Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:6079

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-07-2015
Datum publicatie
27-08-2015
Zaaknummer
C/16/379716 / HA ZA 14-831
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over o.m. uitleg aandeelhoudersovereenkomst. Geen ruime uitleg zoals door eiseres in conventie voorgestaan. Vorderingen over en weer tot betaling en terugbetaling dividend afgewezen. Geen vorderingsrechten tussen de aandeelhouders onderling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1596

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/379716 / HA ZA 14-831

Vonnis van 29 juli 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf van A] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat: mr. M. Hoekstra te Zwolle,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VILLASUD HOLDING B.V.,

gevestigd te Zeist ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat: mr. A. Oosterhuis-Boeve te Ede.

Partijen zullen hierna [bedrijf van A] en VillaSud Holding genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 21 januari 2015;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 16 juni 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen de heer [A] (hierna: [A] ) en mevrouw [B] (hierna: [B] ) bestond een commanditaire vennootschap met de naam VillaSud C.V. (hierna: de cv). [A] was stille vennoot van de cv en had als zodanig recht op een winstaandeel van 15%.

2.2.

De partner van [B] is de heer [C] (hierna: [C] ).

2.3.

[A] is bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf van A] , eiseres.

2.4.

[B] is bestuurder en enig aandeelhouder van VillaSud Holding , gedaagde.

2.5.

[B] is vanwege een burn-out – in ieder geval – in 2009 enige tijd niet in staat geweest werkzaamheden uit te voeren voor de cv. [C] is vanwege de burn-out van [B] vanaf begin 2009 binnen de onderneming van de cv actief geweest en heeft toen een gedeelte van de werkzaamheden van [B] overgenomen.

2.6.

[A] schreef bij e-mailbericht van 7 november 2009 – voor zover van belang – het volgende aan [B] :

“(…)
het was leuk om elkaar weer te spreken. Maar er is toch iets wat ik even kwijt moet. Ik snap en vind het logisch dat [C] ( [C] ; rechtbank) je werk gaat overnemen. En op de eerste plaats vind ik het rot voor jou. En op zich is het formeel juist dat je hem een salaris kan geven maar .... Op die manier wordt de winst natuurlijk wel significant verlaagt (afhankelijk van welk salaris er is vastgesteld) en zou je de winst zelfs geheel kunnen afromen door een hoog salaris vast te stellen. Ik ga er zeker geen toestand van maken maar wil het toch wel even noemen dat het me niet helemaal lekker zit. Nogmaals ik wil geen vervelende discussie hierover en wou er gisteren niet direct op in gaan omdat het de sfeer kan verpesten wat ik zeker niet wil. Maar je kan je vast wel mijn positie indenken.

(…)”

2.7.

Bij e-mailbericht van 12 april 2010 schreef [A] het volgende aan [B] :

“(…) Beste [B] ,

Dank je voor je mail.

Ik wil vasthouden aan het punt tav het cumulatief zijn van de winst. Als alternatief wil ik ook akkoord gaan met het gegeven dat de salarissen aan directie/management buiten de winstbepaling worden gehouden. Dan kunnen het gewone aandelen worden ipv cumulatief preferent.

Verder is het mij onduidelijk wat jouw positie en die van [C] gaat worden, wil jij samen met [C] straks directeur worden? Indien jij ook een salaris gaat krijgen dan dient dat buiten de winstbepaling te worden gehouden.

Hierbij een voorzet van punten die mijns inziens in de statuten moeten worden opgenomen. Voordat de definitieve statuten worden geaccepteerd wil ik toch nog een gesprek met een door ons aan te stellen notaris om te kijken of er wellicht nog extra punten moeten worden opgenomen, cq dat de verwoording anders moet zijn. Laten we nu een goed contract maken om te voorkomen dat we weer in een discussie als deze terecht komen.

(…)”

2.8.

Op 31 mei 2011 is de besloten vennootschap VillaSud B.V. (hierna: VillaSud ) opgericht. Deze vennootschap heeft de activiteiten van de cv voortgezet. [bedrijf van A] houdt 15% van de geplaatste aandelen, VillaSud Holding de overige 85%.

2.9.

[bedrijf van A] en VillaSud Holding hebben op 7 juni 2011 een aandeelhoudersovereenkomst gesloten. De inhoud van deze overeenkomst luidt – voor zover relevant – als volgt:

“(…)

D DIVIDENDPOLITIEK & WINSTBEREKENING

1. Vijftien procent (15%) van het resultaat na belasting van de vennootschap wordt berekend zonder rekening te houden met de goodwillafschrijving (waarbij het vijftien procent (15%) aandeel na belasting gemaximeerd wordt op eenduizend tweehonderd euro (€ 1.200,00) per jaar), met de directiebeloning(en), pensioenrechten en reserveringen ten behoeve van de directie of directeuren, voorzover betrekking hebbende op mevrouw [B] en de heer [C] dan wel hun respectievelijke persoonlijke holdingvennootschap(pen) en komt toe aan [bedrijf van A] B.V. het resterend gedeelte van het resultaat van de vennootschap komt toe aan VilaSud Holding BV ..

(…)”

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[bedrijf van A] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. tussen [bedrijf van A] en VillaSud Holding te verklaren voor recht dat op grond van artikel D lid 1 van de Overeenkomst alle door [B] en [C] , danwel enige door hen beheerste of aan hen gelieerde vennootschap, ten laste van de Onderneming gebrachte kosten/salarissen/vergoedingen als beloning voor hun werkzaamheden/diensten, van welken aard dan ook, ten behoeve van de Onderneming dienen te worden opgeteld bij de winst na belastingen in het kader de bepaling van het winstdeel van [bedrijf van A] ;

II. VillaSud Holding ertoe te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het ten dezen te wijzen vonnis aan [bedrijf van A] te betalen een bedrag van € 4.769,45, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf 14 juli 2014, danwel de datum van dagvaarding, tot aan de datum van algehele voldoening;

III. VillaSud Holding te veroordelen tot betaling aan [bedrijf van A] van een vergoeding terzake door [bedrijf van A] gemaakte buitengerechtelijke incassokosten, door de rechtbank vast te stellen conform de wettelijke staffel buitengerechteljk incassokosten op een bedrag van € 601,95, althans op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen ander bedrag;

IV. VillaSud Holding te veroordelen in de kosten van het geding alsmede in de nakosten ten bedrage van € 131 dan wel, indien betekening van dit vonnis plaatsvindt, ten bedrage van € 199, met bepaling dat indien deze bedragen niet binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis is betaald daarover de wettelijke rente vanaf die datum zal zijn verschuldigd;

V. veroordeling van VillaSud Holding tot betaling van de proceskosten en nakosten, alsmede de wettelijke rente hierover vanaf vijftien dagen na betekening van dit vonnis.

3.2.

VillaSud Holding voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

VillaSud Holding vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [bedrijf van A] tot:

I. betaling van € 6.696,00, althans een zodanig bedrag dat de rechtbank in goede justitie redelijk acht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, 10 oktober 2014, tot aan de dag der algehele voldoening;

II. betaling van € 631,00, althans een zodanig bedrag dat de rechtbank in goede justitie redelijk acht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, 6 augustus 2014, tot aan de dag der algehele voldoening;

III. betaling van de proceskosten.

3.5.

[bedrijf van A] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van VillaSud Holding in haar reconventionele vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van VillaSud Holding in de proceskosten en nakosten vermeerderd met wettelijke rente.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Partijen twisten over de uitleg van artikel D lid 1 van de hiervoor gedeeltelijk geciteerde aandeelhoudersovereenkomst. Deze uitleg is in deze procedure alleen van belang voor het winstaandeel van [bedrijf van A] voor het jaar 2013, dat volgens deze laatste niet juist is, en voor de gevorderde verklaring voor recht.

4.2.

Uit de vordering van [bedrijf van A] onder I maakt de rechtbank op dat [bedrijf van A] zich op het standpunt stelt dat waar de overeenkomst melding maakt van “de directiebeloning(en), pensioenrechten en reserveringen ten behoeve van de directie of directeuren, voor zover betrekking hebbende op mevrouw [B] en de heer [C] dan wel hun respectievelijke persoonlijke holdingvennootschap(pen)” onder directiebeloningen (tevens) dienen te worden begrepen “alle door [B] en [C] , danwel enige door hen beheerste of aan hen gelieerde vennootschap, ten laste van de Onderneming gebrachte kosten/salarissen/vergoedingen als beloning voor hun werkzaamheden/diensten, van welken aard dan ook, ten behoeve van de Onderneming”, waarbij met de Onderneming VillaSud wordt bedoeld. VillaSud Holding bestrijdt dit standpunt en brengt hier tegenin dat de geest van genoemd artikel in de aandeelhoudersovereenkomst is dat [B] [C] niet zou benoemen als bestuurder, hem een beloning zou toekennen als gevolg waarvan de winst van VillaSud – en daarmee het winstaandeel van [bedrijf van A] – lager zou uitvallen. Alleen in het geval sprake is van directiebeloningen dienen deze overeenkomstig de bepaling in mindering te strekken van de winst. Van directievergoedingen aan [C] is alleen in 2011 en januari 2012 sprake geweest, daarna niet meer, aldus VillaSud Holding . De door [C] en aan hem gelieerde vennootschappen in rekening gebrachte kosten voor interim-management, bemiddeling bij het verwerven van te verhuren villa’s, marketingontwikkeling en verkoop, zijn volgens VillaSud Holding niet te beschouwen als directiekosten in de zin van artikel D lid 1 van de aandeelhoudersovereenkomst en behoefden daarom niet te worden betrokken in de berekening van het winstaandeel van [bedrijf van A] over het jaar 2013.

4.3.

Of [B] en [C] het (volgens [bedrijf van A] bestaande doch door VillaSud Holding betwiste) oogmerk hebben dergelijke kosten, vergoedingen en salarissen ten laste van VillaSud te doen komen teneinde de winst van VillaSud en daarmee het winstdeel van [bedrijf van A] te laten dalen, doet niet ter zake omdat bepalend is wat [bedrijf van A] en VillaSud Holding zijn overeengekomen en op welke wijze artikel D lid 1 van de aandeelhoudersovereenkomst op dit punt dient te worden uitgelegd. Door [bedrijf van A] is weliswaar gesteld dat zij zich bewust was van een volgens haar bestaand risico dat [B] en [C] winsten van VillaSud zouden ‘afromen’ door VillaSud te belasten met allerlei kosten, vergoedingen en salarissen die gerelateerd zijn aan werkzaamheden die verricht werden en diensten die geleverd zijn door [B] en [C] en/of aan hen gelieerde vennootschappen, maar zij laat na te stellen dat en waarom genoemde kosten, vergoedingen en salarissen begrepen dienen te worden onder directiebeloningen, zoals genoemd in artikel D lid 1 van de overeenkomst.

4.4.

Uitleg van artikel D lid 1 van de aandeelhoudersovereenkomst dient te geschieden met inachtneming van de zogenoemde Haviltex-maatstaf. Die brengt mee dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht (vgl. Hoge Raad 13 maart 1981, NJ 1981, 635; Haviltex).

4.5.

[bedrijf van A] kan niet worden gevolgd in haar stelling dat artikel D lid 1 van de aandeelhoudersovereenkomst zo (ruim) uitgelegd dient te worden dat kosten, salarissen, vergoedingen die gelden als beloning voor door [B] en [C] verrichte werkzaamheden of verleende diensten, van welken aard dan ook, begrepen dienen te worden onder de in dat artikel genoemde directiebeloning(en). Gesteld noch gebleken is dat partijen ten tijde van het sluiten van de aandeelhoudersovereenkomst hebben gesproken over een dergelijke, door [bedrijf van A] voorgestane, ruime uitleg van het begrip directiebeloningen. Evenmin is gesteld dat [bedrijf van A] aan VillaSud Holding op andere wijze, bijvoorbeeld schriftelijk, kenbaar heeft gemaakt dat zij aan het begrip directiebeloningen een ruimere opvatting toedichtte dan VillaSud Holding doet. Hierbij komt dat [bedrijf van A] geen nadere onderbouwing van haar stellingen heeft gegeven in reactie op het verweer van VillaSud Holding dat de geest van genoemd artikel in de aandeelhoudersovereenkomst is dat [B] [C] niet zou benoemen als bestuurder van VillaSud en hem in dat kader een beloning zou toekennen als gevolg waarvan de winst van VillaSud – en daarmee het winstaandeel van [bedrijf van A] – lager zou uitvallen. Dit brengt mee dat, nu [bedrijf van A] de stellingen van VillaSud Holding op dit punt niet weerspreekt, ervan uit moet worden gegaan dat artikel D lid 1 van de aandeelhoudersovereenkomst alleen betrekking heeft op de eventuele situatie dat [C] (op de voet van artikel 2:132 BW door de algemene vergadering van aandeelhouders en niet door [B] als bestuurder van VillaSud , zoals [bedrijf van A] lijkt te veronderstellen) benoemd zou zijn als bestuurder van VillaSud . Hieruit vloeit voort dat de door [bedrijf van A] gevorderde verklaring voor recht niet zal worden gegeven.

4.6.

[bedrijf van A] beoogt met haar vordering onder II kennelijk een veroordeling van VillaSud Holding – in hoedanigheid van aandeelhouder van VillaSud – tot betaling van een deel van de door VillaSud behaalde winst te bewerkstelligen. Met deze vordering verliest [bedrijf van A] uit het oog dat zij een dergelijk recht op winst(deling) enkel geldend kan maken jegens de vennootschap waarin zij aandelen houdt, VillaSud . Gesteld noch gebleken is immers dat [bedrijf van A] jegens VillaSud Holding enig recht op winst geldend kan maken op grond van de aandeelhoudersovereenkomst en als gevolg waarvan VillaSud Holding gehouden is om uit haar eigen vermogen over te gaan tot betaling van een winstdeel aan [bedrijf van A] .

4.7.

Voor zover [bedrijf van A] beoogt VillaSud Holding in hoedanigheid van bestuurder van VillaSud aan te spreken tot nakoming van de aandeelhoudersovereenkomst – haar stellingen op dit punt zijn niet altijd even helder – kan hetgeen zij heeft aangevoerd evenmin leiden tot toewijzing. De door [bedrijf van A] gevorderde winstdeling komt neer op een vordering tot uitkering van dividend. VillaSud Holding is in hoedanigheid van bestuurder van VillaSud niet gehouden de aandeelhoudersovereenkomst na te komen noch is zij zonder besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders omtrent de vaststelling van de jaarrekening en het daarin vermelde dividend en de bestemming daarvan, gehouden het ertoe te leiden dat VillaSud dividend uitkeert aan [bedrijf van A] noch is zij gehouden zelf over te gaan tot betaling van (eventueel) door VillaSud aan [bedrijf van A] verschuldigd dividend. De vordering onder II zal daarom worden afgewezen.

4.8.

Voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen onder I en II zullen worden afgewezen. De nevenvorderingen ten aanzien van wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en nakosten is daarom eenzelfde lot beschoren.

4.9.

[bedrijf van A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van VillaSud Holding worden begroot op € 2.660,00, bestaande uit € 1.892,00 aan griffierecht en € 768,00 (2,0 punten × tarief € 384,00)

in reconventie

4.10.

VillaSud Holding stelt dat uit een door haar accountant opgestelde berekening van het dividend blijkt dat [bedrijf van A] over het jaar 2012 een dividend van € 16.011,00 had moeten ontvangen en niet het aan hem betaalde bedrag van € 22.707,00. Dit brengt volgens VillaSud Holding mee dat [bedrijf van A] een bedrag van € 6.696,00 teveel heeft ontvangen, welk bedrag hij terug dient te betalen aan VillaSud Holding . Ditzelfde geldt volgens VillaSud Holding voor het jaar 2013 waarin [bedrijf van A] een bedrag van € 631,00 teveel heeft ontvangen. Dit bedrag is het verschil tussen een uitgekeerd bedrag van € 19.690,00 en een volgens VillaSud Holding verschuldigd bedrag van € 19.059,00.

4.11.

VillaSud Holding vermeldt geen rechtsgronden voor haar vorderingen in reconventie noch vallen deze op te maken uit de door haar gestelde feiten en omstandigheden, waarmee haar vorderingen reeds voor afwijzing gereed liggen omdat zij niet aan de op haar rustende stelplicht heeft voldaan. Desalniettemin wordt het volgende overwogen.

4.12.

Voor zover VillaSud Holding bedoeld heeft aan haar vorderingen ten grondslag te leggen dat sprake is van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW) of ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) kan zij niet worden gevolgd. Afgezien van het feit dat de bedragen van € 22.707,00 en € 19.690,00 die door VillaSud aan [bedrijf van A] zijn betaald als winstdelen voor de jaren 2012 en 2013 niet kunnen worden aangemerkt als dividend omdat besluiten van de aandeelhoudersvergadering van VillaSud tot vaststelling van de jaarrekeningen van VillaSud en tot uitkering van de door haar behaalde winsten ontbreken – VillaSud heeft, zoals VillaSud Holding onweersproken heeft aangevoerd, immers nooit een algemene vergadering van aandeelhouders gehouden – komen de vorderingen van VillaSud Holding niet voor toewijzing in aanmerking om het volgende.

4.13.

VillaSud Holding heeft geen vorderingsrecht dat zij kan ontlenen aan de artikelen 6:203 BW en 6:212 BW. Zij verliest uit het oog dat de beweerdelijk teveel aan [bedrijf van A] uitgekeerde bedragen van € 6.696,00 en € 631,00 niet door VillaSud Holding , maar door VillaSud aan [bedrijf van A] zijn betaald. Zo er al sprake zou zijn van onverschuldigde betaling door VillaSud of ongerechtvaardigde verrijking van [bedrijf van A] ten koste van VillaSud , dan komt deze laatste een vorderingsrecht toe, niet aan VillaSud Holding . Hetgeen VillaSud Holding voor het overige heeft aangevoerd kan evenmin leiden tot toewijzing, zodat de vorderingen in reconventie, ook waar het de wettelijke rente betreft, zullen worden afgewezen.

4.14.

VillaSud Holding zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [bedrijf van A] worden begroot op € 384,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 384,00) aan salaris advocaat.

4.15.

De nakosten en wettelijke rente hierover, waarvan [bedrijf van A] in reconventie betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [bedrijf van A] in de proceskosten, aan de zijde van VillaSud Holding tot op heden begroot op € 2.660,00,

5.3.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4.

wijst de vorderingen af,

5.5.

veroordeelt VillaSud Holding in de proceskosten, aan de zijde van [bedrijf van A] tot op heden begroot op € 384,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.6.

veroordeelt VillaSud Holding , onder de voorwaarde dat zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door [bedrijf van A] volledig aan dit vonnis in reconventie voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

  • -

    € 131,00 aan salaris advocaat,

  • -

    te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de exploitkosten van betekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 199,00 met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de dag van volledige betaling.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Gaertman en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2015.1

1 type: CTH/4065 coll: SG/4371