Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:6088

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-08-2015
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
UTR 15/3802
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a en onder 2 van de Wabo in verbinding met artikel 4, onder 11, van bijlage II van het Bor voor het aanleggen en in gebruik hebben van een tijdelijk zanddepot voor een periode van drie jaar. Feitelijk mogelijk en aannemelijk dat het gebruik van de gronden voor een zanddepot zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2015/253 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 15/3802

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 augustus 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] en [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Muiden, verweerder

(gemachtigde: mr. J.C. Binnerts)

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: KNSF Vastgoed II B.V., te Muiden, gemachtigde: mr. E.M. van Bommel.

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan KNSF Vastgoed II B.V. (verder: vergunninghouder) omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen en in gebruik hebben, voor een periode van maximaal drie jaar, van een tijdelijk zanddepot met aan- en afvoerweg op de locatie ‘oostelijk gedeelte van het KNSF-terrein’, kadastraal bekend gemeente MDN01, sectie A, perceelnummers 570, 569, 226, 273, 274, 449, 536, 564 en sectie B, perceelnummers 2236, 2237 en 2238 (verder: het perceel).

Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 7 augustus 2015. Verzoekers zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door
[A] en [B] . Derde-partij is verschenen bij zijn gemachtigde, bijgestaan door [X] , projectmanager bij vergunninghouder.

Overwegingen

1. Vergunninghouder heeft op 4 mei 2015 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het aanleggen en in gebruik hebben van een tijdelijk zanddepot op het perceel. Uit de bij de vergunning behorende ruimtelijke onderbouwing van
15 mei 2015 (ruimtelijke onderbouwing) blijkt onder meer dat in de tweede helft van 2015 vanuit het project SAA (Schiphol-Amsterdam-Almere) een hoeveelheid zand vrijkomt, welk zand vergunninghouder deels wenst op te slaan in een tijdelijk depot op het perceel. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt verder dat de wens om het zand op het perceel op te slaan onder meer is ingegeven omdat in de onmiddellijke omgeving een aantal projecten wordt verwacht waar in de komende drie jaar naar alle waarschijnlijkheid een zandbehoefte ontstaat. Tevens heeft vergunninghouder gewezen op het financiële en economische belang bij de locatie van het depot en op de geringe transportafstand, zijnde de afstand tussen de locatie waar het zand vrijkomt en de locatie waar het depot is voorzien, waardoor de schade aan het milieu en de hinder voor de omgeving zo gering mogelijk is.

Grondslag bestreden besluit

2. Bij besluit van 26 mei 2015 heeft verweerder de gevraagde vergunning verleend.

De vergunning voor het afgraven en ophogen van de grond ten behoeve van het tijdelijke zanddepot (artikel 2.1, eerste lid, onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)) heeft verweerder, voor zover de gronden zijn gelegen binnen het bestemmingsplan “Landelijk gebied 1993”, verleend na toetsing van de aanvraag aan artikel 2.11 van de Wabo. Volgens verweerder worden door de werkzaamheden de landschappelijke waarden van deze gronden als bedoeld in artikel 5, achtste lid, van het bestemmingsplan “Landelijk gebied 1993” niet in onevenredige mate aangetast en worden de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet in onevenredige mate verkleind. Voor zover de gronden zijn gelegen binnen het bestemmingsplan “Noord-West 1984” bevatten de planvoorschriften geen verbod om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning bepaalde werken of werkzaamheden uit te voeren en is er voor de werkzaamheden op dat gedeelte van het perceel dus geen omgevingsvergunning nodig.

3. De omgevingsvergunning voor het gedurende een periode van maximaal 3 jaar in gebruik hebben van een tijdelijk zanddepot op het perceel (artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo) heeft verweerder verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a onder 2° van de Wabo in samenhang met artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).Volgens verweerder is het feitelijk mogelijk en aannemelijk dat de activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd. Het is ook aannemelijk dat het gebruik van de gronden in afwijking van het bestemmingsplan na drie jaar daadwerkelijk zal worden beëindigd. Volgens verweerder is het gebruik van de gronden voor een tijdelijk zanddepot niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en na een afweging van alle betrokken belangen is de vergunning verleend.

Spoedeisend belang en voorlopig karakter

4. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in deze zaak sprake van een spoedeisend belang, gelet op het karakter van de werkzaamheden en de omstandigheid dat vergunninghouder op korte termijn wenst te starten met de beoogde werkzaamheden. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat vergunninghouder ter zitting heeft verklaard dat half augustus 2015 een “go” moet worden gegeven richting de leverancier van het zand en dat daarmee een groot investeringsbelang is gemoeid.

6. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de beroepsprocedure niet. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is in dit stadium (tijdens de bezwaarfase) in beginsel alleen dan aanleiding wanneer het primaire besluit zodanig gebrekkig is dat het in de heroverweging naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand zal kunnen blijven.

7. Door verzoekers zijn diverse gronden aangevoerd die er in hun visie toe moeten leiden dat de aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het aanleggen èn het in gebruik hebben van het tijdelijk zanddepot wordt geschorst. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening aan de hand van de aangevoerde gronden beoordelen. De voorzieningenrechter stelt daarbij vast, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is, dat het inrichten van het tijdelijk zanddepot in strijd is met het bestemmingsplan “Landelijk gebied 1993” en dat het in gebruik hebben van het tijdelijk zanddepot in strijd is met zowel het bestemmingsplan “Landelijk gebied 1993” als het bestemmingsplan “Noord-West 1984”.

Artikel 4, onder 11, van bijlage II van het Bor

8. Verzoekers voeren aan dat de aanleg en de werkzaamheden ten behoeve van het tijdelijk zanddepot onomkeerbare gevolgen zullen hebben vanwege het feit dat het onderliggende veenpakket zal inklinken, watergangen worden gedempt en nieuwe watergangen worden aangelegd. Vanwege de onomkeerbare gevolgen van de werkzaamheden, zijn verzoekers van mening dat verlening van de omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° van de Wabo in verbinding met artikel 4, onder 11, van bijlage II van het Bor, niet aan de orde kan zijn.

9.1

De voorzieningenrechter overweegt dat met ingang van 1 november 2014 een nieuw onderdeel 11 aan artikel 4 van bijlage II van het Bor is toegevoegd, op grond waarvan voor verlening van vergunning in aanmerking komt ander gebruik van gronden dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een periode van ten hoogste 10 jaar. Uit de Nota van Toelichting blijkt dat onderdeel 11 van artikel 4 strekt tot het flexibeler maken van de mogelijkheden voor tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan. Daarbij dient, zo blijkt uit de Nota van Toelichting, bij het verlenen van de vergunning aannemelijk te zijn dat de betreffende activiteit na de in de vergunning gestelde termijn daadwerkelijk kan en zal worden beëindigd. Daarvoor is relevant dat het feitelijk mogelijk is dat de activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd.

9.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het feitelijk mogelijk is dat de betreffende activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd. Verweerder heeft daartoe aangevoerd dat vergunninghouder ervoor zal zorgdragen dat uiterlijk drie jaar na het aanleggen van het zanddepot, de gronden in de oorspronkelijke situatie worden hersteld dan wel in overeenstemming met het dan vigerende juridisch planologisch kader opgeleverd worden.

9.3

De voorzieningenrechter overweegt dat in de ruimtelijke onderbouwing staat vermeld dat, alvorens het zandpakket van circa drie meter hoogte wordt aangebracht, de bovengrond 0,3 meter wordt afgegraven om als afdekgrond voor het depot te gebruiken. Na verwijdering van het zand zal de oorspronkelijke situatie weer worden hersteld door het op oorspronkelijke maaihoogte brengen van de gronden om vervolgens de bovengrond, die als afdeklaag is gebruikt, weer terug te brengen en in te zaaien.

Verder blijkt uit de ruimtelijke onderbouwing dat ook aandacht is besteed aan het herstel van de optimale drooglegging van de percelen, aangezien het oorspronkelijke maaiveldniveau als gevolg van het tijdelijke depot in meer of mindere mate zal zakken.

Door na verwijdering van het depot de oorspronkelijke waterstructuren te herstellen en het compenserende water te dempen, zal het waterpeil door het tijdelijk depot niet wijzigen. Gelet op het voorgaande is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter feitelijk mogelijk en aannemelijk dat de betreffende activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd. Het betoog van verzoekers dat het onderliggende veenpakket door de werkzaamheden zal inklinken, leidt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel.

De voorgenomen werkzaamheden ten aanzien van het zanddepot en de belasting van de gronden hoeven niet aan een terugkeer naar het huidige en volgens het bestemmingsplan toegestane gebruik van de gronden in de weg te staan. Het betoog van verzoekers slaagt dan ook niet.

Détournement de pouvoir

10. Verzoekers voeren verder aan dat het ‘inzetten en besluiten op basis van de procedure ex art. 2.12, lid 1a onder 2° Wabo, juncto art. 4-11 Bor, bijlage II’, feitelijk het omzeilen betreft van een bestaand bestemmingsplan op oneigenlijke gronden, nu in werkelijkheid geen sprake is van een activiteit met een tijdelijk karakter. Het zanddepot is immers bedoeld voor de woningbouw die op het perceel is voorzien. Daarmee heeft verweerder volgens verzoekers gehandeld in strijd met het verbod van détournement de pouvoir. Verzoekers zijn van mening dat de aanvraag voor het aanleggen van een zanddepot pas weer in overweging kan worden genomen, zodra de bestemmingsplanprocedure voor het KNSF-terrein is afgerond.

11. De voorzieningenrechter overweegt naar aanleiding van dit betoog allereerst dat vergunninghouder een aanvraag om omgevingsvergunning heeft ingediend voor de aanleg van een tijdelijk zanddepot voor een periode van maximaal drie jaar. Verweerder diende dan ook op deze aanvraag, zoals die is ingediend, binnen de daarvoor in de wet gestelde termijn te beslissen. Verweerder heeft ook op deze aanvraag beslist en heeft daarbij op grond van de ruimtelijke onderbouwing geoordeeld dat geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening en vervolgens de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor een termijn van drie jaar onder gebruikmaking van zijn in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo en artikel 4, onder 11, van bijlage II van het Bor neergelegde bevoegdheid. De enkele omstandigheid dat het zand in het zanddepot uiteindelijk ook gebruikt zou kunnen worden voor woningbouw op het perceel, maakt gelet op het voorgaande niet dat verweerder zijn bevoegdheid voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. De vergunning is tijdelijk van aard, hetgeen betekent dat na afloop van die termijn verweerder in beginsel handhavend zal dienen op te treden tegen een mogelijke voortzetting van het gebruik van de gronden, voor zover een zodanig gebruik in strijd zal zijn met de toekomstige definitieve bestemming van de gronden. Overigens kan het wachten op afronding van de bestemmingsplanprocedure over het KNSF-terrein, zoals verzoekers kennelijk voorstaan, ook niet als een reële optie worden aangemerkt, gelet op de in de Wabo neergelegde beslistermijnen. Het betoog van verzoekers slaagt dan ook niet.

BLVC-plan

12. Verzoekers voeren aan dat het zogenoemde BLVC-plan niet gereed was op het moment dat de omgevingsvergunning werd verleend. Verzoekers achten dit onbegrijpelijk, nu in dat plan maatregelen moeten worden opgenomen om ongewenste effecten zo veel mogelijk tegen te gaan. Nu het BLVC-plan er niet is, is naar de mening van verzoekers niet voldaan aan de in de vergunning opgenomen voorschriften met betrekking tot dit plan, temeer nu naar de mening van verzoekers inmiddels is gestart met de werkzaamheden.

13.1

In voorschrift 14 van de verleende omgevingsvergunning is bepaald dat de vergunninghouder ter waarborging van de Bereikbaarheid, Leefbaarheid, Veiligheid en een goede Communicatie (BLVC) een zogenoemd BLVC-plan dient te overleggen. Dit plan dient gebaseerd te worden, aldus genoemd voorschrift, op het bij de vergunning gevoegde sjabloon en de voor dit project relevante aspecten te behandelen. Pas na goedkeuring van dit plan door de gemeente mag een aanvang worden gemaakt met de werkzaamheden.

13.2

Er bestaat geen rechtsregel die verweerder verplicht een BLVC-plan te verlangen alvorens over te gaan tot vergunningverlening. Reeds daarom ziet de voorzieningenrechter in hetgeen verzoekers hieromtrent hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Van de zijde van verweerder en vergunninghouder is ten aanzien van het BLVC-plan opgemerkt dat dit is gericht op de uitvoering en om die reden een dynamisch document is dat naar gelang de aard en de voortgang van de werkzaamheden zal worden aangepast zodat het steeds goed aansluit bij de actualiteit. Ter zitting is de voorzieningenrechter gebleken dat er tot op heden nog geen werkzaamheden zijn verricht, die zien op de verleende omgevingsvergunning. Weliswaar zijn er inmiddels wel graaf- en andere voorbereidende werkzaamheden verricht op het gedeelte van het perceel waar tot voor kort Sport Combinatie Muiden gebruik van maakte, maar de verleende omgevingsvergunning voor het afgraven en ophogen van de grond ziet niet op dit gedeelte van het perceel. Deze gronden vallen immers onder het bestemmingsplan “Noord-West 1994”. Op grond van dit bestemmingsplan is het voor dit gedeelte van het perceel niet verboden zonder omgevingsvergunning graafwerkzaamheden te verrichten. Nu de werkzaamheden waarvoor vergunning is verleend nog niet zijn aangevangen, is reeds om die reden geen sprake van handelen in strijd met de vergunningvoorschriften, nog daargelaten dat het handelen door vergunninghouder in strijd met de vergunningvoorschriften niet leidt tot de conclusie dat de omgevingsvergunning onrechtmatig is verleend. Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat het BLVC-plan fase 1 en 2 reeds tot stand zijn gekomen en ziet hij geen aanleiding te twijfelen aan de toelichting van vergunninghouder dat zij tijdig BLVC-plannen zal overleggen alvorens daadwerkelijk met de werkzaamheden aan te vangen.

Verontreiniging

14. Verzoekers voeren voorts aan dat op het perceel sprake is van een verontreinigingssituatie. Door zand te storten op vervuilde, niet gesaneerde grond vrezen verzoekers dat het grondwater verder vervuilt. Om die reden achten verzoekers het onbegrijpelijk dat de omgevingsvergunning is verleend. Verzoekers hebben daarbij nog opgemerkt het opmerkelijk te vinden dat onlangs nog uitgebreid onderzoek is gedaan naar explosieven op het derde voetbalveld.

15. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder onder meer op basis van verkregen resultaten uit verrichte bodemonderzoeken voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem van het perceel geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de verleende omgevingsvergunning. Ter zitting is weliswaar naar voren gekomen dat sprake is van bodemvervuiling ter plaatse van de boerderijlocatie, maar die locatie maakt geen deel uit van het perceel waarvoor thans vergunning is verleend ten behoeve van het zanddepot. Door verzoekers is dit ook niet betwist. Nu bovendien in de omgevingsvergunning als voorschrift is opgenomen dat vergunninghouder bewijs dient over te leggen dat de bodem na de genomen faciliterende maatregelen geschikt is voor het tijdelijke zanddepot, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te concluderen dat de door verzoekers gestelde bodemverontreiniging reden vormt om de verleende omgevingsvergunning te schorsen. De omstandigheid dat onlangs nog onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van explosieven, doet hier niet aan af, nu ter zitting onweersproken is aangevoerd dat dit onderzoek is gedaan vanwege het feit dat in het verleden nog niet het hele gebied daarop was onderzocht. Het betoog van verzoekers slaagt dus niet.

Natuurbeschermingswet en Flora- en Faunawet

16. Verzoekers hebben voorts aangevoerd dat er geen vergunning is aangevraagd in het kader van de Natuurbeschermingswet en er geen ontheffing is verleend op grond van de Flora- en faunawet. Verzoekers achten de omgevingsvergunning om die reden in strijd met genoemde wetten.

17.1

De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande dat bij besluit van 9 april 2014 door de Staatssecretaris van Economische Zaken aan vergunninghouder ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en faunawet. De ontheffing ziet, kort samengevat, op de verbodsbepalingen genoemd in de artikelen 8 en 11 van de Flora- en faunawet en ziet op het gehele KNSF-terrein. De in de aanvraag genoemde werkzaamheden zijn onder andere bodemsanering en grondophoging. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is.

17.2

De voorzieningenrechter is voorts gebleken dat op verzoek van vergunninghouder een zogenoemde Voortoets Zanddepot KNSF-terrein is uitgevoerd door Van der Goes en Groot, ecologisch onderzoeks- en adviesbureau. De bevindingen van deze Voortoets zijn door dit bureau neergelegd in een rapport van 25 april 2015. In dit rapport wordt geconcludeerd dat door het vervroegd uitvoeren van enkele mitigerende en compenserende maatregelen de aanleg van het zanddepot op het KNSF-terrein geen negatieve gevolgen zal hebben voor de populaties van de in het gebied voorkomende zwaar beschermde soorten.

Voorts wordt in het rapport geconcludeerd dat het project geen negatieve gevolgen zal hebben voor de Natura 2000-gebieden Markermeer & IJmeer en Naardermeer. In de memo van Arcadis van 15 april 2015 wordt daarbij specifiek ingegaan op de stikstofdepositie.

17.3

De voorzieningenrechter ziet gelet op het vorenstaande in de enkele niet onderbouwde stelling van verzoekers dan ook geen grond voor het oordeel dat de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet een belemmering vormen voor een rechtsgeldige verlening van de omgevingsvergunning. Het betoog van verzoekers slaagt dus niet.

Brug

18. Verzoekers voeren aan dat de verkeersroute van het te vervoeren zand over een brug zal gaan die met behulp van een tijdelijke vergunning voor een periode van vijf jaar in 2007 is opgericht. Verzoekers hebben daarbij toegelicht dat in 2013 voor deze brug ontheffing is verleend voor het tijdelijk en sporadisch gebruik van de brug ten behoeve van evenementen op het KNSF-terrein. Verzoekers vragen zich af of de bewuste brug wel geschikt is voor gebruik ten behoeve van intensief bouwverkeer.

19.1

De voorzieningenrechter stelt vast dat de door verzoekers bedoelde brug geen deel uitmaakt van de verleende omgevingsvergunning, zodat de door hen aangevoerde grond reeds om die reden niet kan leiden tot schorsing van de verleende omgevingsvergunning.

19.2

De voorzieningenrechter heeft ook overigens geen aanknopingspunten voor het oordeel dat bedoelde brug niet geschikt zou zijn voor het bouwverkeer. In de ruimtelijke onderbouwing staat vermeld dat de constructie van de brug geschikt is voor een enkel voertuig, reden waarom er verkeersbeperkende maatregelen zullen worden genomen om te voorkomen dat twee voertuigen tegelijkertijd van de brug gebruik zullen maken.

Gelet op het vorenstaande slaagt het betoog van verzoekers dan ook niet.

MER-procedure

20. Verzoekers voeren aan dat verweerder de uitkomsten van de Mer-procedure in het kader van de niet afgeronde bestemmingsplanprocedure op voorhand negeert met het verlenen van de thans betwiste omgevingsvergunning.

21. De voorzieningenrechter overweegt dat de door verzoekers bedoelde Mer-procedure betrekking heeft op de gebiedsontwikkeling in het kader van de bestemmingsplanprocedure De Krijgsman. Nu ten behoeve van de inrichting van het tijdelijke zanddepot geen milieueffectrapport hoefde te worden gemaakt, kunnen verzoekers niet worden gevolgd in hun standpunt dat de uitkomsten van de Mer-procedure op voorhand worden genegeerd. Het betoog van verzoekers slaagt dan ook niet.

Waterpeil

22. Verzoekers voeren tevens aan dat zij vrezen dat het waterpeil in hun tuinen door de inrichting van het tijdelijke zanddepot zal stijgen.

23. De voorzieningenrechter stelt vast dat het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht bij besluit van 29 mei 2015 een watervergunning heeft verleend voor het dempen en graven van oppervlaktewater, de tijdelijke aanleg van twee dammen met duiker en de aanleg van een bouwweg. Met deze vergunning wordt beoogd de doelstellingen van het waterbeheer, als bedoeld in artikel 2.1 van de Waterwet, te halen, welke doelstellingen onder meer inhouden het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Met deze vergunning, die is verleend met het oog op de aanleg van het zanddepot en waartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend, wordt naar het oordeel van de voorzieningenrechter de zorg voor de waterhuishouding voldoende gewaarborgd. De door verzoekers geuite vrees met betrekking tot het waterpeil, kan er dan ook niet toe leiden dat de thans voorliggende omgevingsvergunning geen stand kan houden. Het betoog van verzoekers slaagt niet.

Artikel 4:8 Awb

24. Verzoekers voeren aan dat de omgevingsvergunning onzorgvuldig is voorbereid, nu zij voorafgaand aan de vergunningverlening niet zijn gehoord. Verzoekers achten dit in strijd met het bepaalde in artikel 4:8 van de Awb.

25. Artikel 4:8 van de Awb verplicht tot het horen van een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd, maar die naar verwachting bedenkingen tegen deze beschikking zal hebben. Deze hoorplicht geldt alleen als de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen en die niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt. Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van dit artikel beoogt deze bepaling slechts te waarborgen dat een verificatie van gegevens plaatsvindt. De hoorplicht als neergelegd in artikel 4:8 van de Awb heeft geen rechtsbeschermingsfunctie. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er voor verweerder geen verplichting bestond verzoekers voorafgaand aan de vergunningverlening te horen. Niet gebleken is dat verificatie van gegevens over feiten en belangen die verzoekers betreffen nodig was. Dit betoog slaagt niet.

Belangenafweging

26. Verzoekers voeren ten slotte aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met hun belangen. Hun woongenot wordt als gevolg van de te verwachten zandverstuiving onevenredig aangetast en als gevolg van de veranderingen in het waterpeil is er kans op overstroming en funderingsschade.

27. De voorzieningenrechter overweegt dat bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘het uitvoeren van werkzaamheden’ in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan is bepaald geen ruimte is voor een belangenafweging. Het toetsingskader van verweerder beperkt zich, gelet op hetgeen is bepaald in artikel 5, vijfde lid in samenhang met het achtste lid, van het bestemmingsplan “Landelijk Gebied 1993”, immers tot de vraag of de landschappelijke waarden van de gronden niet in onevenredige mate worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet in onevenredige mate worden of kunnen worden verkleind. Voor zover het gaat om de activiteit ‘het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan’ is er op grond van artikel 2.12 van de Wabo wel ruimte voor een belangenafweging. De voorzieningenrechter overweegt dat toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo en artikel 4, onder 11, van bijlage II van het Bor een zogenoemde discretionaire bevoegdheid betreft van verweerder. Het al dan niet gebruiken van deze bevoegdheid wordt door de bestuursrechter terughoudend getoetst. Dat betekent dat de rechter toetst of verweerder, bij afweging van alle betrokken belangen, in dit geval in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

28. De voorzieningenrechter is zich er van bewust dat niet valt uit te sluiten dat de aanleg van het tijdelijk zanddepot gevolgen zal kunnen hebben voor het woon- en leefklimaat van verzoekers. De wens van verzoekers om een zo hoog mogelijk niveau van woongenot te hebben is op zich zelf begrijpelijk. Echter, de voorzieningenrechter is van oordeel dat enige hinder inherent is aan de aanleg van een dergelijk zanddepot in een omgeving waarbij rekening moet worden gehouden met ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op de leefomgeving. Daarbij hoort ook dat het uitzicht vanuit de eigen woning enigszins wijzigt en de woonomgeving intensiever wordt benut. Dat de aanleg van het zanddepot, zoals verzoekers stellen, zal leiden tot onaanvaardbare hinder, onder meer door de door hen gevreesde zandverstuivingen, volgt de voorzieningenrechter niet. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat het zanddepot zal worden afgedekt met de bovengrond van het oorspronkelijke maaiveld en bij het aanleggen zo nodig zal worden natgehouden. Met betrekking tot het waterpeil wijst de voorzieningenrechter op hetgeen onder 23. is overwogen. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de hier bedoelde belangen van verzoekers door het in gebruik hebben van het zanddepot niet onevenredig zullen worden geschaad.

Conclusie

29. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoekers aanvoeren in deze procedure geen grond voor het oordeel dat het primaire besluit zodanig gebrekkig is dat het in de heroverweging niet in stand zal kunnen blijven. De gevraagde voorziening wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. Lanshage, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W.B. Lakeman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
13 augustus 2015.

griffier voorzieningenrechter

(De griffier is niet in de gelegenheid
deze uitspraak mede te ondertekenen.)

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.