Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5962

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-08-2015
Datum publicatie
10-08-2015
Zaaknummer
C/16/395025 / HA RK 15-154
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

zittingslocatie Lelystad

Rekestnummer: C/16/395025 / HA RK 15-154

Beslissing van 7 augustus 2015 van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken

op het verzoek in de zin van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

verzoeker,

gemachtigde mr. T.C. Schouten.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de politierechter van 23 juni 2015

  • -

    de e-mail van 2 juli 2015 van mr. C.A.M. van Straalen

  • -

    de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 24 juli 2015

  • -

    de ter zitting overgelegde aantekeningen van mr. Schouten.

1.2.

Bij de mondelinge behandeling is mr. Schouten, de gemachtigde van verzoeker, verschenen. Verzoeker zelf is niet verschenen. De rechter tegen wie het verzoek zich richt en mr. R. van de Beek, officier van justitie, zijn niet verschenen.

1.3.

Bij aanvang van de mondelinge behandeling heeft mr. Schouten namens verzoeker verzocht om uitstel van de behandeling vanwege de medische situatie van haar cliënt en de omstandigheid dat zijn begeleider tijdens de mondelinge behandeling niet aanwezig kan zijn.

1.4.

Dit verzoek is door de rechtbank niet gehonoreerd. Een wrakingsverzoek wordt zo spoedig mogelijk behandeld. Verzoeker heeft zijn medische situatie onvoldoende onderbouwd. Verder is het al dan niet ter zitting aanwezig kunnen zijn van een persoonlijke begeleider in beginsel een omstandigheid die in de risicosfeer van verzoeker ligt. Hetgeen namens verzoeker naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. De gemachtigde van verzoeker heeft desgevraagd verklaard het wrakingsverzoek inhoudelijk te kunnen toelichten. De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen geven.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek is gericht tegen mr. C.A.M. van Straalen, politierechter in de procedure tegen verzoeker.

2.2.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting volgt dat verzoeker als wrakingsgrond heeft aangevoerd dat de politierechter heeft geweigerd om de gezinsvoogd van het Landelijk Expertise Team Jeugdbescherming, die aangifte tegen verzoeker heeft gedaan, uit de zittingzaal te verwijderen.

2.3.

Mr. Van Straalen heeft niet berust in de wraking. Zij heeft aangegeven dat het een openbare zitting betrof en dat haar beslissing haar onpartijdigheid niet heeft geraakt.

3 De beoordeling

3.1.

Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm gegeven door artikel 6 EVRM en door artikel 512 Sv, dit alles in samenhang met de door de Hoge Raad en de door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Uitgangspunt is dat een ieder recht heeft op een behandeling van zijn zaak door een onpartijdige rechter. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien objectief bepaalde feiten of omstandigheden de rechtzoekende grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

3.2.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van rechterlijke onpartijdigheid in de hiervoor bedoelde zin dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

3.3.

De enkele weigering van de politierechter om de gezinsvoogd uit de zaal te laten verwijderen levert geen grond voor wraking op. Het betrof een openbare zitting waarbij belanghebbenden en belangstellenden het recht hebben aanwezig te zijn. Gesteld noch gebleken is dat zich op de zitting of daarbuiten omstandigheden hebben voorgedaan op grond waarvan van dit wettelijk uitgangspunt ten aanzien van de gezinsvoogd had moeten worden afgeweken. Daarom valt niet in te zien dat uit de weigering om de gezinsvoogd te verwijderen uit de zittingszaal vooringenomenheid blijkt van de politierechter jegens verzoeker, althans dat deze weigering de bij verzoeker bestaande vrees voor vooringenomenheid objectief zou rechtvaardigen.

3.4.

Op de mondelinge behandeling heeft de raadsvrouwe namens verzoeker het verzoek tot wraking toegelicht met feiten en omstandigheden die niet uit het wrakingsdossier blijken. Voor zover verzoeker met deze toelichting beoogd heeft zijn wrakingsgronden aan te vullen, betreft dit een niet-toelaatbare aanvulling die buiten beschouwing moet blijven. Verzoeker is immers verplicht om alle feiten en omstandigheden die hem tot zijn verzoek tot wraking brengen, tegelijk voor te dragen.

3.5.

In het geval de op de mondelinge behandeling gegeven nadere toelichting slechts zou dienen als een schets van de context waarin verzoeker tot zijn verzoek tot wraking is gekomen, leidt dit niet tot een ander oordeel dan hierboven onder 3.3. al is gegeven. Met die nadere toelichting is immers nog steeds niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan de politierechter aan de gezinsvoogd het recht op het bijwonen van de zitting had moeten ontzeggen. Hetgeen door verzoeker daartoe is aangevoerd is in ieder geval onvoldoende.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst het verzoek tot wraking af,

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker en mr. Van Straalen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling strafrecht en de president van deze rechtbank,

4.3.

bepaalt dat de procedure met parketnummer 16/058486-15 dient te worden voorgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. A. van Holten, mr. S.M. van Lieshout en mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2015.