Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5960

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-08-2015
Datum publicatie
10-08-2015
Zaaknummer
16.659602-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordelingen voor meerdere oplichtingen. De rechtbank legt gevangenisstraffen op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16.659602-13 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 7 augustus 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1992] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting dat heeft plaatsgevonden op 24 juli 2015.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door haar raadsvrouw mr. K.N. Holtrop, advocaat te Lelystad.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.J. Lambers en van de standpunten door de raadsvrouw van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 26 juni 2013 in de gemeente Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen in/uit een woning (gelegen aan de [adres] aldaar) een portemonnee inhoudende 625 euro, in elk geval enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever 2] en/of [aangever 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat zij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- die [aangever 2] (meermalen) (met kracht) op het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of (meermalen) (met kracht) tegen het lichaam heeft/hebben geschopt/getrapt (waarbij die [aangever 2] ten val is gekomen), en/of

- (terwijl die [aangever 2] op de grond lag) die [aangever 2] (meermalen) tegen het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben getrapt, en/of

- aan die [aangever 2] heeft/hebben gevraagd: "Waar is het geld?", althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of

- dreigend aan die [aangever 2] de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Ik ga je dood maken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- die [aangever 1] (meermalen) (met kracht) op/tegen het hoofd heeft/hebben geslagen/gestompt, en/of

- tegen die [aangever 1] heeft/hebben gezegd: "Geef geld", althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of

- voornoemde portemonnee uit de hand(en) van die [aangever 1] heeft/hebben gegrist en/of gepakt;

2.

Primair

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 februari 2014 tot en met 7 februari 2014 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een hoeveelheid kledingstukken, in elk geval enig goed, dat / die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [naam] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of haar mededader(s), en welk(e) goed(eren) verdachte en / of haar mededader(s) uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking van / als medewerker/department manager in opleiding, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Subsidiair

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 februari 2014 tot en met 7 februari 2014 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid kledingstukken, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of haar mededader(s).

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de feiten 1 en 2 primair wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie gewezen op de verklaringen van aangevers [aangever 2] en [aangever 1] , die vanaf het begin hebben verklaard te zijn aangevallen door vier jongens en een meisje, waarbij geld is weggenomen. Voorts heeft de officier van justitie gewezen op de getuigenverklaring van [getuige 1] , de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] op pagina 28 dat zij al schreeuwend de woning zijn ingegaan en de verklaring van verdachte [verdachte] .

Voor feit 2 gaat de officier van justitie uit van de eerste verklaring van [getuige 2] . Uit het proces-verbaal van bevindingen en de camerabeelden blijkt dat niet alle goederen zijn gescand en volgens de [naam] wordt er geen korting van 70% gegeven.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van de haar ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1 heeft zij opgemerkt dat verdachte alleen mee was om haar broer te brengen. Toen zij tumult hoorde en een kind hoorde schreeuwen is zij naar binnen gegaan om [aangever 1] en het kind te beschermen. Dat verdachte gezegd heeft dat [aangever 1] het geld moest geven is verklaarbaar omdat zij de situatie probeerde te sussen.

Verdachte heeft [aangever 1] niet aangeraakt.

De verklaringen van de aangevers zijn niet betrouwbaar omdat deze telkens wisselen.

Verdachte is geen medepleger.

Ten aanzien van feit 2 heeft zij aangegeven dat verdachte een relatie had met [getuige 2] die bij de [naam] floormanager was. [getuige 2] had verdachte verteld dat zij twee keer per jaar een grote korting kon geven. Verdachte had geen reden om daaraan te twijfelen. Verdachte had de indruk dat alles was aangeslagen. Zij heeft betaald wat zij dacht verschuldigd te zijn. Binnen één week heeft [getuige 2] een tweede, ontlastende, verklaring afgelegd.

Het oordeel van de rechtbank1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [aangever 2] en [aangever 1] voldoende betrouwbaar zijn. De tegenstrijdigheden waar de raadsvrouw op wijst betreffen slechts (kleine) verschillen in hetgeen is weergegeven in de processen-verbaal van bevindingen van de verbalisanten over hetgeen aangevers vlak na het incident zouden hebben verteld en de verklaringen van de aangevers zoals deze later die dag zijn afgelegd op het politiebureau. Voor zover er verschillen bestaan zijn deze niet van dien aard dat dit de rechtbank aan de betrouwbaarheid doet twijfelen.

De verklaringen zullen dan ook voor het bewijs worden gebruikt.

Feit 1

Aangeefster [aangever 1] heeft ten aanzien van feit 1 het volgende verklaard: “(…) Dit was op 26 juni 2013 omstreeks 13:00 uur. Toen was [medeverdachte 1] bij mij aan de deur.

Ik ontving 370 euro van hem. (…) [medeverdachte 1] werd toen boos en zei ik wil mijn geld terug. (…) Ongeveer anderhalf uur later ongeveer werd er de hele tijd aangebeld aan onze voordeur.2 (…) Nadat de deur geopend was, bevond ik mij in de voordeuropening samen met [aangever 2] . Ik zag dat op de trap naar mijn voordeur toe, vier jongens renden. Ik zag dat deze vier jongens [aangever 2] op de grond bewerkt hadden en ik zag dat ze alle vier op hem aan inslaan waren. Ik zag dat ze dit met gebalde vuisten deden en ook dat ze hem aan het schoppen waren. Ik zag dat de jongens die dit deden voldeden aan het volgende signalement:

(…)

Een negroïde jongen welke we kennen onder de naam [medeverdachte 1]

(…)

Ik (…) zag een voor mij onbekend meisje. Dat meisje zei tegen mij: “Geef me het geld (…)” Vervolgens voelde ik dat dit meisje mij opzettelijk aan mijn haren trok. Ik liep naar de bank terwijl dit meisje mij aan mijn haren bleef trekken. (…) Inmiddels was [medeverdachte 1] erbij gekomen. (…) Vervolgens zag en voelde ik dat [medeverdachte 1] opzettelijk en met kracht mij een stomp tegen mijn rechteroog gaf. Ik voelde hierdoor pijn aan mijn oog. (…) ik voelde wel dat [medeverdachte 1] of dat meisje mijn portemonnee uit mijn handen wegtrok. (…) Ik hoorde [medeverdachte 1]3 toen zeggen: “Wil je dat ik je nog een keer sla” (…) Ik zag dat het linkeroor van [aangever 2] bebloed was en ik zag dat hij een grote bult achter zijn oren had. Mijn oog was helemaal blauw en dik.

(…) In mijn portemonnee zat totaal 625 euro (…)4

Aangever [aangever 2] heeft verklaard: “Op woensdag 26 juni 2013 ben ik overvallen in de woning van mijn vriendin genaamd [aangever 1] . Dit betreft de woning [adres] . (…) De deurbel ging nog een keer en toen heb ik de deur geopend. Ik zag een blanke jongen (…). Ik had deze jongen eerder gezien in bijzijn van [medeverdachte 1] . 5(…) Ik werd bij mijn t-shirt gepakt door [medeverdachte 1] . (…) Ik voelde dat ik een klap kreeg in mijn gezicht op mijn linker jukbeen. Ik zag dat dit ook gedaan werd door [medeverdachte 1] . Ik heb meerdere klappen en schoppen gehad dus ik weet niet meer wie wat precies heeft gedaan maar [medeverdachte 1] heeft de eerste klap in mijn gezicht gegeven. (…) Voor ik het wist lag ik met mijn hoofd op een traptree. (…) Ik werd door iedereen geschopt op mijn hoofd. Ik denk dat ik vijf tot zes keer achter elkaar op mijn hoofd ben geschopt en geslagen. [medeverdachte 1] vroeg mij meerdere malen waar het geld was. (…) Ik zag dat [medeverdachte 1] naar binnen rende en toen kwam die blanke jongen naar mij toe. Ik hoorde dat hij tegen mij zei dat hij mij dood ging maken. (…)Ondertussen hoorde ik [aangever 1] in de woning gillen. Ik zag dat [medeverdachte 1] en zijn zusje, [verdachte] , naar buiten komen. (…) ik zag dat [aangever 1] aan het huilen was. zij vertelde mij dat [medeverdachte 1] haar geslagen had op haar oog en dat [verdachte] haar aan haar had getrokken. (…) Ik zag toen dat ik een bult achter mijn linkeroor had. (…)

V: Wat is er gestolen?

A: De portemonnee van [aangever 1] met daarin 625 euro.6

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard: “V: Wat is er gisteren 26 juni 2013 precies gebeurd? A: (…) er was gewoon een ruzie. Zij had geld van mij. (…) 7Ik ben toen met [medeverdachte 2] (…) naar [aangever 1] gegaan. (…) er ontstond een bepaalde wrijving. (…) Er was bekvechten. (…) We zijn al schreeuwend de woning in gegaan. V: Waar was [naam] op dat moment? A: In de gang of buiten. Hij stond denk ik met [medeverdachte 2] en.. volgens mij te bekvechten.”8

Verdachte [verdachte] heeft verklaard: “Mijn broer moest naar [aangever 1] toe om daar geld op te halen. Ik heb mijn broer bij haar woning afgezet.(…) Ik hoorde vervolgens een hoop geschreeuw9 bij de woning (…) Ik (…) ben daarom ook de woning binnen gegaan. Ik zag de jongens met elkaar vechten. (…) [medeverdachte 1] en [aangever 1] hadden een discussie over het geld. Ik hoorde dat [medeverdachte 1] tegen haar zei: “ik wil mijn geld, ik wil mijn geld.” (…) Ik zei nog tegen haar geef het geld dan ben je ervan af.”10

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard: “Ik was daar omdat ik met [medeverdachte 1] naar die woning ging omdat hij geld zou krijgen van de bewoners. Ik heb aangebeld en een jongen deed open. (…) Ik weet niet waarom [medeverdachte 1] de woning in rende.”11

Uit de verklaringen van verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] blijkt dat [medeverdachte 1] naar aangevers wilde om geld op te halen waarvan hij vond dat dit hem toebehoorde. [medeverdachte 2] en [verdachte] gingen mee. Uit de verklaringen van aangevers leidt de rechtbank af dat op gewelddadige wijze een portemonnee met inhoud afhandig is gemaakt van aangeefster. Dat [medeverdachte 1] een deel van het geld dat in die portemonnee zat mogelijk verstrekt had, maakt niet dat (voor het overige) geen goed is weggenomen dat aan aangevers toebehoorde. Tevens is bij die gelegenheid door meerdere personen geweld gebruikt tegen aangever [aangever 2] , alles met het kennelijke doel om geld mee te kunnen nemen. Uit de verklaringen van de aangevers blijkt dat ook verdachte een aandeel heeft gehad in het geweld. De verklaring van verdachte [verdachte] dat zij juist [aangever 1] heeft proberen te helpen vindt de rechtbank, gelet op het door verdachte toegepaste geweld, niet geloofwaardig.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat door alle verdachten een significante bijdrage is geleverd aan het incident bij en in de woning van aangevers. Daarbij is uiteindelijk een portemonnee met geld weggenomen, waarbij alle verdachten op voorhand wisten dat het terughalen van geld het doel van het bezoek was. Hoewel niet alle handelingen jegens de beide aangevers door alle verdachten zijn gepleegd, zijn deze toch aan alle verdachten toe te rekenen. Immers, door mee te gaan met het doel om geld terug te halen, waarbij direct geweld wordt gebruikt door één van de verdachten, gevolgd door geweld en bedreigende teksten door (ook) andere verdachten zonder zich aan de situatie te onttrekken, werkt elk van de verdachten in nauwe en bewuste samenwerking mee aan het realiseren van het uiteindelijke doel, het wegnemen van geld. Alle verdachten zijn dan ook als medepleger aan te merken.

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen op de wijze die hierna onder 5 is omschreven.

Feit 2

Namens de [naam] is aangifte gedaan. Verdachte ontkent het tenlastegelegde.

Door [A] , die zelf ook als verdachte is aangemerkt ten aanzien van dit feit, is in eerste instantie een (voor verdachte) belastende verklaring afgelegd, maar na een week is door [A] een (gedeeltelijk) ontlastende verklaring voor verdachte afgelegd.

Hoewel de rechtbank twijfels heeft over de oprechtheid van de verklaringen van verdachte en van [A] , is er thans onvoldoende overtuigend bewijs om tot een veroordeling te komen. Verdachte zal daarom van het onder 2 primair en subsidiair worden vrijgesproken.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 26 juni 2013 in Almere tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen in een woning (gelegen aan de [adres] aldaar) een portemonnee inhoudende enig geldbedrag, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en haar mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [aangever 2] en/of [aangever 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat zij, verdachte, en/of haar mededaders

- die [aangever 2] meermalen op het hoofd en het lichaam heeft/hebben geslagen en gestompt en meermalen tegen het lichaam heeft/hebben geschopt waarbij die [aangever 2] ten val is gekomen, en

- terwijl die [aangever 2] op de grond lag die [aangever 2] meermalen tegen het hoofd en het lichaam heeft/hebben getrapt, en

- aan die [aangever 2] heeft/hebben gevraagd: "Waar is het geld?", en

- dreigend aan die [aangever 2] de woorden heeft toegevoegd: "Ik ga je dood maken", en

- die [aangever 1] tegen het hoofd heeft/hebben geslagen, en

- tegen die [aangever 1] heeft/hebben gezegd: "Geef geld", en

- voornoemde portemonnee uit de hand(en) van die [aangever 1] heeft/hebben gegrist.

Van het onder 1 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank heeft in de bewezenverklaring een aantal kennelijke schrijffouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstalvoor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

7 STRAFBAARHEID

Het feit en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van een op te leggen straf aangegeven dat er rekening moet worden gehouden met de ouderdom van de feiten en met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De raadsvrouw heeft verzocht te volstaan met het opleggen van een werkstraf.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal met geweld.

Deze diefstal heeft plaatsgevonden in de woning van de slachtoffers. De woning is bij uitstek de plaats waar iemand zich veilig moet kunnen voelen. Door te handelen zoals verdachte gedaan heeft, ontstaan grote gevoelens van onveiligheid in de maatschappij.

De rechtbank heeft rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van 1 juni 2015 waaruit blijkt dat zij in 2008 een transactie heeft gehad voor een winkeldiefstal.

De rechtbank is van oordeel dat een werkstraf een passende sanctie is voor verdachte. De hoogte van de op te leggen werkstraf is iets gematigd ten opzichte van de eis van de officier van justitie, nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van feit 2 komt. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen om haar er van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Gelet op het tijdsverloop zal de rechtbank een proeftijd van 1 jaar opleggen.

9 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [aangever 2] (vertegenwoordigd door mr. J.M.M. Heilbron te Amsterdam), zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 2.801,48.

Het standpunt van de officier van justitie

De vordering van [aangever 2] moet wat betreft de immateriële schade gematigd worden tot € 1.500,00. Voor het overige kan de vordering worden toegewezen met wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard moet worden in zijn vordering. Het is niet duidelijk welk geldbedrag is weggenomen en de immateriële schade is niet onderbouwd.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij

[aangever 2] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 1 bewezen verklaarde feit.

De rechtbank acht een immateriële schadevergoeding van € 500,00 passend.

De kosten voor de hechting zijn onvoldoende onderbouwd, zodat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De vordering kan voor dit deel slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De overige materiële kosten komen wel voor vergoeding in aanmerking.

De hoogte van de schade is derhalve genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 731,48, bestaande uit € 500,00 immateriële schade en € 231,48 materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is tot dat bedrag toewijsbaar.

De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom en wettelijke rente ten behoeve van de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 36f, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen onder 2 primair en subsidiair aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 1 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar, zodanig als hierboven onder 6 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- legt aan verdachte op een werkstraf voor de duur van 180 uren;

- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 90 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren werkstraf;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren werkstraf per dag;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden;

- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 jaar niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partij

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2] , wonende te Almere, van een bedrag van € 731,48, (zegge: zevenhonderdéénendertig euro en achtenveertig cent), bestaande uit € 500,00 immateriële schade en € 231,48 materiële schade, hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover verdachtes mededaders betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 26 juni 2013, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 731,48 en de wettelijke rente ten behoeve van het slachtoffer [aangever 2] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 14 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien de verdachte en/of haar mededaders (gedeeltelijk) heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte en/of zijn mededaders (gedeeltelijk) heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mrs. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn en R.C.J. Elte-Hamming, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.T. Feenstra, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 augustus 2015.

Mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL2540-2013046564, doorgenummerd 1 tot en met 148.

2 Pagina 90 (dossier feit 1).

3 Pagina 91 (dossier feit 1).

4 Pagina 92 (dossier feit 1).

5 Pagina 71 (dossier feit1).

6 Pagina 72 (dossier feit 1).

7 Pagina 26 (dossier feit 1).

8 Pagina 28 (dossier feit 1).

9 Pagina 67 (dossier feit 1).

10 Pagina 68 (dossier feit 1).

11 Proces-verbaal van verhoor door d rechter-commissaris mr. R.M. Berendsen op 28 juni 2013, inhoudende een verklaring van verdachte [medeverdachte 2] .