Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:6056

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-08-2015
Datum publicatie
27-08-2015
Zaaknummer
C/16/390066 / KG ZA 15-243
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot opheffing beslag op uitkering onder abstracte bankgarantie. Gezien omstandigheden geen sprake van regulier verhaalsbeslag. Afroep door begunstigde niet bedrieglijk. Onrechtmatig beslag opgeheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2015-0212
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling civielrecht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/390066 / KG ZA 15-243

Vonnis in kort geding van 12 augustus 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WARBURG-HENDERSON KAPITALAGEN,

gevestigd te Hamburg,

eiseres,

advocaat mr. N. Amiel te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EMBALLAGE SERVICES NEDERLAND BV,

gevestigd te Farmsum,

gedaagde,

advocaat mr. J.J. Schelling te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Warburg en Anker genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties

  • -

    de conclusie van antwoord met producties

  • -

    de mondelinge behandeling van 21 mei 2015

  • -

    de pleitnota van Warburg van 21 mei 2015

  • -

    de pleitnota van Anker van 21 mei 2015.

  • -

    de mondelinge behandeling van 28 juli 2015

  • -

    de pleitnota van Warburg van 28 juli 2015

  • -

    de dupliek van Anker van 28 juli 2015.

1.2.

Tijdens de mondelinge behandeling van 21 mei 2015 heeft Anker de behandelend voorzieningenrechter gewraakt. Bij beslissing van 16 juni 2015 heeft de wrakingskamer van deze rechtbank de wraking gegrond verklaard. Daarop is een nieuwe mondelinge behandeling bepaald op 28 juli 2015. Voorafgaande aan de behandeling heeft Warburg onder meer de pleitnota’s van 21 mei 2015 in het geding gebracht. Ter mondelinge behandeling zijn partijen vervolgens in de gelegenheid gesteld tot het nemen van repliek en dupliek.

1.3.

Vervolgens is vonnis bepaald.

1.4.

De raadsman van Warburg heeft diens pleitnota van 28 juli 2015 na afloop van de mondelinge behandeling aan de voorzieningenrechter toegezonden, waarbij de door hem bij wijze van repliek voorgedragen gedeelten zijn gemarkeerd. De voorzieningenrechter zal slechts die delen van de pleitnota bij de beoordeling betrekken waarvan uit de ter zitting opgemaakte aantekeningen blijkt dat deze zijn voorgedragen.

2 De feiten

2.1.

Anker heeft van 1 april 2006 tot en met 31 augustus 2014 van (de rechtsvoorganger van) Warburg de bedrijfsruimte aan de Van der Madeweg 55 te Amsterdam gehuurd. Ingevolge de huurovereenkomst heeft de Rabobank in opdracht van Anker een bankgarantie verstrekt van € 61.359,38.

2.2.

Op enig moment is er een geschil ontstaan over de staat van de vloer van de bedrijfsruimte. Bij vonnis van 9 mei 2012 heeft de Rechtbank Amsterdam Warburg veroordeeld om over te gaan tot herstel van de vloer. Partijen hebben nadien geen overeenstemming kunnen bereiken over de wijze waarop herstel plaats dient te vinden. Op 26 juni 2013 heeft Anker medegedeeld, onder verwijzing naar het vonnis van 9 mei 2012, dat indien Warburg niet op korte termijn de werkzaamheden aan de vloer doet aanvangen, Anker dit zelf zal doen en de kosten van herstel zal verrekenen met de huurprijs.

2.3.

Op 1 augustus 2013 heeft Warburg de bankgarantie ingeroepen aangezien Anker de huurpenningen onbetaald liet. Op 2 augustus 2013 heeft Anker, na daartoe strekkend verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank ten laste van Warburg conservatoir beslag gelegd onder de Rabobank op een bedrag van € 62.000,00.

2.4.

Op 16 augustus 2013 heeft Anker Warburg gedagvaard in de bodemprocedure, waarbij zij in conventie onder meer heeft gevorderd een verklaring voor recht dat zij gerechtigd is de huur te verrekenen met de herstelkosten van de vloer, alsmede dat sprake is van een bedrieglijke afroep van de bankgarantie door Warburg. Anker vorderde voorts veroordeling van Warburg tot betaling van de kosten van herstel van de vloer. In reconventie vorderde Warburg onder meer veroordeling van Anker tot betaling van € 278.851,91 aan achterstallige huur. Bij eindvonnis van 5 maart 2015 zijn de vorderingen van Anker afgewezen en is de vordering van Warburg ter zake de huurachterstand toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.5.

Anker heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

2.6.

Warburg heeft Anker verzocht aan het bodemvonnis te voldoen. Anker is daartoe niet overgegaan. Het beslag is evenmin opgeheven.

3 Het geschil en de beoordeling

3.1.

Warburg vordert opheffing van het door Anker op 2 augustus 2013 onder de Rabobank ten laste van Warburg gelegde derdenbeslag en een verbod voor Anker om nog enig beslag te leggen dat uitkering van de bankgarantie aan en onbezwaarde ontvangst door Warburg belemmert, op straffe van een dwangsom van € 200.000,00, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere handeling in strijd met dit verbod, een en ander met veroordeling van Anker in de kosten van het geding.

Opheffing beslag

3.2.

Warburg heeft ter onderbouwing van haar vordering tot opheffing enerzijds aangevoerd dat met het leggen van conservatoir beslag op een bankgarantie op eerste afroep het doel van die bankgarantie, namelijk het eenvoudig verkrijgen van het in de garantie genoemde bedrag, wordt gefrustreerd. Een dergelijk beslag moet daarom in beginsel als onrechtmatig worden aangemerkt. Dat zou slechts anders zijn indien de door Warburg gemaakte aanspraak op de bankgarantie als kennelijk willekeurig of bedrieglijk zou moeten worden aangemerkt, hetgeen niet het geval is. Voorts heeft Warburg zich op het standpunt gesteld dat aan de opheffingsgronden van artikel 705 Rv is voldaan. Zo blijkt (mede) uit het vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 5 maart 2015 dat het door Anker gepretendeerde recht ondeugdelijk is, en is bovendien gebleken van de onnodigheid van het beslag, aldus Warburg.

3.3.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om eerst de gestelde onrechtmatigheid van het beslag te beoordelen. Anker heeft zich te dien aanzien primair op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een beslag onder de bank wegens het ten onrechte inroepen van de bankgarantie, maar dat het hier een gewoon verhaalsbeslag betreft. Ter onderbouwing voert Anker - samengevat - aan dat de gestelde bankgarantie de gebruikelijke bankgarantie betreft uit artikel 12 van de algemene bepalingen en dat deze is bedoeld voor het geval Anker failleert of de laatste maanden huur niet voldoet. De bankgarantie is dus niet gesteld voor het geschil over de vloer. Nu de bankgarantie voor een ander doel is gesteld dan het geschil over de vloer, uit hoofde waarvan Anker een vordering heeft waarvoor zij het beslag heeft gelegd, is er sprake van een gewoon verhaalsbeslag. De vordering tot opheffing dient derhalve te worden beoordeeld aan de hand van de in artikel 705 Rv opgenomen criteria, bij welke beoordeling de voorzieningenrechter ook dient te betrekken in hoeverre aannemelijk is dat Warburg ook in het hoger beroep in de bodemprocedure in het gelijk wordt gesteld, aldus nog steeds Anker.

3.4.

Dit verweer faalt. Of er sprake is van een beslag ter verhindering van het uitbetalen van een bankgarantie of een regulier verhaalsbeslag, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Het doel waartoe de bankgarantie is gesteld is daarbij, anders dan Anker stelt, niet leidend. Van belang is veeleer of de bankgarantie en de vordering waarvoor beslag wordt gelegd voortvloeien uit dezelfde overeenkomst. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarvan in het onderhavige geval sprake. De vordering waarvoor Anker beslag heeft gelegd betreft immers de kosten van het herstel van de vloer van het gehuurde, welke kosten Warburg op grond van artikel 7:206 lid 3 zou dienen te vergoeden. Daarmee vloeit deze vordering voort uit de huurovereenkomst, ter uitvoering waarvan Anker destijds de bankgarantie heeft gesteld.

3.5.

Bovendien heeft Anker zich in de verschillende procedures steeds op het standpunt gesteld dat zij haar vordering heeft verrekend met de verschuldigde huurpenningen. Zij heeft deze verrekening ook ten grondslag gelegd aan het beslag, nu zij in het verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag heeft gesteld er recht en belang bij te hebben dat de bankgarantie in de verrekening kan worden betrokken. Uit het beroep op verrekening van Anker vloeit voort dat naar de mening van Anker de vorderingen over en weer door die verrekening teniet zijn gegaan. Haar stelling dat zij voor haar vordering een regulier verhaalsbeslag heeft gelegd is daarmee ook niet te rijmen.

3.6.

In het licht van het voorgaande is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat het beslag dient te worden aangemerkt als een beslag wegens het beweerdelijk ten onrechte inroepen van een bankgarantie. Voorop staat dat volgens vaste jurisprudentie uit het rechtskarakter van een abstracte bankgarantie op afroep als de onderhavige voortvloeit dat de begunstigde er zonder meer op moet kunnen rekenen dat hij op grond van het enkele afroepen de vrije en onbelemmerde beschikking krijgt over de uit dien hoofde uit te keren gelden (Hof ’s-Gravenhage, 21 september 1994, NJ 1995, 586). Uitbetaling kan slechts in die gevallen worden verhinderd waarin sprake is van een kennelijk willekeurige of bedrieglijke afroep door de begunstigde. Van een dergelijke bedrieglijke afroep door de begunstigde is echter pas dan sprake, indien deze wist of had moeten weten dat zij geen aanspraak kon maken op de bankgarantie volgens de daarin gestelde voorwaarden. De enkele omstandigheid dat tussen partijen een geschil bestaat over de vraag of het inroepen van de bankgarantie gerechtvaardigd is, is daartoe niet voldoende. Een dergelijk oordeel zou ook in strijd zijn met het het karakter van de abstracte bankgarantie.

3.7.

Anker heeft betoogd dat het inroepen van de bankgarantie door Warburg bedrieglijk is aangezien zij weet dat zij, ten gevolge van de verrekening door Anker, niets meer te vorderen heeft. Dit verweer faalt. Warburg heeft immers de bevoegdheid tot verrekening van Anker steeds inhoudelijk betwist. Dat deze betwisting ook niet zonder grond is blijkt reeds uit het vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 5 maart 2015 waarin de vorderingen van Anker zijn afgewezen. Daarmee staat reeds voldoende vast dat de afroep niet bedrieglijk is geweest. Dat Anker tegen dat vonnis in hoger beroep is gegaan doet daarbij niet ter zake, nu bij deze beoordeling niet doorslaggevend is of al dan niet aannemelijk is of Warburg uiteindelijk in het gelijk zal worden gesteld, maar slechts of haar afroep als dan niet bedrieglijk was. Nu is gebleken dat er geen sprake was van een bedrieglijke afroep, is het beslag onrechtmatig en zal dan ook worden opgeheven.

Beslagverbod

3.8.

Volgens vaste jurisprudentie is toewijzing van een beslagverbod slechts in zeer uitzonderlijke gevallen op zijn plaats, bijvoorbeeld in het geval dat de beslaglegger klaarblijkelijk misbruik maakt van het recht om beslag te leggen. Warburg heeft dit standpunt echter niet nader onderbouwd, zodat deze vordering zal worden afgewezen. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat Anker haar toezegging om bij een eventueel nieuw verzoekschrift tot het leggen van beslag de voorgeschiedenis te vermelden en dit vonnis bij te voegen gestand zal doen.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

3.9.

Anker heeft subsidiair verzocht een toewijzend vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het instellen van hoger beroep tegen dit vonnis niet veel zin heeft indien de bankgarantie eenmaal is uitgekeerd. Anker heeft er recht en belang bij om de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam in de bodemprocedure of te wachten. Daarbij is mede van belang dat Anker niet verwacht dat, indien zij in de bodemprocedure in het gelijk wordt gesteld, Warburg vrijwillig zal overgaan tot betaling.

3.10.

De voorzieningenrechter ziet in het voorgaande geen aanleiding om de verzochte uitvoerbaar bij voorraadverklaring af te wijzen. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor onder 3.7. is overwogen, is de uiteindelijke uitkomst van de bodemprocedure niet van invloed op de vraag of het beslag onrechtmatig is. Dat brengt met zich dat het belang van Warburg om op korte termijn over die bankgarantie te beschikken zwaarder moet wegen dan het belang van Anker om het beslag, ondanks het voorlopig oordeel dat dit beslag onrechtmatig is, voort te laten duren.

3.11.

Anker zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Warburg worden begroot op:

- dagvaarding € 99,98

- griffierecht 613,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.528,98

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

heft op het op 2 augustus 2013 ten laste van Warburg onder Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A., mede handelend onder de naam Rabobank Nederland, gelegde derdenbeslag;

4.2.

veroordeelt Anker in de proceskosten, aan de zijde van Warburg tot op heden begroot op € 1.528,98, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

4.3.

veroordeelt Anker in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak indien betekening heeft plaatsgevonden, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na de dagtekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

4.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.E.M. Nootenboom-Lock en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2015.1

1 type: WL/4392coll: