Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5942

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
27-08-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 7690
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiser primair de straf van ontslag opgelegd, omdat sprake is van ernstig plichtsverzuim als bedoeld in artikel 76, tweede lid, van het Barp. Subsidiair heeft verweerder eiser op grond van artikel 94, eerst lid, aanhef en onder g, van het Barp ontslag opgelegd wegens ongeschiktheid voor het politieambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

Eiser erkent dat hij nevenwerkzaamheden heeft verricht tijdens het ziekteverzuim en is onbetwist gebleven dat eiser dit niet aan verweerder heeft gemeld en dat eiser verlofdagen heeft opgenomen zonder voorafgaande toestemming.

De kern van de aan eiser verweten gedraging is niet zozeer dat eiser nevenwerkzaamheden heeft verricht tijdens zijn ziekte maar dat hij heeft nagelaten daarover achteraf en vanaf zeker moment ook vooraf volledige duidelijkheid aan verweerder te geven. De rechtbank is van oordeel dat de opdracht die eiser is opgelegd om zijn nevenwerkzaamheden bij verweerder te melden een redelijke opdracht is. Aan eiser is deze opdracht bij herhaling kenbaar gemaakt en hij is ook meerdere keren gewezen op het feit dat het niet nakomen van de opdracht disciplinaire gevolgen zou hebben. Eiser heeft stelselmatig en structureel geen gevolg gegeven aan de opdrachten van verweerder. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat eiser door zijn nevenwerkzaamheden niet tijdig bij verweerder te melden de regels met betrekking tot het ziekteverzuim en re-integratie heeft overschreden en daardoor verweerder de kans heeft ontnomen om te beoordelen of deze nevenwerkzaamheden zijn herstel in de weg zouden staan. Eiser heeft voorts niet betwist dat hij zonder voorafgaande toestemming in de periode van 25 december 2013 tot en met 15 januari 2014 meerdere dagen verlof heeft opgenomen, terwijl hij dat wel had moeten vragen. De rechtbank is van oordeel, zoals verweerder heeft gesteld, dat eiser door dit na te laten heeft gehandeld in strijd met de regels omtrent vakantie en verlof. Deze gedragingen leveren naar het oordeel van de rechtbank plichtsverzuim op als bedoeld in artikel 76, tweede lid, van het Barp en zijn, gezien de aard en de omvang daarvan, aan te merken als ernstig plichtsverzuim.

Eiser heeft niet onderbouwd dat sprake was van omstandigheden die zijn handelen zodanig beïnvloedden dat de hem verweten gedragingen hem niet kunnen worden toegerekend.

De rechtbank is van oordeel dat de straf van ontslag met onmiddellijke ingang in dit geval evenredig is. De vraag of sprake is van een dringende reden om eiser te ontslaan speelt in dit geval geen rol.

Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 14/7690

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juli 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: W.J.M.M. van Meer),

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Franssen-Rabbering).

Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder met onmiddellijke ingang aan eiser primair de straf van ontslag opgelegd. Subsidiair is aan eiser ontslag verleend wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

Bij besluit van 18 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is namens verweerder verschenen [A] , beslismedewerker.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder de gelegenheid te geven te reageren op het door eiser bij brief van 31 maart 2015 overgelegde EDI-FACT bericht van 3 maart 2015. Verweerder heeft hierop gereageerd bij brief van 28 april 2015. Nadat partijen de rechtbank toestemming hebben gegeven uitspraak te doen zonder nadere zitting heeft de rechtbank bij brief van 13 mei 2015 het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser is sinds 1 juli 1997 in dienst bij verweerder. Op 2 november 2010 heeft eiser toestemming gekregen om nevenwerkzaamheden te verrichten voor zijn eigen bedrijf “ [bedrijf] ” voor de periode van twee jaar, derhalve tot 2 november 2012. Vanaf september 2012 is er sprake geweest van diverse perioden van arbeidsongeschiktheid.

2. Verweerder heeft eiser primair de straf van ontslag opgelegd, omdat sprake is van ernstig plichtsverzuim als bedoeld in artikel 76, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Eiser heeft meermaals tijdens ziekteverzuim nevenwerkzaamheden verricht, zonder dit eens bij verweerder te melden. Daarnaast heeft eiser in de periode van 25 december 2013 tot en met 15 januari 2014 meerdere dagen verlof opgenomen zonder hiervoor vooraf toestemming te vragen en te hebben gekregen. Subsidiair heeft verweerder eiser op grond van artikel 94, eerst lid, aanhef en onder g, van het Barp ontslag opgelegd wegens ongeschiktheid voor het politieambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken, nu eiser meerdere malen op zijn gedrag is aangesproken en er afspraken zijn gemaakt, maar eiser zich daar niet aan heeft gehouden. Bij eiser ontbreekt het volgens verweerder aan de juiste eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van zijn functie is vereist.

3. Eiser erkent dat hij nevenwerkzaamheden heeft verricht voor zijn eigen bedrijf " [bedrijf] ". Verweerder heeft hem hiervoor op 2 november 2010 toestemming verleend. Eiser zat niet lekker in zijn vel, heeft zich hierdoor meerdere malen bij verweerder ziek gemeld en is hiervoor bij een psycholoog in behandeling geweest. De psycholoog adviseerde hem dingen te doen waar hij plezier aan beleefde en die hem rust en ontspanning gaven. Zijn nevenwerkzaamheden boden hem dit, wat de reden is dat eiser deze nevenwerkzaamheden is gaan verrichten tijdens zijn ziekteverzuim. Hij heeft hierbij altijd rekening gehouden met het feit dat hij politieagent is. Verweerder heeft geen contact gelegd met de psycholoog van eiser. Eiser betreurt dat hij niet open en transparant is geweest, maar heeft wel foto’s op zijn niet afgeschermde Facebook-pagina gezet, waaruit blijkt dat hij op geen enkele wijze de intentie had de nevenwerkzaamheden voor verweerder verborgen te houden. Eiser stelt dat het re‑integratieproces zwaar was. Eiser stelt verder dat verweerder met hem weinig tot geen contact heeft opgenomen tijdens zijn herstel. Daarom is het niet realistisch dat verweerder de kans is ontnomen te kunnen beoordelen of de nevenwerkzaamheden aan eisers herstel in de weg hebben gestaan. Ter onderbouwing van zijn medische gesteldheid heeft eiser een EDI‑FACT bericht overgelegd van 3 maart 2015.

4. Op de arbeidsverhouding tussen eiser en verweerder zijn de volgende bepalingen van toepassing.

Artikel 76, eerste lid, van het Barp bepaalt dat de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt disciplinair gestraft kan worden. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen omvat.

Op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp kan de straf van ontslag worden opgelegd.

Artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp bepaalt, voor zover relevant, dat anders dan op aanvraag van de ambtenaar, de ambtenaar bij wijze van straf kan worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

5. Uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 april 1994 (ECLI:NL:CRVB:1994:ZB5027), volgt dat bij de beoordeling van een disciplinair ontslag wegens plichtsverzuim een antwoord moet worden gegeven op de volgende vragen:

- Heeft de ambtenaar de gedraging verricht c.q. is voldoende aannemelijk geworden dat de ambtenaar de gedragingen heeft verricht?

- Kunnen de gedragingen worden gekwalificeerd als plichtsverzuim?

- Kunnen de gedragingen de ambtenaar worden toegerekend?

- Is de opgelegde straf evenredig aan het gepleegde plichtsverzuim?

6. De rechtbank stelt vast dat eiser de hem verweten gedragingen niet betwist. Zo erkent eiser dat hij nevenwerkzaamheden heeft verricht tijdens het ziekteverzuim en is onbetwist gebleven dat eiser dit niet aan verweerder heeft gemeld en dat eiser verlofdagen heeft opgenomen zonder voorafgaande toestemming. De rechtbank ziet zich derhalve primair voor de vraag gesteld of de verweten gedragingen kunnen worden aangemerkt als (ernstig) plichtsverzuim.

7. In oktober 2012 zijn bij verweerder signalen binnengekomen dat eiser tijdens zijn ziekteverzuim, sinds september 2012, zijn nevenwerkzaamheden heeft voortgezet. Eiser is hier op 25 oktober 2012 door verweerder op aangesproken en heeft erkend nevenwerkzaamheden te hebben verricht. Dit punt heeft ook gespeeld in de beoordeling van 29 november 2012. Eiser heeft een waarschuwingsbrief van verweerder van 7 december 2012 ontvangen, waarin staat dat verweerder bij voortzetting van het gedrag genoodzaakt zal zijn disciplinaire maatregelen te treffen. Op 3 juli 2014 heeft er wederom een gesprek over eisers nevenwerkzaamheden plaatsgevonden en is de afspraak gemaakt dat eiser een overzicht geeft van alle data en tijden vanaf 1 januari 2013 waarop hij nevenwerkzaamheden heeft verricht. Voorts is besproken dat het gesprek dient te worden gezien als allerlaatste waarschuwing, waarbij is aangegeven dat de eenheidsleiding zich nog beraadt over een aanvullende disciplinaire maatregel. Op 18 september 2013 heeft wederom een gesprek met eiser plaatsgevonden, waarin de afspraak is gemaakt dat hij alle data en tijden van zijn nevenwerkzaamheden vooraf kenbaar dient te maken aan de wijkteamleiding. Uit het door verweerder opgestelde rapport van 17 januari 2014 blijkt dat eiser zich niet aan de gemaakte afspraken heeft gehouden. Dit is ook besproken tijdens het gesprek op 17 januari 2014. Op 13 februari 2014 is het voornemen tot ontslag bekend gemaakt.

8. De rechtbank stelt voorop dat het verrichten van nevenwerkzaamheden als zodanig in het geval van eiser geen plichtsverzuim oplevert. Dit volgt reeds uit de toestemming van verweerder van 2 november 2010 om die werkzaamheden gedurende twee jaar te verrichten en de uit de gedingstukken voortvloeiende – impliciete – toestemming om die nadien voort te zetten na voorafgaande melding. Dat het verrichten van nevenwerkzaamheden ook bij arbeidsongeschiktheid wegens ziekte voor de eigen functie is toegestaan volgt daar echter niet uit. Voor eiser is dit kennelijk ook duidelijk geweest, gelet op zijn mededeling tijdens het gesprek op 17 september 2012 dat hij zijn nevenwerkzaamheden heeft stilgelegd. Uit de gesprekken met eiser en de hem door verweerder gegeven waarschuwingen volgt voorts dat eiser ervan op de hoogte was dat verweerder niet kon instemmen met het zonder overleg met verweerder (blijven) verrichten van zijn nevenwerkzaamheden gedurende zijn ziekte. De kern van de aan eiser verweten gedraging is dan ook niet zozeer dat eiser nevenwerkzaamheden heeft verricht tijdens zijn ziekte maar dat hij heeft nagelaten daarover achteraf en vanaf zeker moment ook vooraf volledige duidelijkheid aan verweerder te geven.

De rechtbank is van oordeel dat de opdracht die eiser is opgelegd om zijn nevenwerkzaamheden – in eerste instantie achteraf, later vooraf – bij verweerder te melden een redelijke opdracht is. Hierbij is niet van belang of eiser het ook eens was met de opdracht. Aan eiser is deze opdracht bij herhaling – onder meer in de gesprekken van 25 oktober 2012, 3 juli 2013 en 18 september 2013 – kenbaar gemaakt en hij is ook meerdere keren gewezen op het feit dat het niet nakomen van de opdracht disciplinaire gevolgen zou hebben. De rechtbank wijst hierbij op de waarschuwingsbrief van 7 december 2012 en het mede door eiser ondertekende verslag van gesprek op 3 juli 2013. De rechtbank is, gelet op het voormelde en hetgeen onder 7. is weergegeven, van oordeel dat eiser stelselmatig en structureel geen gevolg heeft gegeven aan de opdrachten van verweerder, terwijl hij in ieder geval vanaf 7 december 2012 wist dat er disciplinaire gevolgen aan verbonden konden worden. Dat eiser op zijn niet afgeschermde Facebook-pagina melding maakt van zijn nevenwerkzaamheden, maakt het voorgaande niet anders. Ook de stelling dat zijn psycholoog had gezegd dat eiser dingen moest gaan doen die hem goed deden, ontsloeg hem niet van het gevolg geven aan de gegeven opdrachten. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat eiser door zijn nevenwerkzaamheden niet tijdig bij verweerder te melden de regels met betrekking tot het ziekteverzuim en re-integratie heeft overschreden en daardoor verweerder de kans heeft ontnomen om te beoordelen of deze nevenwerkzaamheden zijn herstel in de weg zouden staan. Door het geen gevolg geven aan de hem gegeven opdracht is er sprake van plichtsverzuim.

Daarnaast stelt de rechtbank vast dat eiser niet heeft betwist dat hij zonder voorafgaande toestemming in de periode van 25 december 2013 tot en met 15 januari 2014 meerdere dagen verlof heeft opgenomen. De rechtbank stelt vast, en zo is tussen partijen ook niet in geschil, dat eiser sinds oktober 2013 45% arbeidsgeschikt was en dat hij in december 2013 en januari 2014 drie dagen per week aan het werk was in het kader van zijn re-integratie. Dit maakt dat eiser voor het opnemen van verlof toestemming had moeten vragen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser door dit na te laten heeft gehandeld in strijd met de regels omtrent vakantie en verlof.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de beide verweten gedragingen, zowel los van elkaar als in onderlinge samenhang bezien, niet gehandeld zoals een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort te doen. Deze gedragingen leveren naar het oordeel van de rechtbank plichtsverzuim op als bedoeld in artikel 76, tweede lid, van het Barp en zijn, gezien de aard en de omvang daarvan, aan te merken als ernstig plichtsverzuim.

9. Ten aanzien van eisers stelling dat hem niet verweten kan worden dat hij deze nevenwerkzaamheden niet tijdig bij verweerder heeft gemeld vanwege zijn medische gesteldheid in de voor de beoordeling relevante periode (september 2012 tot begin 2014) overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank is de link tussen eisers handelen in de voor de beoordeling relevante periode en de gestelde meervoudige PTSS niet onderbouwd, nu uit het EDI-FACT bericht van 3 maart 2015 niet blijkt dat bij eiser in die periode sprake was van PTSS-klachten. Derhalve is evenmin onderbouwd dat sprake was van PTSS-klachten die eisers handelen zodanig beïnvloedden dat de hem verweten gedragingen hem niet kunnen worden toegerekend. Ook van andere omstandigheden die eisers handelen op die manier zouden hebben beïnvloed is de rechtbank niet gebleken. De beroepsgronden van eiser falen.

10. Nu het door de rechtbank vastgestelde plichtsverzuim eiser kan worden toegerekend was verweerder bevoegd om eiser daarvoor disciplinair te straffen.

11. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat gelet op de omstandigheden de straf van ontslag niet gerechtvaardigd is en stelt zich op het standpunt dat hem voorwaardelijk ontslag had moeten worden opgelegd. Strafontslag is in dezen een te zwaar middel en heeft voor eiser verstrekkende gevolgen voor het verkrijgen van een uitkering en zijn kansen op de arbeidsmarkt. Genoemde feiten en omstandigheden zijn volgens eiser niet van zodanige aard dat in plaats van een disciplinair ontslag niet de normale ontslagprocedure met een opzegtermijn had kunnen worden afgewacht. Dat er een voornemen is uitgebracht geeft te kennen dat er geen subjectieve dringende reden was om aan eiser strafontslag met onmiddellijke ingang op te leggen. Eiser wijst op de uitspraak van de CRvB van 28 augustus 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1581).

12. Uit vaste jurisprudentie volgt dat in de beoordeling van de evenredigheid, naast de aard van de gedragingen en de aard van de functie, niet alleen de belangen van de werkgever, maar tevens die van de ambtenaar betrokken dienen te worden. De rechtbank wijst erop dat kwalificaties als ‘licht’, ‘ernstig’ en ‘zeer ernstig’ niet rechtstreeks bepalend zijn voor de vraag of een opgelegde straf als (on)evenredig moet worden beschouwd; alleen de feitelijke aard en ernst van het vastgestelde plichtsverzuim zijn daarvoor bepalend. De rechtbank wijst op de uitspraak van de CRvB van 5 juli 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BX0516).

13. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de gevolgen van het strafontslag voor eiser groot zijn, is de rechtbank van oordeel dat de straf van ontslag met onmiddellijke ingang evenredig is. Eiser heeft zich niet gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. Hij heeft gesprekken gehad met verweerder, waarbij hem meerdere keren de mogelijkheid is geboden zijn gedrag te verbeteren, maar hieraan heeft hij geen gehoor gegeven. Daarnaast heeft hij verlofdagen opgenomen zonder voorafgaande toestemming, waardoor hij het vertrouwen van verweerder en zijn collega’s heeft verloren. Hieruit blijkt geen integere en transparante houding, hetgeen juist van een politieambtenaar gewenst wordt. De vraag of sprake is van een dringende reden om eiser te ontslaan speelt in dit geval geen rol. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de CRvB van 28 augustus 2013 gaat niet op, nu die uitspraak geen betrekking heeft op eenzelfde soort zaak, maar gaat over het recht op een WW-uitkering. De beroepsgronden falen.

14. Concluderend komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat verweerder aan eiser met onmiddellijke ingang de straf van ontslag heeft mogen opleggen. De rechtbank komt daarom niet toe aan de gronden die zien op het ongeschiktheidsontslag.

15. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Slootweg, voorzitter, en mr. P.K. Nihot en mr. M. Ramsaroep, leden, in aanwezigheid van mr. K.S. Smits, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2015.

De voorzitter is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.