Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:6002

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-08-2015
Datum publicatie
12-08-2015
Zaaknummer
C/16/396103 / KG ZA 15-505
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:7519, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

onrechtmatigheid tv-uitzending

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/451

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/396103 / KG ZA 15-505

Vonnis in kort geding van 12 augustus 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. D.I.N. Levinson-Arps te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ENDEMOL NEDERLAND MEDIAGROEP B.V.,

gevestigd te Amsterdam/Duivendrecht ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ENDEMOL NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam/Duivendrecht ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SBS BROADCASTING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagden,

advocaat mr. J.A. Schaap te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en Endemol c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 14 juli 2015 met producties, genummerd 1 tot en met 16;

  • -

    de akte houdende bezwaar tegen verzoek behandeling achter gesloten deuren, tevens vermelding relevante feiten, tevens overlegging producties, genummerd 1 tot en met 7;

  • -

    de bij fax van 22 juli 2015 aangekondigde vermeerdering van eis, (voorshands) oordeel over verzoeken tot behandeling achter gesloten deuren en de niet-openbaarmaking van de identiteit en overige directe en indirecte persoonsgegevens van [eiser] , akte houdende uitlating zijdens Endemol c.s. overgelegde producties i.v.m. preliminaire verzoeken tot een behandeling achter gesloten deuren (en anonimiteit) en indiening van de producties 17 tot en met 20, van de zijde van [eiser] ;

  • -

    de e-mailwisseling tussen partijen omtrent het overleggen door Endemol c.s. van een USB-stick en de daarop volgende beslissing van de voorzieningenrechter inhoudende dat het depot ter griffie tot inzage van productie 1 (USB-stick) van Endemol c.s. is aanvaard en dat de desbetreffende USB-stick daarmee deel uitmaakt van de procedure. Mr. Levinson-Arps heeft op de rechtbank het materiaal dat op de USB-stick stond bekeken op een computer van de rechtbank en in het bijzijn van een medewerker van de rechtbank;

  • -

    de bij e-mailbericht van 23 juli 2015 aan partijen toegezonden beslissing van de voorzieningenrechter op het door eisende partij gedane verzoek ex artikel 27 Rv (houden van een zitting in kort geding achter gesloten deuren en geanonimiseerd procederen);

  • -

    de brief van 24 juli 2015 van de zijde van Endemol c.s.;

  • -

    het e-mailbericht van 24 juli 2105 van de zijde van [eiser] inhoudende een verzoek tot het treffen van een ordemaatregel in verband met voornoemde brief van Endemol c.s. van 24 juli 2015;

  • -

    voornoemd verzoek is ter zitting behandeld. De voorzieningenrechter heeft toegelaten dat de USB-stick ter zitting mocht worden beluisterd en bekeken. Ter zitting zijn slechts delen van de op die USB-stick staande fragmenten getoond en gehoord.

  • -

    de bij brief van 24 juli 2015 ingediende productie, genummerd 21, van de zijde van [eiser] ;

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 27 juli 2015;

  • -

    de pleitnota van de zijde van [eiser] ;

  • -

    de pleitnota van de zijde van Endemol c.s.

1.2.

Op 23 juli 2015 heeft de voorzieningenrechter in de onderhavige kortgedingprocedure een beslissing genomen op het door eisende partij gedane verzoek ex artikel 27 Rv (houden van een zitting in kort geding achter gesloten deuren en geanonimiseerd procederen). De beslissing luidt als volgt:

“Uitspraak op een verzoek tot het houden van een zitting in kort geding achter gesloten deuren en geanonimiseerd procederen.

[eiser] heeft verzocht de behandeling van het door hem tegen Endemol c.s. aangespannen kort geding op maandag 27 juli 2015 om 15.00 uur achter gesloten deuren te behandelen en om de zaak geanonimiseerd te behandelen.

De voorzieningenrechter heeft partijen voorgesteld op deze punten, in afwijking van hetgeen normaliter geschiedt, reeds op voorhand te beslissen. Daarbij is, indien partijen met deze gang van zaken zouden instemmen, aan Endemol c.s. de gelegenheid gegeven op het verzoek te reageren.

[eiser] heeft zijn verzoek in de concept dagvaarding gemotiveerd.

In haar op 22 juli 2015 aan de voorzieningenrechter en [eiser] toegezonden Akte houdende bezwaar tegen verzoek behandeling achter gesloten deuren, tevens vermelding relevante feiten, tevens overlegging producties heeft Endemol c.s. tegen het verzoek om behandeling achter gesloten deuren bezwaar gemaakt. Tegen het verzoek om de zaak geanonimiseerd te behandelen heeft Endemol c.s. geen bezwaar, voor zover het betreft de publicatie van een te wijzen vonnis op Rechtspraak.nl op de daarvoor gebruikelijke (geanonimiseerde) wijze.

Vervolgens heeft [eiser] bij faxbericht van 22 juli 2015 zijn eis vermeerderd en voorts commentaar gegeven op het bezwaar van Endemol c.s., zoals hiervoor genoemd.

De voorzieningenrechter laat de stukken die zijn ingediend na voornoemde akte van Endemol c.s. van beide partijen en de (delen van) stukken die niet zien op het verzoek ex artikel 27 Rv in het kader van deze beoordeling buiten beschouwing. Hij heeft daarvan in het kader van deze ordemaatregel geen kennis genomen. Immers, [eiser] heeft zijn verzoek reeds gemotiveerd in de concept dagvaarding (en overigens ook in de definitieve, aan de voorzieningenrechter toegezonden dagvaarding). In het kader van het toe te passen hoor en wederhoor heeft de voorzieningenrechter Endemol c.s. gelegenheid gegeven haar standpunt kenbaar te maken. Voor een verdere aktewisseling is geen plaats.

Het verzoek tot behandeling achter gesloten deuren.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hij overweegt als volgt.

Een verzoek als het onderhavige moet worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in artikel 27 Rv. Daarin staan limitatief de gronden opgesomd. [eiser] grondt zijn verzoek op de bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer. Hij wenst niet - in relatie tot het onderwerp van dit kort geding - dat er meer gegevens over zijn persoon bekend worden, hetgeen onmogelijk is bij een openbare behandeling.

Gelet op het vorenstaande moet het belang van [eiser] worden afgewogen tegenover het belang van openbaarheid van rechtspleging. Dit laatstgenoemde belang kan alleen om zwaarwegende gronden terzijde worden geschoven. In deze zaak zijn geen dergelijke zwaarwegende belangen gebleken. Het zojuist verwoorde belang van [eiser] is onvoldoende. In veel aanhangig te maken en gemaakte gedingen speelt een rol dat gegevens omtrent de persoonlijke levenssfeer tijdens een mondelinge behandeling aan de orde komen. Dat is inherent aan het voeren van een procedure en dat kan dan ook leiden tot (enige) aantasting van de persoonlijke levenssfeer van een partij. In deze zaak is voor de beoordeling van het verzoek om behandeling achter gesloten deuren van belang dat het gaat om de privacy van [eiser] rakende gegevens, die reeds sinds de gewraakte televisie-uitzending op 27 mei 2012 in het publieke domein verkeren.

Endemol c.s. heeft in haar akte vermeld zelf geen publiciteit uit te lokken in verband met de mondelinge behandeling op 27 juli 2015. De voorzieningenrechter vertrouwt erop dat Endemol c.s. zich aan die toezegging zal houden.

Het verzoek tot geanonimiseerde behandeling

Ook hier geldt als uitgangspunt dat vonnissen in het openbaar worden uitgesproken. Naar gebruik zal de voorzieningenrechter de uitspraak in het onderhavige kort geding op www.rechtspraak.nl publiceren onder anonimisering van de partijgegevens en in elk geval die van [eiser] . De minuut en de aan partijen uit te reiken grosse en afschrift zullen vanzelfsprekend niet geanonimiseerd worden.

Het is goed en bestendig gebruik dat in de week voorafgaande aan een kort geding op een zogenoemde perslijst, dit vooral vanwege de openbaarheid van rechtspraak, de korte gedingen worden aangekondigd. Omdat de anonimisering van de zaak niet verder kan gaan dan zojuist beschreven, zal de zaak op de persrol worden vermeld onder de naam: [eiser] / Endemol c.s. Voor zover een journalist kennis wil nemen van de dagvaarding zal hem dat worden toegestaan.

Deze aan de mondelinge behandeling vooruitlopende ordemaatregel zal in het vonnis worden opgenomen.

Spoedshalve zal de voorzieningenrechter deze ordemaatregel via de juridisch medewerker aan de raadslieden van partijen per e-mail doen toekomen.

Mr. A.S. Penders,

voorzieningenrechter.”

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde sub 4] is misdaadverslaggever en maakt tv-uitzendingen. Endemol produceert deze programma’s en SBS6 zendt ze uit.

2.2.

Begin 2012 hebben twee jongemannen [gedaagde sub 4] benaderd omdat zij beschikten over een USB-stick met daarop een opname - gemaakt met een (verborgen) pencamera - van een gesprek dat één van de jongemannen heeft gehad met [eiser] . In dat gesprek spraken zij over een uit te voeren moord en de details over de wijze waarop die moord diende plaats te vinden. [gedaagde sub 4] heeft op een door hem gekozen moment de politie ingeschakeld omdat het volgens [gedaagde sub 4] , blijkens de in het geding gebrachte beelden, duidelijk was dat het beoogde slachtoffer zeer wel mogelijk zou worden vermoord (als niet door één van de jongemannen dan wel door een ander). De politie heeft, nadat [gedaagde sub 4] tijdens een ontmoeting met de jongemannen de beschikking had verkregen over de desbetreffende USB-stick, de twee jongemannen gearresteerd. [gedaagde sub 4] heeft de beschikking over de beelden die op de USB-stick staan en heeft (mede) deze beelden gebruikt bij het maken van een tv-uitzending over huurmoord waartoe (in de visie van [gedaagde sub 4] ) [eiser] opdracht zou hebben gegeven. Ook zijn beelden gebruikt die [gedaagde sub 4] heeft opgenomen met een verborgen camera op de redactie van het programma, opnamen van telefoongesprekken met (één van) de jongemannen en een opname van een interview met het beoogde slachtoffer.

2.3.

De jongemannen hebben een kort geding aangespannen met als doel de tv-uitzending te voorkomen. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 22 mei 2012 (zaaknummer: 200.105.903/01) geoordeeld dat de uitzending rechtmatig was en derhalve mocht worden uitgezonden, onder de voorwaarde dat de jongemannen onherkenbaar in beeld diende te worden gebracht en zij met fictieve namen zouden worden aangeduid.

2.4.

Op 27 juli 2012 heeft de uitzending van de desbetreffende aflevering van het programma [gedaagde sub 4] Misdaadverslaggever plaatsgevonden. Deze tv-uitzending is niet op televisie herhaald. Het programma is door Endemol Nederland B.V. in opdracht van SBS6 geproduceerd en vervolgens door SBS6 uitgezonden. Endemol Nederland B.V. had voor het maken van het programma met [gedaagde sub 4] een overeenkomst gesloten. In de tv-uitzending is [eiser] herkenbaar in beeld te zien en wordt zijn Amerikaanse achternaam genoemd en getoond. De twee jongemannen zijn onherkenbaar in beeld getoond.

2.5.

Bij vonnis van 15 augustus 2012 is [eiser] door de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren wegens poging om een ander door het verschaffen van inlichtingen en beloften te bewegen om het misdrijf medeplegen van een moord te begaan. [eiser] is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof Amsterdam. Die procedure is thans nog aanhangig.

2.6.

In het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 25 november 2013 welk onderzoek is onderbroken en hervat op 3 december 2013 is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

“Het hof wenst in het bezit te komen van de volledige inhoud en weergave van de gesprekken tussen de getuige [getuige] en [gedaagde sub 4] en zijn medewerkers, waarvan gedeelten onderdeel zijn gaan uitmaken van de aflevering van het programma van [gedaagde sub 4] van 27 mei 2012 (uitzending ‘dossier huurmoord’).”

2.7.

In het proces-verbaal van bevindingen van 23 september 2014 stelt de raadsheer-commissaris dat alles is geprobeerd om het materiaal (zoals aangeduid onder 2.6.) ter beschikking te krijgen, hetgeen niet is gelukt.

2.8.

Het gerechtshof Amsterdam heeft in het proces-verbaal van de terechtzitting op

27 oktober 2014 en 24 november 2014 het verzoek van de verdediging tot gebruikmaking door het Openbaar Ministerie van de bevoegdheid ex artikel 126nd Sv afgewezen.

2.9.

In het e-mailbericht van 20 juli 2015 bericht [gedaagde sub 4] aan de advocaat van Endemol c.s., voor zover relevant, het volgende:

“Toen wij in 2012 de uitzending/reportage maakten hebben wij enkele dagen voor de uitzending de toenmalige advocaat van [eiser] - strafpleiter mr. Peter Plasman uit Amsterdam – uitgenodigd om in de studio commentaar op de feiten en omstandigheden te komen geven. (…)

In mijn bijzijn heeft hij toen eerst (…) de gehele reportage bekeken, zodat hij inhoudelijk elk aspect daarvan zou kunnen becommentariëren. (…)

Ik hecht er aan te benadrukken dat mr. Plasman geen moment, met geen woord, zich tegen de inhoud van de reportage heeft verzet nadat hij deze op mijn kantoor heeft gezien. Ook tijdens het studio-interview heeft hij geen opmerkingen gemaakt die er op duiden dat hij het met de inhoud en weergaven van een en ander niet eens was en daar tegen protesteerde en/of de uitzending wilde verhinderen.

Ook na het studio-interview heeft mr. Plasman op geen wijze laten weten dat de inhoud en weergave van de reportage onrechtmatig zou zijn jegens zijn client. Mr. Plasman heeft op geen enkele wijze aangedrongen op aanpassingen of correcties van de inhoud, terwijl hij heel goed wist dat de reportage pas zondags zou worden uitgezonden en er in geval van een ‘strijdpunt’ nog voldoende tijd was om dit kenbaar te maken en aan te vechten.

Ook na de uitzending, op zondagavond, hebben wij nooit een reactie van mr. Plasman ontvangen waaruit zou kunnen blijken dat hij (juridische) bezwaren had tegen de uitzending en de inhoud daarvan.”

2.10.

In het e-mailbericht van 21 juli 2015 bericht [eiser] aan zijn advocaat, voor zover relevant, het volgende:

“Ik vroeg hem of ik er met een waas of geblokt opstond zoals namelijk altijd in het programma van [gedaagde sub 4] gebeurd. Plasman beaamde dat ik inderdaad onherkenbaar in beeld was in de TV uitzending die aan hem was getoond in de TV studio. Dit was ook in lijn met de fragmenten die als een soort trailer regelmatig door SBS6 getoond werden. De dag van het hoger beroep dat [gedaagde sub 4] gewonnen bleek werd nog de geblokte beelden in een trialer getoond. Maar de dag erna verscheen ik in de trailer wel volledig inbeeld. Los daarvan was Mr Plasman alleen mijn strafadvocaat en stond mij ook niet bij in de procedure die door [getuige] was aangespannen tegen Endemol et al. Ik wist niets van deze procedure door die jongens en als ik het had geweten dan had ik een civiele advocaat geregeld die mijn belangen zouden behartigen.”

2.11.

In het e-mailbericht van 22 juli 2015 bericht mr. Plasman aan de advocaat van [eiser] , voor zover relevant, het volgende:

“In de tekst van [gedaagde sub 4] kan ik mij vinden. De beschrijving van de gang van zaken is op hoofdlijnen conform hetgeen ik mij nog voor de geest kan halen. (…) Van uitdrukkelijk instemming is geen sprake geweest. Dat de uitzending ging plaatsvinden was een voldongen feit en aan mij was de keuze om wel of niet een weerwoord te leveren. De kans op een verbod als voorlopige voorziening leek mij zeer laag, terwijl een dergelijke vordering veel extra media-aandacht zou hebben gegenereerd. Wanneer het wel of niet uitzenden afhankelijk zou zijn gemaakt van enige toestemming van mijn kant (lees: van mijn ex-cliënt) zou ik die toestemming in de gegeven omstandigheden hebben geweigerd.”

2.12.

In de brief van 24 juli 2015 van de zijde van Endemol c.s. is aangegeven dat Endemol alsnog opnamen heeft gevonden met betrekking tot de op de redactie gevoerde drie gesprekken en de twee telefoongesprekken met de twee jongemannen. Deze opnamen zijn toegezonden aan het Kabinet raadsheer-commissaris gerechtshof Amsterdam en

mr. J.W. Soeteman.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - na vermeerdering van eis - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Endemol c.s. hoofdelijk met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis:

I. te veroordelen om aan [eiser] te vergoeden, bij wijze van voorschot op de te betalen schadevergoeding, de door [eiser] geleden immateriële schade van een bedrag van

€ 500.000,00;

II. A: te veroordelen tot afgifte van al het ruwe beeld- en geluidsmateriaal van de tv-uitzending dat Endemol c.s. onder zich heeft, dat betrekking heeft op de gesprekken die tussen eind januari 2012 en 6 februari 2012 zijn gevoerd met (de redactie van [gedaagde sub 4] ), te weten:

a. de (drie) gesprekken met de vermeende ‘hitmen’ die hebben plaatsgevonden op het kantoor van [gedaagde sub 4] en/of Endemol , alsmede alle transcripties, uitwerkingen, notities, foto’s en/of stillfoto’s;

b. de in dat verband gevoerde telefoongesprekken met de vermeende ‘hitmen’; en

c. de gesprekken met het vermeende slachtoffer de heer [A] ;

B: te veroordelen om, indien Endemol c.s. niet voldoet aan het onder II.A verzochte bevel tot afgifte, na ommekomst van een termijn van zeven dagen, aan een door partijen aan te wijzen onafhankelijke derde de opdracht te geven tot het verrichten van een onafhankelijk onderzoek naar de vraag of het verzochte materiaal bij Endemol c.s. aanwezig is (geweest) en zo ja, wat daarop te zien c.q. te horen is/was, hoe deze gegevens luid(d)en en op welke gegevensdragers deze zijn/waren opgeslagen, waaronder maar niet beperkt tot de harde schijven van de gebruikte computerapparatuur, alsmede opdracht te geven tot het opstellen van een deskundigenrapport naar aanleiding van dat onderzoek;

C: te veroordelen om aan het onder II.B genoemde onderzoek volledige medewerking te verlenen, onder de bepaling dat aan [eiser] na voltooiing van dat onderzoek gelijktijdig een kopie van het deskundigenrapport wordt verstrekt, kosten rechtens;

III. te veroordelen tot het laten verwijderen van de (her)publicatie van de tv-uitzending op YouTube;

IV. te veroordelen tot het opvragen van de persoonsgegevens van de anonieme publicist met het pseudoniem [pseudoniem] ’ bij YouTube en deze gegevens aan [eiser] te verstrekken;

V. te veroordelen tot betaling van een dwangsom indien zij niet aan de onder sub II tot en met IV verzochte bevelen voldoet;

VI. te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze niet binnen een termijn van veertien dagen na dagtekening van dit vonnis zijn betaald.

Ter zitting is het deel van vordering II, onder A, sub a en b ingetrokken. Dat betekent dat in het kader van de vordering ex artikel 843a Rv het gevorderde onder II, A, sub c, en B en C ter beoordeling voorliggen.

3.2.

Endemol c.s. voert verweer. Zij verzoekt de voorzieningenrechter alle vorderingen af te wijzen en [eiser] te veroordelen in de proceskosten, inclusief de nakosten, uitvoerbaar bij voorraad.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat over [eiser] zonder zijn toestemming door de redactie van het programma [gedaagde sub 4] Misdaadverslaggever een aflevering is gemaakt en deze is uitgezonden. [eiser] wordt in die desbetreffende uitzending beschuldigd van het beramen van een huurmoord op een concurrent in de escort business in Amsterdam, [A] (hierna te noemen: [A] ). De uitzending toont het gezicht van [eiser] volledig en lang en (in)directe persoonsgegevens worden aan het publiek openbaar gemaakt. [gedaagde sub 4] stelt in de tv-uitzending een huurmoord te hebben verijdeld. Dit is volgens [eiser] feitelijk onjuist. Er is namelijk niets gebeurd. Nimmer is een opdracht voor het plegen van een moord gegeven. Het was duidelijk dat de opdrachtnemer niet van plan was om de moord te plegen. Die wilde een aanbetaling van [eiser] en er vervolgens met het geld vandoor gaan. Met betrekking tot een tweede in de tv-uitzending aangehaalde aanslag op het leven van [A] geldt volgens [eiser] dat deze verdachtmaking (eveneens) ongefundeerd is. [eiser] is in die zaak nimmer verdachte geweest, nooit gehoord en niet gearresteerd. Voorts wordt [eiser] in verband gebracht met de kortgedingprocedure die de twee jongemannen hebben gevoerd die daarmee trachten uitzending te voorkomen. Echter [eiser] is bij die procedure geen partij geweest. De aard van de uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen daarvan, alsmede de wijze van inkleding van die uitlatingen, geven geen correcte en volledige weergave van al hetgeen zich zou hebben voorgedaan en vormen geen betrouwbare bron en vonden bovendien geen steun in het beschikbare feitenmateriaal. Niet alle beelden zijn getoond in de tv-uitzending en niet alle beelden zijn in het kader van het strafproces aan de politie en justitie overhandigd. Het is niet uit te sluiten dat zich in het niet getoonde materiaal ontlastend bewijsmateriaal bevindt. Endemol c.s. heeft voorts door onder de gegeven omstandigheden de volledige naam van [eiser] en zijn niet-geanonimiseerde afbeelding in de tv-uitzending te hebben gepubliceerd en te blijven publiceren, de eisen van juridische verantwoordelijkheid geschonden en zij schendt deze nog. Gelet op het vorenstaande heeft Endemol c.s. onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] en vordert [eiser] een voorschot op de (immateriële) schadevergoeding. Ten aanzien van de vordering tot afgifte van al het ruwe beeld- en geluidsmateriaal van de tv-uitzending dat Endemol c.s. onder zich heeft met betrekking tot de gesprekken met [A] stelt [eiser] dat hij recht en belang heeft bij overlegging van die beelden, omdat slechts enkele fragmenten uit het interview zijn getoond. [eiser] stelt een rechtmatig belang te hebben bij afgifte van het volledige materiaal, zodat hij over de juiste en volledige informatie beschikt voor een civiele en/of strafrechtelijke procedure.

4.2.

Endemol c.s. voert daartegen het volgende aan. Het programma van [gedaagde sub 4] is een journalistiek programma. In dergelijke programma’s is een beperking van de uitingsvrijheid niet snel noodzakelijk. Vanwege de ernst van de misstand en de mate waarin de beschuldigingen worden gesteund door het ter beschikking staande feitenmateriaal, dient de belangenafweging in dit geval in het voordeel van de vrijheid van meningsuiting uit te vallen. De zaak is van groot publiek belang en het beramen van een huurmoord is een misstand. De beschuldigingen aan het adres van de uitvoerder vonden volgens de rechtbank Amsterdam voldoende grond in het ter beschikking staande feitenmateriaal. Dat zal dan ook automatisch gelden voor zijn gesprekspartner, de opdrachtgever: [eiser] . Bovendien heeft de beschuldiging van [eiser] gelet op de overgelegde beelden een solide basis in het feitenmateriaal. De rechtbank Amsterdam oordeelt: ‘dat eiser met grote achteloosheid en buitengewoon kil en zakelijk spreekt over de wijze waarop de moord zou moeten worden gepleegd.’ De beschuldiging in het programma is dus niet lichtvaardig geweest. De redactie van [gedaagde sub 4] heeft geen delen weggelaten uit de uitzending die eiser zouden kunnen vrijpleiten waarvan hij nu beschuldigd wordt. De veroordeling dient het uitgangspunt te zijn. Bovendien maakt een mogelijke vernietiging van het vonnis van de rechtbank Amsterdam de uitzending nog niet onrechtmatig. Het gaat immers niet om de vraag of iets waar is, maar om de vraag of er voldoende grondslag in het beschikbare feitenmateriaal bestond om iets te publiceren. De toets is dat de pers niet lichtvaardig verdenkingen mag publiceren. Ook zou de uitzending volgens [eiser] onrechtmatig zijn omdat hij al door de media zou zijn veroordeeld. Dat is onjuist. De uitzending is derhalve niet onrechtmatig, zodat de grondslag van de vordering tot schadevergoeding ontbreekt. Wat betreft de vordering tot afgifte van gesprekken met [A] stelt Endemol c.s. dat [eiser] daarbij geen rechtmatig belang heeft. Bovendien heeft Endemol c.s. gewichtige redenen om de beelden niet af te geven en is er geen ‘social pressing need’ voor de afgifte. [A] is bovendien een van de bronnen en Endemol c.s. beroept zich aldus op bronbescherming. Wat betreft het plaatsen van de tv-uitzending op YouTube door [pseudoniem] daartegen voert Endemol c.s. het verweer dat zij niemand kent met die naam die aan hen is gelieerd. Bovendien kan zij niet zelf de tv-uitzending verwijderen maar kan zij slechts daartoe een verzoek aan YouTube doen. Voorts kan aan Endemol c.s. niet de verplichting worden opgelegd tot het opvragen en verstrekken van de NAW-gegevens van [pseudoniem] .

Niet-ontvankelijk

4.3.

Endemol c.s. heeft aangevoerd dat [eiser] in zijn vordering jegens Endemol Nederland Mediagroep B.V. niet ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat zij het programma niet heeft geproduceerd of uitgezonden noch een overeenkomst met [gedaagde sub 4] heeft gesloten omtrent de productie van de aflevering. [eiser] heeft dit verweer van Endemol c.s. niet betwist. Gelet daarop is komen vast te staan dat de gronden die [eiser] heeft aangevoerd niet kunnen leiden tot een veroordeling van Endemol Nederland Mediagroep B.V. , zodat [eiser] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering jegens Endemol Nederland Mediagroep B.V.

Spoedeisend belang

4.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering nu de gewraakte tv-uitzending nog altijd op internet, YouTube, te vinden is en [eiser] stelt daardoor (immateriële) schade te lijden.

Onrechtmatige daad

4.5.

Het onrechtmatige karakter van de tv-uitzending is er volgens [eiser] , kort gezegd, in gelegen dat ontlastend ruw beeld- en geluidsmateriaal niet wordt getoond in de tv-uitzending en hij als gevolg daarvan ten onrechte als een opdrachtgever tot huurmoord wordt neergezet. Om deze gang van zaken te kunnen aantonen heeft [eiser] en in reactie daarop vervolgens ook Endemol c.s. beeld- en geluidmateriaal in het geding gebracht. Na al het materiaal te hebben bekeken en gehoord, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat er geen fragmenten te zien en/of te horen zijn die een ander licht op de zaak werpen dan dat [eiser] de opdracht tot een moord zou hebben gegeven, althans dat heeft gepoogd. Dat op het desbetreffende beeld- en geluidsmateriaal te zien en/of te horen is dat sprake zou zijn van een vrijwillige terugtred van [eiser] aangaande de opdracht, zoals [eiser] stelt, is niet gebleken. Eén van de jongemannen is naar [eiser] gegaan om een voorschot te vragen in verband met de aanschaf van een geluidsdemper. [eiser] geeft aan dat hij vooraf heeft gezegd geen geld in het project te stoppen en dat ook nu niet te zullen doen. Hij zegt hiermee te voorkomen dat er met zijn geld vandoor wordt gegaan. Uit het overgelegde beeld- en geluidsmateriaal blijkt dat het feit dat de opdracht tot moord niet wordt voltooid is gelegen in het feit dat [eiser] geen voorschot heeft betaald. Nergens blijkt uit dat [eiser] in een van de beeld- en/of geluidsfragmenten er blijk van heeft gegeven dat hij de opdracht intrekt of dat hij nimmer een opdracht heeft gegeven. Ook valt niet uit de beelden af te leiden dat [eiser] bang zou zijn voor één van de twee jongemannen en daarom ‘het spelletje zou hebben meegespeeld’, integendeel hij komt zeer zakelijk over en heeft over elke stap nagedacht. Of er ander materiaal is dat een ander beeld op de zaak zal werpen, zoals het materiaal dat op de USB-stick staat die is overhandigd aan de raadsheer-commissaris in de strafzaak, kan niet beoordeeld worden. Weliswaar zijn ter zitting delen van hetgeen op die USB-stick te horen en te zien is afgespeeld, echter het doel was - zoals bevestigd door de raadsvrouw van [eiser] -, te horen of het geluid van die USB-stick goed hoorbaar was en of er zou zijn ‘geknoeid’ op het eind van een van de geluidsfragmenten. Het tonen en beluisteren van de beelden en geluidsopnamen had derhalve niet ten doel om de inhoud van hetgeen op die USB-stick staat mee te nemen ter beoordeling van de onderhavige vordering. Bovendien zijn slechts enkele fragmenten getoond en beluisterd, zodat ook gelet daarop geen goed oordeel over het geheel daarvan kan worden gegeven, laat staan of de at random gekozen momenten een reëel beeld kunnen geven van hetgeen [eiser] heeft bedoeld. Dit is bij deze stand van zaken aan de raadsheer-commissaris om te beoordelen. Dat leidt tot het oordeel dat uit de in het geding gebrachte beeld- en geluidsopnamen blijkt dat in de tv-uitzending geen uitlatingen zijn vertoond die - ook in onderlinge samenhang - als onrechtmatig handelen gekwalificeerd kunnen worden. Immers, voor zover de voorzieningenrechter thans heeft kunnen oordelen volgt, zoals gezegd, hetgeen in de tv-uitzending wordt vertoond uit het beschikbare feitenmateriaal en is er thans geen aanleiding te veronderstellen dat (als dat er al zou zijn) ontlastend materiaal achterwege is gelaten.

4.6.

[eiser] stelt voorts dat het feit dat hij minutenlang herkenbaar en volledig in beeld is, jegens hem onrechtmatig is. Uitgangspunt is echter dat het tonen van herkenbare beelden rechtmatig is. Dit kan in uitzonderlijke gevallen anders zijn indien bijvoorbeeld iemands recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer in het gedrang komt. Het is in beginsel aan - in dit geval - [gedaagde sub 4] om de vorm van zijn programma te bepalen. Zijn redactie heeft ervoor gekozen om [eiser] herkenbaar te tonen in de tv-uitzending. Bij de beantwoording van de vraag of [gedaagde sub 4] gebruik had mogen maken van de heimelijk opgenomen beelden zonder dat [eiser] onherkenbaar werd gemaakt (bijvoorbeeld door middel van ‘blurren’ of ‘wipen’) dient een afweging gemaakt te worden tussen twee fundamentele rechten. Enerzijds de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van [eiser] en anderzijds de vrijheid van meningsuiting van Endemol c.s. De misstand die in de tv-uitzending naar voren wordt gebracht, is echter naar het oordeel van de voorzieningenrechter van zodanige ernst dat gesproken kan worden van een ‘matter of public interest’. [gedaagde sub 4] heeft in zijn hoedanigheid van misdaadverslaggever de taak om deze misstand ter kennis van het publiek te brengen. Hij mag, gelet op zijn hoedanigheid van misdaadjournalist, in grote mate zelf bepalen op welke wijze hij de verkregen beelden in zijn programma wil gebruiken. Hij dient daarbij echter wel de belangen van - in dit geval - [eiser] in het oog te houden. Het tonen van de lichaamstaal van [eiser] (onder meer het op het oog ontspannen eten van een boterham terwijl hij praat over het plegen van een moord, het maken van een schietgebaar, het hebben van een zakelijke ‘er valt niet met mij te spotten’ houding) en derhalve [eiser] tonen in herkenbare vorm is voor de berichtgeving van deze misstand aan het publiek van belang. Ook de rechtbank heeft uit de lichaamstaal van [eiser] (mede) afgeleid welke bedoeling [eiser] zou hebben gehad en heeft hem voor het ten laste gelegde feit ook veroordeeld. Het is daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onrechtmatig om [eiser] volledig herkenbaar in beeld te laten komen.

4.7.

Bovendien heeft [eiser] de gelegenheid gehad, middels zijn toenmalige advocaat in de strafzaak mr. Plasman, om de tv-uitzending voorafgaand aan de uitzending te bekijken en daarop middels het geven van een interview daarop een reactie te geven. Bovendien had [eiser] een kort geding aanhangig kunnen maken om de uitzending te voorkomen en dat heeft hij nagelaten. De verklaring van mr. Plasman, in reactie op het e-mailbericht van [gedaagde sub 4] van 20 juli 2015, geeft in die zin de doorslag dat daaruit kan worden afgeleid dat hij de uitzending heeft bekeken en dat hij heeft gezien dat [eiser] herkenbaar in beeld kwam. Anderszins is niet gebleken. De verklaring van [eiser] maakt dat oordeel niet anders. Endemol c.s. mocht ervan uitgaan dat de rechten van [eiser] met het tonen van de beelden aan zijn toenmalige advocaat, voldoende gewaarborgd waren.

4.8.

Vorenstaande leidt ertoe dat niet aannemelijk is dat de rechter in de bodemprocedure zal oordelen dat Endemol c.s. door de wijze waarop de tv-uitzending is gemonteerd en deze uit te zenden, onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld.

4.9.

Buiten dat [eiser] in deze procedure niet aannemelijk heeft gemaakt dat Endemol c.s. onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] , is met betrekking tot de vordering onder III en IV mede van belang dat de enkele stelling van [eiser] dat Endemol c.s. de hand heeft gehad in het plaatsen van de tv-uitzending op YouTube onvoldoende is om de vordering tot verwijdering toe te wijzen. Immers, [eiser] heeft op geen enkele wijze aangegeven waarop zijn stelling is gebaseerd, anders dan dat [pseudoniem] een anonieme publicist zou zijn die gelieerd is aan Endemol c.s. met als onderbouwing dat een woord in de titel in de op YouTube geplaatste tv-uitzending zou zijn veranderd. Bovendien betwist Endemol c.s. dat [pseudoniem] aan Endemol c.s. is gelieerd. Dat Endemol c.s. auteursrechthebbende is van de beelden, doet aan het vorenstaande evenmin af. Endemol c.s., specifiek Endemol Nederland B.V. en SBS Broadcasting B.V., heeft overigens ter zitting aangeboden dat zij een verzoek zullen doen tot het blokkeren van de desbetreffende tv-uitzending op YouTube. Daarmee heeft [eiser] naar het oordeel van de voorzieningenrechter bovendien geen belang meer bij zijn vordering. De vordering tot het opvragen van de persoonsgegevens van [pseudoniem] zal gelet op het vorenstaande eveneens worden afgewezen.

4.10.

Gelet op het vooroverwogene zal de vordering onder I, III en IV worden afgewezen.

Afgifte van al het ruwe beeld- en geluidsmateriaal van de tv-uitzending met betrekking tot de gesprekken die zijn gevoerd tussen de redactie van [gedaagde sub 4] en het vermeende slachtoffer [A]

4.11.

[eiser] verzoekt om afgifte van voornoemd ruw beeld- en geluidsmateriaal met betrekking tot het gesprek met [A] . [eiser] heeft echter onvoldoende gemotiveerd gesteld waarom hij om afgifte van die beelden verzoekt. Eén van de vereisten van artikel 843a Rv is dat [eiser] een rechtmatig, dat wil zeggen een direct en concreet, belang moet hebben bij zijn vordering. Daarvoor dient hij voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit zijn belang blijkt. De stellingen die [eiser] inneemt, zien nagenoeg allemaal op het vermeende belang dat hij stelde te hebben op afgifte van het ruwe beeld- en geluidsmateriaal zoals bedoeld was met de ingetrokken vordering II, onder A, sub a en b. Waarom [eiser] een rechtmatig belang heeft bij afgifte van het ruwe beeld- en geluidsmateriaal met betrekking tot het interview met [A] blijft onderbelicht. Nu (in deze civielrechtelijke procedure) is geoordeeld dat niet aannemelijk is dat sprake is onrechtmatig handelen jegens [eiser] onder meer door de wijze waarop de tv-uitzending is gemonteerd, welke beelden en geluidsopnamen daarbij zijn gebruikt, heeft [eiser] geen rechtmatig belang bij afgifte zoals gevorderd. Voor zover het belang van [eiser] erin is gelegen dat hij in het kader van zijn strafproces belang heeft bij afgifte, heeft [eiser] niet gesteld wat hij verwacht dat op de beelden staat of aannemelijk gemaakt dat het ontlastend materiaal betreft dat voor het verloop van de strafzaak van belang kan zijn en dat [eiser] bij weigering van de afgifte onredelijk nadeel lijdt. Ook heeft [eiser] niet gesteld dat hij dit materiaal niet door middel van de strafrechtelijke procedure in zijn strafzaak in kan brengen. Dit geldt te meer nu het gerechtshof Amsterdam niet het ruwe beeldmateriaal heeft opgevraagd van het interview met [A] . Het gerechtshof Amsterdam heeft daarentegen wel aangegeven dat zij in het bezit wilde komen van de gesprekken tussen [gedaagde sub 4] en de twee jongemannen. Er is in tegenstelling tot hetgeen [eiser] betoogt nimmer een bevel ex artikel 126nd Sv gegeven. Voor zover [eiser] stelt dat het gerechtshof (op een andere wijze) in het bezit wilde komen van het gesprek met [A] , slaagt deze stelling niet. Die stelling stuit af op hetgeen het gerechtshof heeft overwogen. Ook in voornoemde zin heeft [eiser] derhalve geen rechtmatig belang bij afgifte. Dat leidt ertoe dat de vordering ex artikel 843a Rv - vordering II, onder A, sub c - zal worden afgewezen. Daaraan is inherent dat vordering II onder B en C ook zullen worden afgewezen.

Dwangsom

4.12.

Aan de afwijzing van de vordering onder II, III en IV is eveneens inherent dat de vordering onder V, zijnde de dwangsom, zal worden afgewezen.

Conclusie

4.13.

Gelet op het vorenstaande zal de vordering jegens Endemol Nederland B.V. , SBS Broadcasting en [gedaagde sub 4] geheel worden afgewezen.

Proceskosten

4.14.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Endemol c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 3.864,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 4.680,00

4.15.

De nakosten, waarvan [eiser] betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering jegens Endemol Nederland Mediagroep B.V. ,

5.2.

wijst de vorderingen jegens Endemol Nederland B.V. , SBS Broadcasting B.V. en [gedaagde sub 4] af,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Endemol c.s. tot op heden begroot op € 4.680,00,

5.4.

veroordeelt [eiser] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Endemol c.s. volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,00 aan salaris advocaat,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.5.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Penders en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2015.1

1 type: IL/4303 coll: