Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:6089

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
396474 / HA RK 15-174
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/266
NJF 2015/478
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingslocatie Utrecht

Zaaknummer: 396474 / HA RK 15-174

beslissing van 18 augustus 2015 van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken

op het verzoek in de zin van artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van:

[verzoeker] (verder: verzoeker),

wonende te [woonplaats] ,

met als gemachtigde: mr. J.J. Weldam.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie na antwoord van 15 juli 2015;

  • -

    de schriftelijke reactie van mr. J. Sap, zoals opgenomen in de brief van de secretaris van de wrakingskamer van 31 juli 2015;

  • -

    de e-mail van mr. J.J. Weldam van 31 juli 2015;

  • -

    de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 4 augustus 2015.

1.2.

De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek gericht tegen mr. J. Sap heeft op 4 augustus 2015 plaatsgevonden. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn verschenen. Namens de Stichting Mitros zijn verschenen [A] en gemachtigde mr. C. de Graef van Vesting Finance Incasso B.V. De rechter is met bericht van verhindering niet verschenen.

2 Het wrakingsverzoek en het verweer

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. J. Sap, rechter in de afdeling Civiel recht van deze rechtbank. De rechter is belast met de behandeling van de kantonprocedure, geregistreerd onder het zaak nummer 4099090 YC EXPL 15-6415, met de Stichting Mitros als eiseres en verzoeker als gedaagde.

2.2.

Gemachtigde van verzoeker legt aan het wrakingsverzoek ten grondslag dat hij niet in staat is gesteld verzoeker ter zitting bij te staan. Daarmee heeft de rechter zich niet onpartijdig opgesteld in de procedure. Gemachtigde merkt daarbij op dat in het proces-verbaal van de comparitie ten onrechte niet is opgenomen dat verzoeker op de zitting aan de rechter heeft meegedeeld dat hij zijn gemachtigde voor de zitting heeft gesproken en dat deze toegezegd had te komen. Ook ontbreekt de correcte weergave van de tijd van binnenkomst van gemachtigde. Dat was 9.27 uur.

Gemachtigde van verzoeker licht toe dat hij voor 9.20 uur voor de bodebalie op de begane grond stond, aangezien doorgaans daar de zittingen van de kantonrechter worden gehouden. Op dat moment was er geen bode. Om 9.24 uur kwam de bode. Deze bood zijn excuses aan voor de vertraging, deelde mee dat de zitting op de vierde etage plaatsvond en verklaarde zijn collega-bode op de vierde etage te bellen om te laten weten dat gemachtigde van verzoeker er aan kwam. Na afloop van de zitting heeft de bode van de vierde etage aan

mr. Weldam bevestigd dat hij is gebeld door de bode van de begane grond met de mededeling dat gemachtigde er aan zou komen, maar dat hij dit niet heeft doorgegeven aan de rechter.

2.3.

Mr. Sap heeft niet berust in de wraking. In zijn schriftelijke reactie stelt hij zich op het standpunt dat van schending van de rechtelijke onpartijdigheid, of het bestaan van de schijn daarvan, geen sprake is geweest. Mr. Weldam wilde bij binnenkomst de zaak naar zijn hand zetten en van voren af aan beginnen, zonder te begrijpen dat de behandeling al een aanvang had genomen en - gezien de omvang van het geschil - bijna was afgerond. Als mr. Weldam had verzocht om nog aanvullende opmerkingen te kunnen maken, was dat geen probleem geweest, maar mr. Sap heeft geweigerd om de zaak opnieuw te behandelen. Er is hem geen rechtsregel bekend die dat gebiedt.

3 De beoordeling

3.1.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de

rechter in de zin van artikel van artikel 36 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering en

artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de

fundamentele vrijheden (EVRM) dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn

aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke

omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat

een rechter jegens een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die procespartij

bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

3.2.

Er zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld dan wel gebleken op grond waarvan thans geoordeeld dient te worden dat sprake is van persoonlijke vooringenomenheid van de gewraakte rechter jegens verzoeker. Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor

zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het

oordeel dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees dat de gewraakte rechter

jegens hem een vooringenomenheid koestert, objectief gerechtvaardigd is. Daarbij moet

bovendien rekening worden gehouden met de (te vermijden) schijn van partijdigheid.

3.3.

De rechtbank stelt vast dat bij vonnis van 15 juni 2015 partijen bevolen is om te verschijnen op de zitting van 15 juli 2015 te 9.20 uur. Mr. Weldam was kort voor 9.20 uur in de rechtbank aanwezig. Hij was er van uitgegaan dat de comparitie in de voor deze procedures gebruikelijke zalen op de begane grond zou plaatsvinden. Vanwege aanvoer van verzoeker door de politie -verzoeker was rechtens van zijn vrijheid beroofd- kon de zitting echter niet plaatsvinden op de begane grond, maar op de vierde verdieping in een ander gedeelte van het gerechtsgebouw. Mede hierdoor was gemachtigde van verzoeker niet tijdig bij de juiste zittingszaal. De bode van de zaal waar de zitting plaatsvond, is op de hoogte gesteld door zijn collega-bode dat mr. Weldam onderweg was naar de juiste zittingszaal. Deze bode heeft dit bericht echter niet doorgegeven aan mr. Sap, zodat mr. Sap daarmee niet bekend was.

3.4.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de door verzoeker gestelde onjuistheid van het proces-verbaal dat een proces-verbaal niet een volledige letterlijke weergave is van hetgeen ter zitting is besproken. In het proces-verbaal van de comparitie van 15 juli 2015 staat “De kantonrechter constateert dat de raadsman van gedaagde niet aanwezig is en gaat over tot de behandeling van de zaak. Hij deelt mee dat hij aan de bode heeft laten weten dat de raadsman kan binnenkomen indien hij alsnog verschijnt.”

Uit de in het dossier opgenomen zittingsaantekeningen is op te maken dat verzoeker aan

mr. Sap heeft gemeld dat mr. Weldam zou verschijnen. Gezien de formulering in het proces-verbaal en de zittingsaantekeningen gaat de rechtbank er dan ook van uit dat mr. Sap wist dat mr. Weldam voornemens was te verschijnen.

Hoewel verzoeker niet uitdrukkelijk heeft verzocht om te wachten totdat zijn gemachtigde zou zijn verschenen, lag het voor de hand dat verzoeker de komst van zijn gemachtigde wilde afwachten ervan uitgaande dat zijn gemachtigde ieder moment kon verschijnen en zijn zaak ter zitting zou behartigen. Mr. Sap had dit kunnen begrijpen.

3.5.

In dit verband stelt de rechtbank voorop dat het de taak van de rechter is om ter zitting de goede procesorde te bewaken en de regie te voeren. Dit brengt mee dat het belang bij een tijdige aanvang van de zitting en een voortvarend verloop daarvan dient te worden afgewogen tegen het recht op en belang van verzoeker bij bijstand van zijn gemachtigde. Van die afweging is onvoldoende gebleken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de bode het bericht dat mr. Weldam onderweg was naar de vierde etage niet aan mr. Sap heeft doorgegeven. Hierdoor was mr. Sap bij aanvang van de zitting niet op de hoogte van het feit dat mr. Weldam op dat moment al in de rechtbank aanwezig was. Op het moment dat duidelijk werd dat gemachtigde van verzoeker rond 9.20 uur nog niet was verschenen, had het in de rede gelegen om nog enkele minuten te wachten en in die tijd alsnog te informeren bij de bode en te telefoneren naar het kantoor van mr. Weldam. Gesteld noch gebleken is dat de procesorde zich er op dat moment tegen verzette om de komst van

mr. Weldam nog enkele minuten af te wachten. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat voor de behandeling van de zaak op zitting 20 minuten waren uitgetrokken en dat geen sprake was van uitloop en vertraging door voorgaande zaken. Daarentegen heeft mr. Sap besloten om op de gestelde tijd direct een aanvang te maken met de zitting. Rond 9.30 uur is mr. Weldam in de zittingszaal verschenen. Rond dat moment laat mr. Sap partijen weten dat hij over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te kunnen komen. Aangezien er op dat moment nog ongeveer 10 minuten van de geplande behandeltijd resteerden, had het in de rede gelegen om mr. Weldam, na een korte samenvatting van het besprokene, gelegenheid te geven om het standpunt van verzoeker nader toe te lichten. Mr. Sap heeft onvoldoende toegelicht waarom hij dat niet heeft willen doen. Dat de procesorde zich er zou tegen verzetten om in de resterende tien minuten de gemachtigde van verzoeker in de gelegenheid te stellen alsnog zijn cliënt bij te staan, is niet gebleken. Daarmee is overigens niet gezegd dat mr. Weldam ervan uit mocht gaan dat de zitting geheel opnieuw zou worden behandeld.

Bovengenoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien maken de beslissing van mr. Sap om mr. Weldam als gemachtigde van verzoeker niet de gelegenheid te geven om in de resterende tijd nog inhoudelijk in te gaan op de zaak zozeer onbegrijpelijk dat daardoor de objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid bij verzoeker heeft kunnen ontstaan.

3.6.

Het voorgaande betekent dat het wrakingsverzoek zal worden toegewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijst het verzoek tot wraking toe;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, mr. J. Sap en mr. C. de Graef, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Civiel recht en de president van deze rechtbank.

Deze beslissing is gegeven door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, mr. P. Bender en

mr. drs. R. in ’t Veld, leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. M.S.D. de Weerd, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2015.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.