Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5916

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-07-2015
Datum publicatie
20-08-2015
Zaaknummer
C/16/362195 / FA RK 14-734
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

hoofdverblijfplaats minderjarige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/362195 / FA RK 14-734

Beschikking van 17 juli 2015

in de zaak van

[de vader],

wonende te [woonplaats] , België

verder te noemen: de vader,

advocaat mr. P. van der Heyden te België,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats] ,

verder te noemen: “de moeder”,

advocaat mr. H.P. Scheer te Utrecht.

1 Verloop van de procedure

1.1.

Op 15 oktober 2014 heeft de rechtbank een eerdere beschikking gegeven tussen partijen. Voor het verloop van de procedure tot die datum verwijst de rechtbank naar die beschikking.

1.2.

Bij de rechtbank zijn nadien de volgende stukken binnengekomen:

  • -

    de brief van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de Raad) gedateerd op 23 februari 2015, met bijlagen, waaronder het rapport van de Raad van 20 februari 2015;

  • -

    de brief van de zijde van vader van 2 juni 2015 met daarbij een (aanvullende) conclusie met producties.

1.3.

De minderjarige [de minderjarige] (geboren op [1998] ) is op 12 juni 2015 door de rechter gehoord.

1.4.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 12 juni 2015. Verschenen zijn de moeder met haar advocaat, de vader met mr. J.M. van Steenbergen als waarnemer voor mr. Van der Heyden, alsmede de heer [A] namens de Raad.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Voor de vaststaande feiten verwijst de rechtbank naar de beschikking van 15 oktober 2014.

3 Verdere beoordeling van het verzochte

3.1.

Aan de orde is het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen en het verzoek van de moeder om het hoofdverblijf bij haar te bepalen en subsidiair om een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede een informatie- en consultatieregeling vast te stellen.

3.2.

In voornoemde beschikking van 15 oktober 2014 is door de rechtbank een onderzoek door de Raad gelast naar de vraag welke hoofdverblijfplaats en welke zorgregeling het meest in het belang van [de minderjarige] moet worden geacht.

3.3.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft op 25 februari 2015 een rapport uitgebracht. De Raad heeft het volgende geconstateerd en geadviseerd. Op basis van gesprekken met de ouders en [de minderjarige] meent de Raad dat het in het belang is van [de minderjarige] om zijn hoofdverblijfplaats bij de vader te bepalen. De reden hiervoor is dat [de minderjarige] het merendeel van zijn jeugd in België heeft doorgebracht en dat hij zelf uitgesproken heeft dat hij graag in België wil blijven wonen. De Raad heeft daaraan toegevoegd dat door de Raad niet aangetoond kan worden of dit zijn echte wens is of dat dit is ingegeven door loyaliteit naar de vader. Gelet op de leeftijd van [de minderjarige] acht de Raad het echter niet in zijn belang om hem nogmaals uit België weg te halen.

3.4.

De Raad is verder van mening dat het vaststellen van een zorgregeling, zoals verzocht door de moeder, op dit moment niet in het belang is van [de minderjarige] , mede gezien zijn leeftijd en belaste voorgeschiedenis. De Raad meent dat het afdwingen van contact meer schade dan profijt zal opleveren. Contact op den duur is zeker wel in het belang van [de minderjarige] . De Raad heeft ter terechtzitting aangevoerd dat er geen druk op het contact moet worden gezet. Teveel druk op [de minderjarige] kan averechts werken. De Raad acht het daarnaast van belang dat er een informatieregeling komt inzake belangrijke aangelegenheden betreffende [de minderjarige] . Hulpverlening is noodzakelijk om de relatie tussen [de minderjarige] en de moeder te verbeteren. De Raad meent echter dat de ouders eerst zelf hulp moeten zoeken om hun onderlinge verhouding en communicatie te verbeteren.

3.5.

[de minderjarige] verblijft inmiddels drie jaar in België bij de vader. Hij heeft tijdens het minderjarige verhoor te kennen gegeven dat hij graag in België bij zijn vader wil blijven wonen. Hij heeft verklaard geen behoefte te hebben aan een zorgregeling met zijn moeder.

3.6.

Met betrekking tot het vaststellen van de hoofdverblijfplaats overweegt de rechtbank als volgt. In geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag neemt de rechtbank een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt (artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek). Met de Raad acht de rechtbank het in het belang van [de minderjarige] dat hij duidelijkheid krijgt over zijn hoofdverblijfplaats. Ter terechtzitting heeft de moeder laten weten zich te kunnen verenigen met het vaststellen van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader. Gelet op de inhoud van het raadsrapport de voorkeur van [de minderjarige] en zijn leeftijd, zal de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] dan ook bij de vader bepalen. Het verzoek van de vader zal worden toegewezen en het verzoek van de moeder met betrekking tot het hoofdverblijf wordt afgewezen.

3.7.

Ten aanzien van de zorgregeling is het uitgangspunt dat een kind en een ouder recht hebben op omgang met elkaar. Dit recht kan slechts worden ontzegd indien het contact ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de kinderen, de ouder kennelijk niet geschikt of niet in staat moet worden geacht tot contact of contact anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van de kinderen (artikel 1:253a lid 4 jo 1:377a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek). Gezien hetgeen [de minderjarige] verklaard heeft, de belaste voorgeschiedenis tussen [de minderjarige] en zijn moeder, de resultaten van het Raadsonderzoek, de bij [de minderjarige] geconstateerde Autisme Spectrum Stoornis en zijn leeftijd acht de rechtbank een verplichte zorgregeling in strijd met zwaarwegende belangen van [de minderjarige] . Gelet op het voorstaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder dan ook afwijzen.

3.8.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak met betrekking tot de zorgregeling aan te houden of door te verwijzen, zoals namens de moeder ter terechtzitting is verzocht. De rechtbank ziet hiervan af van vanwege het advies van de Raad om geen druk op [de minderjarige] te leggen om tot een zorgregeling te komen en vanwege het standpunt van de Raad dat eerst de verhouding tussen ouders verbeterd zal moeten worden, voordat het zinvol is om hulpverlening in te schakelen om het contact tussen [de minderjarige] en de moeder te verbeteren.

3.9.

Aangaande het vaststellen van een informatie- en consultatieregeling is het uitgangspunt dat ouders gehouden zijn elkaar op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot het kind en deze te raadplegen over daaromtrent te nemen beslissingen. De rechtbank alsmede de Raad achten het van belang dat een consultatie- en informatieregeling wordt vastgelegd. Ter terechtzitting laat de vader weten dat hij bereid is om vier keer per jaar de moeder schriftelijk (per e-mail) te informeren over het wel en wee van [de minderjarige] . De rechtbank zal, nu niet gebleken is van bezwaren die aan de vaststelling van de verzochte regeling in de weg staan, de door de moeder verzochte informatie- en consultatieregeling vaststellen.

3.10.

De rechtbank overweegt ten slotte dat uitgangspunt is dat, gelet op de relatie tussen partijen, de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechtbank is van oordeel dat door de vader onvoldoende is gesteld om van dit uitgangspunt af te wijken. De door de vader gevraagde veroordeling van de moeder in de kosten van deze procedure zal derhalve worden afgewezen

4 Beslissing

De rechtbank

bepaalt dat [de minderjarige] zijn hoofverblijfplaats zal hebben bij zijn de vader,

bepaalt dat de vader gehouden is om

  • -

    de moeder vier keer per jaar schriftelijk te informeren over hoe het met [de minderjarige] gaat;

  • -

    binnen veertien dagen na ontvangt kopieën van rapporten van [de minderjarige] van school en kopieën van overige belangrijke documenten van [de minderjarige] aan de moeder toe te sturen;

  • -

    toestemming van de moeder te verzoeken voor medische behandelingen en schoolkeuze van [de minderjarige] ,

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

wijst af hetgeen over en weer meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Scharrenborg, kinderrechter, bijgestaan door B.A.E. Bartels, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2015.1

1 type: SA(Mcoll: