Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5899

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-06-2015
Datum publicatie
21-08-2015
Zaaknummer
16-661192-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstallen met braak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661192-15, 21/000024-13 (tul), 16/155358-14 (tul)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 19 juni 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1996] te [geboorteplaats] ,

wonende [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. B. van Nimwegen, advocaat te Zeist. Tevens is verschenen mw. H. van Benthem namens Reclassering Nederland.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

ten aanzien van feit 1:

zich in februari 2015 te Woudenberg schuldig heeft gemaakt aan een woninginbraak, dan wel aan opzet- of schuldheling, al dan niet met winstbejag;

ten aanzien van feit 2:

zich in februari 2015 te Woudenberg schuldig heeft gemaakt aan een woninginbraak, dan wel aan opzet- of schuldheling, al dan niet met winstbejag.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft tot vrijspraak voor de primair tenlastegelegde feiten gerekwireerd, omdat er naar haar mening onvoldoende bewijs is om tot bewezenverklaring te komen. Zij acht hetgeen bij beide feiten subsidiair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangiftes, de verklaring van getuige [getuige 1] en de verklaring van verdachte.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van de primair ten laste gelegde feiten bepleit, omdat – kort gezegd – het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte de ten laste gelegde gedragingen heeft begaan. De verdediging heeft tevens vrijspraak bepleit van de subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair ten laste gelegde feiten, nu geen bewijs aanwezig is voor de vereiste wetenschap of het redelijk vermoeden dat verdachte had moeten hebben ten aanzien van de herkomst van de in zijn bezit zijnde sieraden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op 14 februari 2015 heeft [aangever 1] aangifte2 gedaan van diefstal met braak uit de woning van zijn vader aan de [adres] . Aangever verklaart dat de woning op 11 februari 2015 rond 16.00 uur afgesloten is achtergelaten. Bij terugkomst op 14 februari 2015 rond 16.00 uur is geconstateerd dat het slot uit de voordeur is geboord en dat een paar gouden manchetknopen is weggenomen.

Op 13 februari 2015 heeft [aangever 2] aangifte3 gedaan van diefstal met braak uit de woning van zijn schoonzoon aan de [adres] . Aangever verklaart dat de woning op 11 februari 2015 rond 9.00 uur afgesloten is achtergelaten. Bij terugkomst op 13 februari 2015 rond 11.30 uur is geconstateerd dat het slot uit de achterdeur is geboord en dat onder andere twee ringen zijn weggenomen.

Getuige [getuige 1] , eigenaar van de winkel [naam] , heeft verklaard4 dat op 14 februari 2015 rond 17.00 uur een man in de winkel kwam die twee gouden manchetknopen en vier gouden ringen wilde verkopen. De toen aanwezige medewerker vertrouwde het niet en heeft de spullen niet gekocht. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat dezelfde man op 17 februari 2015 rond 16.00 uur terugkwam met de genoemde sieraden. De man legitimeerde zich met een identiteitsbewijs op naam van [verdachte] , geboren op [1996] te [geboorteplaats] . Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de man, op de vraag naar de herkomst van de sieraden, uitdrukkelijk heeft verklaard dat de sieraden niet gestolen waren. Getuige [getuige 1] heeft daarop het paar manchetknopen en twee ringen van de man gekocht.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard5 dat zij het paar gouden manchetknopen herkent als de manchetknopen van haar vader.

Aangever [aangever 3] heeft verklaard6 dat zijn vrouw één van de ringen herkent als haar eigendom.

Op 19 februari 2015 is bij het doorzoeken7 van de woning van verdachte een kerntrekker aangetroffen.

In het relaas proces-verbaal8 is vermeld dat vanaf half december 2014 in de gemeente Woudenberg elf keer met dezelfde modus operandi is ingebroken of geprobeerd is in te breken, namelijk door middel van het gebruik van een slotentrekker. In het proces-verbaal is vermeld dat na aanhouding van verdachte niet meer op deze wijze werd ingebroken in Woudenberg.

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

Bewijsoverweging

Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte in de periode van 11 februari 2015 tot en met 14 februari 2015 heeft ingebroken in de woning aan de [adres] (feit 1 primair). Tevens acht de rechtbank bewezen dat verdachte in de periode van 11 februari 2015 tot en met 13 februari 2015 heeft ingebroken in de woning aan de [adres] (feit 2 primair).

Verdachte heeft verklaard dat op 17 februari 2015 op straat een jongen naar hem toekwam die hem vroeg de sieraden te verkopen, omdat de jongen dat zelf niet kon omdat hij minderjarig was. Verdachte heeft verklaard dat hij de jongen wilde helpen, de sieraden bij [naam] heeft verkocht en er € 30,- euro voor heeft gekregen. Verdachte heeft ontkend op 14 februari 2015 bij [naam] te zijn geweest. De raadsman heeft daarbij aangevuld dat het de minderjarige jongen moet zijn geweest die op 14 februari 2015 heeft geprobeerd de sieraden te verkopen bij [naam] . De rechtbank acht deze verklaring van verdachte ongeloofwaardig, nu getuige [getuige 1] heeft verklaard dat op 14 februari 2015 een man in de winkel kwam om de sieraden te verkopen en dat dezelfde man op 17 februari 2015 terugkwam om het nogmaals te proberen.

De rechtbank overweegt dat verdachte de manchetknopen en de ring die bij deze inbraken zijn weggenomen in zijn bezit heeft gehad. Hij heeft de goederen op 17 februari 2015 verkocht bij [naam] . Verdachte heeft echter ook op 14 februari 2015 al geprobeerd de goederen daar te verkopen. Verdachte kwam rond 17.00 uur in de winkel, terwijl de inbraak aan de [adres] kort daarvoor ontdekt was. Hij heeft de gestolen goederen dus kort na de inbraken in zijn bezit gehad. De rechtbank overweegt ook dat een kerntrekker is aangetroffen in de woning van verdachte. Dit gereedschap past bij de wijze waarop in beide woningen is ingebroken. Voorts overweegt de rechtbank dat vanaf half december 2014 diverse malen is ingebroken en geprobeerd is in te breken in woningen in Woudenberg, waarbij telkens gebruik werd gemaakt van een slotentrekker. Uit het hiervoor genoemde proces-verbaal van 17 april 2015 blijkt dat vanaf het moment dat verdachte is aangehouden tot 17 april 2015 geen inbraken meer zijn gepleegd.

Gelet op het bovenstaande concludeert de rechtbank dat het verdachte is geweest die heeft ingebroken in beide woningen. Hij is vervolgens (tweemaal) naar [naam] gegaan om de door hem weggenomen goederen te verkopen, waarbij de tweede keer succesvol was.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

Primair

in of omstreeks de periode van 11 februari 2015 tot en met 14 februari 2015 te Woudenberg, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (gelegen aan de [adres] ) heeft weggenomen gouden manchetknopen, toebehorende aan [aangever 4] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

2.

Primair

in of omstreeks de periode van 11 februari 2015 tot en met 13 februari 2015 te Woudenberg, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (gelegen aan de [adres] ) heeft weggenomen gouden ringen en gouden oorbellen, toebehorende aan [aangever 5] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door braak;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

  1. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

  2. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de subsidiair ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 90 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat in de strafmaat rekening gehouden moet worden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstallen met braak uit woningen. Dergelijke inbraken veroorzaken bij de bewoners overlast en materiële schade. Daarnaast is een inbraak in een woning vooral ook een inbreuk op het gevoel van veiligheid en privacy van de bewoners. De ervaring leert dat mensen zich nog lange tijd nadat er in hun woning is ingebroken thuis onveilig voelen.

Verdachte was ten tijde van voornoemde delicten net meerderjarig en is, zo blijkt uit het uittreksel justitiële documentatie d.d. 17 april 2015, eerder veroordeeld, ook in verband met woninginbraak. In de onderhavige zaak heeft verdachte bij twee woningen ingebroken door met een kerntrekker het slot te forceren. Verdachte heeft het ten laste gelegde ontkend en een onaannemelijke verklaring gegeven voor het bezit van de gestolen goederen.

Reclassering Nederland heeft geadviseerd om verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen als met bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandelverplichting, opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang en het verplicht meewerken aan een traject gericht op het verkrijgen van werk/opleiding en een zelfstandig inkomen.

Mw. Van Benthem heeft – namens Reclassering Nederland – ter terechtzitting van 5 juni 2015 aangegeven dat een klinische behandeling geadviseerd werd, maar dat verdachte daar niet aan mee wil werken. Gelet op de houding van verdachte wordt een dergelijke behandeling niet haalbaar geacht en wordt ingezet op een ambulant traject.

De rechtbank ziet zich geplaatst voor de opgave om een straf op te leggen waarin een balans wordt gevonden tussen de ernst van de gepleegde feiten enerzijds en de gewenste interventies in het belang van de verdachte anderzijds. Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Gelet daarop zou voor een woninginbraak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend zijn. In geval van recidive wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden per woninginbraak passend geacht. In de onderhavige zaak zijn twee woninginbraken bewezen verklaard en is sprake van recidive. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het advies van Reclassering Nederland aanleiding geen volledige onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank acht het noodzakelijk dat verdachte begeleiding krijgt op diverse leefgebieden en op die manier kan toegroeien naar zelfstandigheid.


De rechtbank is van oordeel dat, alles overziende, een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met de bijzondere voorwaarden zoals genoemd in het rapport van Reclassering Nederland, passend en geboden is.

9 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Parketnummer 21/00024-13

Bij de stukken bevindt zich de op 2 maart 2015 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht in de zaak met parketnummer 21/000024-13, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 7 augustus 2013 van het gerechtshof Arnhem, waarbij verdachte is veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 180 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte van 133 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis.

De officier van justitie heeft gevorderd om tot volledige tenuitvoerlegging over te gaan, te weten tenuitvoerlegging van jeugddetentie voor de duur van 133 dagen, en deze jeugddetentie om te zetten naar gevangenisstraf.

De verdediging heeft afwijzing van de vordering bepleit, nu het advies is om toe te werken naar begeleid wonen. Detentie zou dat proces in de weg staan. Bovendien zou de volledige tenuitvoerlegging doorlopen tot in de start van het nieuwe schooljaar, wat niet wenselijk wordt geacht door de verdediging omdat verdachte dan zijn opleiding wil starten.

De rechtbank ziet gelet op de bewezen verklaarde feiten aanleiding de vordering tot tenuitvoerlegging volledig toe te wijzen en om te zetten naar een gevangenisstraf voor de duur van 133 dagen.

Parketnummer 16/155358-14

Bij de stukken bevindt zich tevens de op 2 maart 2015 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht in de zaak met parketnummer 16/155358-14, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 6 oktober 2014 van de kantonrechter te Utrecht, waarbij verdachte is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis.

De officier van justitie heeft gevorderd om tot volledige tenuitvoerlegging over te gaan, te weten tenuitvoerlegging van de werkstraf van 80 uren.

De verdediging heeft zich niet over de vordering tenuitvoerlegging uitgelaten.

De rechtbank ziet in het bovenstaande aanleiding de vordering tot tenuitvoerlegging volledig toe te wijzen en de werkstraf van 80 uren te gelasten.

10 Het beslag

De rechtbank zal teruggave aan verdachte gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen, te weten een paar Nike Air Max (schoenen) en een Torx bitje T20.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 27, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde, en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart de ten laste gelegde feiten bewezen, zodanig als hiervoor onder 5. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

  1. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

  2. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren;

- beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden;

- stelt als algemene voorwaarden:

  • -

    de verdachte zal zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maken aan een strafbaar feit;

  • -

    de verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • -

    de verdachte zal medewerking verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in 14d, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

  • -

    de verdachte zal tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden naleven;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

  • -

    de verdachte moet zich persoonlijk binnen een werkdag volgend op de datum van het onherroepelijk worden van het vonnis melden bij Reclassering Nederland op het volgende adres: Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht. Hierna moet verdachte zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering die noodzakelijk acht;

  • -

    de verdachte wordt verplicht om mee te werken aan diagnostiek en indien geïndiceerd behandeling bij Altrecht, poli Wier of het LACT LVB van Altrecht of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  • -

    de verdachte wordt verplicht om mee te werken aan een traject gericht op het toeleiden naar begeleid wonen / daar te verblijven en zich te houden aan het (dag)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    de verdachte wordt verplicht om mee te werken aan een traject gericht op het verkrijgen van een zelfstandig inkomen en het verkrijgen van werk/opleiding, ook indien dit inhoudt dat betrokkene zal worden toegeleid naar een aanvullende hulpverleningsinstantie zoals Nieuwe Perspectieven bij Terugkeer of een soortgelijke instantie, gericht op praktische ondersteuning en begeleiding, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 21/000024-13 toe, te weten 133 dagen jeugddetentie;

- gelast de omzetting van die straf in die zin dat de 133 dagen jeugddetentie worden omgezet naar 133 dagen gevangenisstraf;

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 16/155358-14 toe, te weten 80 uur werkstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende in beslag genomen voorwerpen: een paar Nike Air Max (goednummer PL0900-2015049445-1377475) en een Torx bitje T20 (goednummer PL09002015049445-1376911).

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.J. Veenstra, voorzitter,

mr. H.A. Gerritse en mr. E.C.A. Bakker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.M. van de Kamp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 juni 2015.

BIJLAGE: de tenlastelegging

Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat

1.

Primair

hij in of omstreeks de periode van 11 februari 2015 tot en met 14 februari 2015 te Woudenberg, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëgening in / uit een woning (gelegen aan de [adres] ) heeft weggenomen een of meer gouden manchetknopen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 11 februari 2015 tot en met 17 februari 2015 te Woudenberg en/of te Amersfoort, althans in Nederland, twee gouden manchetknopen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die manchetknopen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 417bis Wetboek van Strafrecht

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 11 februari 2015 tot en met 17 februari 2015 te Woudenberg en/of te Amersfoort, althans in Nederland, opzettelijk uit winstbejag (een) door misdrijf verkregen gouden manchetknopen voorhanden heeft gehad of heeft overgedragen;

art 416 lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

Meest subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 11 februari 2015 tot en met 17 februari 2015 te Woudenberg en/of te Amersfoort, althans in Nederland, opzettelijk uit winstbejag (een) door misdrijf verkregen gouden manchetknopen voorhanden heeft gehad of heeft overgedragen;

art 417bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

2.

Primair

hij in of omstreeks de periode van 11 februari 2015 tot en met 13 februari 2015 te Woudenberg, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning (gelegen aan de [adres] ) heeft weggenomen een of meer gouden ringen en/of gouden oorbellen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door braak en/of verbreking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 11 februari 2015 tot en met 17 februari 2015 te Woudenberg en/of te Amersfoort, althans in Nederland, twee, althans een, gouden ringen heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die ringen wist, althans redelijkerwijs had moete vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 417bis Wetboek van Strafrecht

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 11 februari 2015 tot en met 17 februari 2015 te Woudenberg en/of te Amersfoort, althans in Nederland, opzettelijk uit winstbejag (een) door misdrijf verkregen gouden ringen voorhanden heeft gehad of heeft overgedragen;

art 416 lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

Meest subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 11 februari 2015 tot en met 17 februari 2015 te Woudenberg en/of te Amerfoort, althans in Nederland, uit winstbejag (een) door misdrijf verkregen gouden ringen voorhanden heeft gehad of heeft overgedragen, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 417bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met code PL0940-2015049445 (sluitingsdatum 17 april 2015) bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering van 1 tot en met 484. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] d.d. 14 februari 2015, opgenomen op pagina 251 tot en met 261.

3 Proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] d.d. 20 februari 2015, opgenomen op pagina 271 tot en met 282.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 18 februari 2015, opgenomen op pagina 456 tot en met 458.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 18 februari 2015, opgenomen op pagina 265 en 266.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 februari 2015, opgenomen op pagina 244.

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 februari 2015, opgenomen op pagina 247 tot en met 250.

8 Proces-verbaal d.d. 17 april 2015, opgenomen op pagina 220 tot en met 227.