Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:6090

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
C/16/397409 / HA RK 15-185
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

wrakingskamer

Locatie: Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/397409 / HA RK 15-185

beslissing van 18 augustus 2015 van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken

op het verzoek in de zin van artikel 512 Wetboek van Strafvordering van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

verschenen in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de meervoudige strafkamer op 28 juli 2015 naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie d.d. 16 april 2015 strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling van verzoeker met één jaar (Parketnummer: 16/0500309-06 (TBS));

  • -

    het verzoekschrift ontvangen op 28 juli 2015;

  • -

    de op 29 juli 2015 ontvangen schriftelijke reactie van mr. O.P. van Tricht, mede namens mrs. A.J.P. Schotman en G. Perrick;

  • -

    de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 4 augustus 2015;

  • -

    de tijdens de mondelinge behandeling door verzoeker overgelegde pleitnota.

1.2.

De rechters zijn met bericht van verhindering niet verschenen.

1.3.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het wrakingsverzoek en het verweer

2.1.

Verzoeker legt aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag dat de rechtbank in strijd heeft gehandeld met de artikelen 1 en 6 van de Grondwet en de artikelen 9 en 17 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna te noemen: EVRM). Verzoeker stelt daartoe dat hij in het kader van de procedure tot verlenging van de terbeschikkingstelling wordt gedwongen mee te werken aan de psychiatrie hetgeen in strijd is met zijn geloof. Een moslim heeft, volgens verzoeker, andere (dan de in de psychiatrie gehanteerde) waarden en normen en handelt vanuit de islamitische methodiek. In de Koran staat - onder meer - dat de thaghoet vermeden moet worden en de psychiatrie valt daaronder. Nu verzoeker wordt gedwongen mee te werken aan de onderliggende procedure, is de terechtzitting volgens verzoeker onrechtmatig. De rechtbank heeft het recht misbruikt door de Grondwet te vervangen door de TBS-regels. Verzoeker eist in het verlengde van het vorenstaande toegang tot onafhankelijke rechtspraak. Hij wil in dat kader dat een deskundige met een islamitische achtergrond zich kan uitlaten over de door verzoeker aangevoerde argumenten en deze voor hem kan bevestigen. Die mogelijkheid heeft hij, door de beslissing van de rechtbank geen Islamitische deskundige te benoemen, niet gekregen. Volgens verzoeker heeft de rechtbank zijn toevlucht genomen tot list en bedrog en het grondrecht van verzoeker om zijn geloof als moslim te belijden genegeerd. Verzoeker denkt dat er bij de rechtbank sprake is van een belangenverstrengeling en een bevooroordeelde opstelling.

2.2.

Mrs. Van Tricht, Schotman en Perrick hebben niet berust in de wraking. Zij stellen zich op het standpunt dat de door verzoeker aangevoerde gronden feitelijke grondslag missen. Er was geen sprake van een situatie waarbij de rechters (of een van hen) jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren dan wel een objectief gerechtvaardigde vrees bij verzoeker kan bestaan dat sprake is van een dergelijke vooringenomenheid.

3 De beoordeling

3.1.

Voor de beoordeling van dit wrakingsverzoek is de toepasselijke norm gegeven

in artikel 512 Sv. Daarin is bepaald dat op verzoek van de verdachte de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 EVRM, in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens

ontwikkelde criteria. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, afgezien van de persoonlijke

instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien objectief bepaalde feiten of omstandigheden grond vormen te vrezen dat het de rechter in de gegeven omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

3.2.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van rechterlijke onpartijdigheid in de zin van artikel 512 Sv en artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

3.3.

Er zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld dan wel gebleken op grond waarvan geoordeeld dient te worden dat sprake is van persoonlijke vooringenomenheid van de gewraakte rechters jegens verzoeker. De enkele stellingen van verzoeker, onder meer inhoudende dat duidelijk was dat de rechter een motivatie had voor eigen gewin, zijn - zonder nadere onderbouwing - onvoldoende. Te onderzoeken staat

vervolgens of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het

oordeel dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees dat de gewraakte rechters jegens hem een vooringenomenheid koesteren - objectief - gerechtvaardigd is.

3.4.

De wrakingskamer stelt voorop dat een door rechters genomen beslissing in het algemeen geen grond vormt om te veronderstellen dat de betrokken rechters een vooringenomenheid jegens verzoeker koesteren of dat de vrees voor vooringenomenheid

objectief gerechtvaardigd is. Dit is ook het geval wanneer de beslissing in het nadeel van verzoeker is uitgevallen, en zelfs als de beslissing als onjuist zou moeten worden aangemerkt. Een wraking kan niet worden gebruikt als rechtsmiddel tegen onwelgevallige beslissingen. Alleen in de uitzonderlijke situatie wanneer de rechters in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval een beslissing hebben genomen, die zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze beslissing door vooringenomenheid van de rechters is ingegeven, ligt dit anders.

3.5.

Zonder in de vraag te treden of de beslissing van de rechtbank om geen Islamitische deskundige te benoemen een juiste beslissing betreft, is de wrakingskamer van oordeel dat deze beslissing niet zodanig onbegrijpelijk is geweest, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven. Evenmin maakt de beslissing dat bij verzoeker objectief gezien de gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid kan zijn ontstaan. De door verzoeker aangedragen feiten en omstandigheden vormen hiervoor, alhoewel zij voor verzoeker persoonlijk van groot belang kunnen zijn, onvoldoende grond. Met het nemen van de bestreden beslissing heeft de rechtbank geen oordeel uitgesproken met betrekking tot de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling. De rechtbank heeft een zuiver procedurele beslissing genomen die inhoudt dat het ingediende verzoek is afgewezen omdat daarvoor in die procedure geen plaats is.

3.6.

Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de wrakingskamer niet worden geoordeeld dat de gewraakte rechters blijk hebben gegeven van vooringenomenheid jegens verzoeker dan wel dat de vrees daartoe objectief gerechtvaardigd is. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

3.7.

Ter voorkoming van onwenselijke vertraging van de hoofdprocedure waarin onderhavig wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden en eventuele volgende procedures die in het verlengde liggen van dezelfde onderliggende strafzaak, en mede gelet op het feit dat verzoeker al meerdere wrakingsverzoeken heeft ingediend waarop eveneens afwijzend is beslist, zal de wrakingskamer bepalen dat een volgend verzoek tot wraking ingevolge het bepaalde in artikel 513, vierde lid, Sv niet in behandeling genomen zal worden.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst het verzoek tot wraking af,

4.2.

bepaalt dat de (hoofd)zaak dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van schorsing vanwege het wrakingsverzoek,

4.3.

bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen,

4.4.

draagt de griffier op een afschrift van deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de rechters van wie de wraking was verzocht, het openbaar ministerie, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Strafrecht en de president van deze rechtbank.

Deze beslissing is gegeven door mr. drs. R. in ’t Veld, voorzitter, mr. P. Bender en

mr. S.M. van Lieshout, leden van de wrakingskamer, bijgestaan door

mr. I.L. Leijten-Puister, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2015.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.