweest, dan had ook dit voor verdachte aanleiding moeten zijn zijn rijgedrag hierop aan te passen. Dit heeft hij kennelijk onvoldoende gedaan, gelet op het feit dat zijn auto aan de achterkant is uitgebroken, tegen de trottoirband is gereden en vervolgens tegen een boom is gebotst. Het alcoholgebruik van verdachte heeft aan zijn oplettendheid in de weg gestaan en ertoe geleid dat hij onvoldoende voorzichtigheid in acht heeft genomen.

Op grond hiervan heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat de verdachte als gevolg van de door hem ingenomen alcoholhoudende drank en het feit dat hij met een voor de situatie ter plaatse onverantwoord (hoge) snelheid vervolgens de controle over zijn voertuig is verloren, hij meer dan een enkel moment onvoorzichtig is geweest. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van rijgedrag dat niet voldoet aan datgene wat gemiddeld genomen van een bestuurder zoals de verdachte mag worden verwacht. Het gedrag kan worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag dat verwijtbaar is. Daarmee is sprake van schuld aan het ongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994, zoals ten laste is gelegd onder feit 1 primair.

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

Primair

op 14 december 2014 te Nieuwegein, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, daarmede rijdende over de weg, de Batauweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door

aanmerkelijk, onvoorzichtig, terwijl verdachte onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank,

een in genoemde weg gelegen bocht naar links in te rijden

-met een voor de situatie ter plaatse onverantwoord (hoge) snelheid en vervolgens

-met dat motorrijtuig is gaan botsen tegen een naast de rijbaan gelegen trottoirband en vervolgens

-de controle over dat motorrijtuig te verliezen en vervolgens

-met dat motorrijtuig te botsen tegen een boom die zich naast de rijweg in de rechter berm bevond,

waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken rechterbovenbeen, werd toegebracht, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

op 14 december 2014 te Nieuwegein, als bestuurder van een voertuig, personenauto,

dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 590 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Ten aanzien van feit 1 primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Ten aanzien van feit 2: overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder feit 1 primair en feit 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 150 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht zoveel mogelijk een voorwaardelijke straf op te leggen en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het ongeluk heeft een grote impact op verdachte gehad. Niet alleen is zijn vrouw gewond geraakt terwijl hij achter het stuur zat, maar ook is hij gelijk als verdachte aangehouden, waardoor hij niet met zijn vrouw mee kon naar het ziekenhuis. Het ongeluk heeft ook invloed gehad op het functioneren van verdachte op zijn werk. Een rijontzegging zou grote gevolgen hebben, omdat verdachte dan mogelijk zijn baan zal verliezen. Daarnaast heeft het ongeluk grote financiële gevolgen voor verdachte gehad, door de schade aan zijn auto, deze procedure en de educatieve maatregel van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR).

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een straf en/of maatregel en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een verkeersongeval waarbij zijn vrouw, het slachtoffer [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Verdachte was samen met zijn vrouw naar een feest geweest. Zij hadden daar allebei teveel gedronken, maar wilden niet op de taxi wachten die al gebeld was. Verdachte is toen, ondanks het feit dat hij teveel alcohol had genuttigd, toch gaan rijden. Hij is vervolgens met een voor de situatie ter plaatse te hoge snelheid een bocht ingereden, is de controle over zijn voertuig kwijtgeraakt en tegen een boom in de berm gebotst. De schade aan de auto was enorm en zijn vrouw moest uit de auto geknipt worden.

Verdachte heeft bij het besturen van zijn voertuig niet de voorzichtigheid en oplettendheid betracht die van een verkeersdeelnemer mag worden verwacht. Hij verkeerde ten tijde van het veroorzaken van het verkeersongeval onder invloed van alcohol. Onder invloed van alcohol heeft de verdachte de beslissing genomen om toch te gaan rijden met alle gevolgen van dien.

De rechtbank verwijt de verdachte dat hij op deze wijze de veiligheid op de weg en van zijn vrouw ernstig in gevaar heeft gebracht en daarbij daadwerkelijk een verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij zwaar lichamelijk letsel is ontstaan.

Het ongeluk en de nasleep daarvan heeft ook grote impact gehad op verdachte. Verdachte wordt iedere dag geconfronteerd met de gevolgen van zijn fout, doordat hij ziet dat zijn partner nog steeds moet revalideren. Hij heeft aangegeven spijt te hebben van het leed dat hij zijn familie hiermee heeft aangedaan.

Om te bevorderen dat landelijk voor dezelfde feiten door rechtbanken ongeveer dezelfde straf wordt opgelegd, zijn landelijke oriëntatiepunten voor strafoplegging ontwikkeld. Deze oriëntatiepunten van het LOVS11 adviseren in geval van het veroorzaken van een verkeersongeval met als gevolg zwaar lichamelijk letsel door een aanmerkelijke verkeersfout, waarbij sprake is van een ademalcoholgehalte van meer dan 570 milliliter alcohol per liter uitgeademde lucht, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van drie maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van twee jaren. Deze oriëntatiepunten gaan uit van een blanco strafblad, waarvan in het geval van de verdachte ook sprake is.

Verdachte heeft aangegeven dat hij voor het uitoefenen van zijn werkzaamheden als machine operator zijn rijbewijs nodig heeft. Dit blijkt ook uit een brief van de werkgever van verdachte van 27 juli 2015. Daarin wordt aangegeven dat de werkgever bij een langere rijontzegging genoodzaakt zal zijn de arbeidsovereenkomst te ontbinden. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het belang van het behouden van zijn baan, een langere onvoorwaardelijke rijontzegging dan de duur dat het rijbewijs al is ingehouden geweest, op dit moment niet passend is.

Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden bestaat er aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank acht een werkstraf voor de duur van 150 uren en ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Ten aanzien van feit 2: overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

- Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 150 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen.

- Ontzegt verdachte ter zake van het onder feit 1 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden

Bepaalt dat de duur van deze ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest.

Bepaalt dat een gedeelte, te weten 10 maanden, van deze ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G. Perrick, voorzitter,

mrs. A.J.P. Schotman en R.L.M. van Opstal, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Elk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 augustus 2015.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

Primair

hij op of omstreeks 14 december 2014 te Nieuwgein, althans in het

arrondissement Midden-Nederland,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Batauweg,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer,

althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

(terwijl verdachte onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank)

een in genoemde weg gelegen bocht (naar links) in te rijden

-met een voor de situatie ter plaatse te hoge, in elk geval een voor de situatie ter plaatse onverantwoord(e) (hoge) snelheid en/of (vervolgens)

-met dat motorrijtuig is gaan rijden/glijden/botsen tegen de/een naast de

rijbaan gelegen trottoirband en/of (vervolgens)

-de controle over dat motorrijtuig te verliezen en/of (vervolgens)

-met dat motorrijtuig te rijden/glijden/botsen tegen een boom die zich naast

de rijweg (in de rechter berm) bevond,

waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken

(rechter) bovenbeen of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat

daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale

bezigheden is ontstaan,

terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of

tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan

aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende

lid van genoemde wet;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden,

voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht

in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 2 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994

art 163 lid 2 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair

hij op of omstreeks 14 december te Nieuwegein, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft

bestuurd (terwijl verdachte onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank)

over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Batauweg,

en/of (vervolgens)

-in een bocht naar links in genoemde weg, met het door hem bestuurde

motorrijtuig te rijden met een hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was

en/of (vervolgens)

-met dat motorrijtuig is gaan rijden/glijden/botsen tegen de/een naast de

rijbaan gelegen trottoirband en/of (vervolgens)

-de controle over dat motorrijtuig te verliezen en/of (vervolgens)

-met dat motorrijtuig te rijden/glijden/botsen tegen een boom die zich naast de

rijweg (in de rechter berm) bevond,

door welke gedraging(en) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon

worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon

worden gehinderd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

2.

hij op of omstreeks 14 december 2014 te Nieuwegein,althans in het

arrondissement Midden-Nederland,

als bestuurder van een voertuig, (personenauto),

dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank,

dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel

8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 590 microgram,

in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht

bleek te zijn;

art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nummer PL0900-2014359069 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Het proces-verbaal van rijden onder invloed, d.d. 17 december 2014, p. 4

3 Het proces-verbaal van rijden onder invloed, d.d. 14 december 2014, p. 5.

4 Het proces-verbaal van rijden onder invloed, d.d. 14 december 2014, p. 6.

5 Het ademanalyseformulier, d.d. 14 december 2014, p. 8.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 17 december 2014, p. 9.

7 Het proces-verbaal van fotoreportage van de VOA, d.d. 15 december 2014, niet doorgenummerd.

8 Het proces-verbaal van aanrijding overtreding, d.d. 17 december 2014, p. 20.

9 Het proces-verbaal van aanrijding overtreding, d.d. 17 december 2014, p. 21.

10 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 6 augustus 2015.

11 Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren van de gerechtshoven en rechtbanken, laatstelijk bijgewerkt in april 2015.