Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5897

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-08-2015
Datum publicatie
06-08-2015
Zaaknummer
16/660190-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

UTRECHT – De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt een 52-jarige vrouw uit Leusden tot een taakstraf van 150 uur, waarvan 50 uur voorwaardelijk. De verdachte veroorzaakte op 19 november 2013 in Maarssen een verkeersongeval waarbij een toen 12-jarig meisje zwaargewond raakte.

De vrouw reed in haar auto over de Amsterdamsestraatweg, waar wegwerkzaamheden plaatsvonden. Om die reden was de maximale snelheid op dat moment 30 kilometer per uur en waren de verkeerslichten uitgeschakeld. De verdachte reed met minimaal 61 kilometer per uur en naderde zonder haar snelheid aan te passen een oversteekplaats voor fietsers en bromfietsers. Op de oversteekplaats reed de vrouw het meisje aan. Uit de ongevallenanalyse bleek dat het ongeluk voorkomen had kunnen worden als de vrouw niet te hard had gereden.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld door haar snelheid niet aan te passen. De verdachte heeft niet opzettelijk een ernstig verkeersongeval veroorzaakt, maar ze heeft wel schuld aan het ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet.

Het leven van het slachtoffer en de mensen om haar heen is onherstelbaar veranderd na het ongeluk, dat blijkt ook uit de verklaring die haar vader op de zitting voorlas. Het meisje heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Ze is cognitief zeer beperkt, ze kan zich uitsluitend verplaatsen in een rolstoel en is volledig afhankelijk van de zorg van anderen.

Gelet op de ernst van het letsel van het slachtoffer, vindt de rechtbank een taakstraf van 150 uur passend. Een deel daarvan wordt voorwaardelijk opgelegd. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank er ook rekening mee gehouden dat, hoewel van een andere orde, het ongeval ook emotionele gevolgen heeft voor de verdachte. Een ontzegging van de rijbevoegdheid vindt de rechtbank bijna twee jaar na dato niet meer zinvol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/660190-14 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 6 augustus 2015.

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1962] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. B.J. de Pree, advocaat te Amersfoort.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair:

op 19 november 2013 als bestuurder van een motorrijtuig zich zo roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen, dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen;

subsidiair:

op 19 november 2013, als bestuurder van een personenauto, gevaar op de weg heeft veroorzaakt, door met een snelheid van minimaal 61 kilometer per uur een oversteekplaats voor fietsen te naderen, zonder dat zij haar snelheid zo had geregeld dat zij in staat was op tijd tot stilstand te komen, terwijl op dat moment een fietser, [slachtoffer] , die oversteekplaats overstak.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Het verkeersongeval ten gevolge waarvan slachtoffer [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, is te wijten aan aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag van de verdachte. De officier van justitie baseert zijn standpunt op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen en op de verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder primair ten laste gelegde. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de situatie ter plaatse verwarrend was, waardoor het verdachte niet valt te verwijten dat zij bepaalde signalen en verkeersborden heeft gemist. Verdachte heeft de fietsers gezien en heeft ook gezien dat de verkeerslichten niet werkten. Daardoor kan worden vastgesteld dat verdachte oplettend is geweest. Er was sprake van een doorgaande weg, waardoor een relatief lage snelheid van 30 kilometer per uur in de praktijk moeilijk te handhaven was. De verdediging heeft daarnaast opgemerkt dat het slachtoffer mogelijk ook afgeleid was en gezien haar jonge leeftijd en geringe verkeerservaring impulsief gehandeld kan hebben. Het verkeersongeval is daarom veroorzaakt door meerdere samenvallende elementen, die niet enkel bij verdachte liggen.

Het onder subsidiair ten laste gelegde kan volgens de verdediging wettig en overtuigend bewezen worden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Verbalisant I. [verbalisant 1] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Op 19 november 2013 kreeg ik kennis van een verkeersongeval. Het ongeval heeft plaatsgevonden op de Amsterdamsestraatweg te Maarssen, gelegen in de gemeente De Stichtse Vecht.2

Uit de verkeersongevallenanalyse blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende:

Bij dit ongeval waren de volgende voertuigen betrokken: Opel Insignia Limous, kenteken [kenteken] , bestuurder [verdachte] en een fiets, merk Gazelle, bestuurder [slachtoffer] .

Over de Straatweg te Maarssen reed de Opel. Op het fietspad, rechts van de rijstrook van de Opel, reed de fietsster. Net voorbij de Sportparkweg, die op dit moment afgesloten was in verband met werkzaamheden, stak de fietsster middels een oversteekplaats de rijstrook van de Opel over. Hierbij werd de fietsster aangereden door de Opel.3 De oversteekplaats voor fietsers was op de rijbaan met een blokmarkering aangegeven.

Ten tijde van de aanrijding was de Sportparkweg afgesloten. Normaliter werd het verkeer op dit kruispunt, ook de fietsoversteekplaats, door middel van verkeerslichten geregeld. Ten tijde van de aanrijding was de verkeersinstallatie uitgezet.4

Ongeveer 183 meter voor de oversteekplaats stond rechts van de rijbaan een bord C1 van Bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens met een snelheidsbeperking van 30 kilometer per uur. Boven dit bord was bord J16 van Bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens geplaatst, dat waarschuwt voor wegwerkzaamheden.5

Ongeveer 50 meter voor de oversteekplaats stond rechts van de weg bord J37 van Bijlage 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens met een onderbord dat waarschuwde voor overstekende fietsers.6

Op de weg waaraan gewerkt werd reed op het moment van de aanrijding de shovel van [A] . Hij had achter zijn voorruit een dashboardcamera hangen. Deze camerabeelden heb ik geanalyseerd. Ik zag op de beelden de Opel rijden en de fietsster. Ik zag dat beiden achter een graafmachine verdwenen. Ik zag de Opel weer achter de graafmachine tevoorschijn komen en zag dat zich voor en boven de Opel een voorwerp bewoog, zeer waarschijnlijk de fietsster. Op de videobeelden zag ik de Opel, voordat deze achter de graafmachine verdween, geen snelheid minderen. Ook na de aanrijding zag ik niet dat de Opel snelheid minderde.7 Ik heb meerdere malen 1 minuut beeldmateriaal afgespeeld en de tijd op het beeldscherm vergeleken met mijn stopwatch. Hieruit bleek dat er geen waarneembaar verschil in tijd optrad. Hierop heb ik de tijd vastgesteld die de Opel nodig had om een bepaalde afstand af te leggen die zichtbaar was op de videobeelden. Met deze gegevens kon ik een indicatieve snelheid van 65 kilometer per uur berekenen. Wij hebben besloten het NFI onderzoek te laten doen naar de snelheid van de Opel.8

In overleg met het NFI is besloten dat wij vergelijkende rijproeven zouden gaan doen, welke door het NFI voor vergelijking met het originele beeldmateriaal gebruikt zouden worden.9

De conclusie van het NFI was, met een betrouwbaarheidsinterval van 95%, dat de snelheid van de Opel tussen de 61 en 78 kilometer per uur lag. Vanaf enig moment kort voor de botsing, was de auto tenminste 2 maal sneller op de botsplaats dan wanneer deze een snelheid van 30 km/u had en niet af zou remmen. Bij een snelheid van 30 km/u zou de bestuurster van de fiets dus tweemaal zoveel tijd hebben gehad om over te steken. Gezien de breedte van de rijstrook en de lengte van de fiets, had de fiets vanaf het moment van vertrek bij de rechterzijde van de weg voor de fiets een afstand van 5,3 m moeten afleggen voordat de rijstrook geheel vrij zou zijn voor de auto. Vanaf het moment vertrek bij de rechterzijde van de weg tot op de botsplaats had de fiets een afstand afgelegd van 2,66 m. Als de bestuurder van de auto had gereden met een snelheid van 30 km/u had de fiets een 2 maal grotere afstand afgelegd. De fiets had dan 5,3 m afgelegd. Minus de breedte van de rijstrook (3,71 m) en de lengte van het voertuig (1,6 m) zou de fiets net van de rijstrook af zijn. De fiets had dus het kruispunt kunnen oversteken als de bestuurder van de auto met een snelheid van 30 km/u had gereden, waarbij de bestuurder van de auto niet behoefde te remmen en niet voor de fiets hoefde uit te wijken.10

De verdachte heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Ik heb de fietsers gezien. Ik zag hen op de rug. Ik zag de fietsers ruim voordat ik hen naderde. U, voorzitter, vraagt mij of ik de borden met waarschuwingen voor wegwerkzaamheden en snelheidsbeperking van 30 kilometer per uur heb gezien. Nee, die heb ik niet gezien. U vraagt mij of ik het bord met waarschuwing voor een naderende oversteekplaats voor fietsers en de witte tekens op de weg heb gezien. Nee.11

Uit de geneeskundige verklaring blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende:

Medische informatie betreffende [slachtoffer] , geboren op [2001] . Er is sprake van ernstig hersenletsel. Hierdoor veelheid aan problemen: fors verminderd cognitief functioneren: wisselend alert, impulsief, zeer korte aandachtspanne. Daarnaast hemiparese links naar rechts. Linkerarm is a-functioneel. Linkerbeen beperkt inzetbaar. Hierdoor rolstoel gebonden. Er is een visus probleem: linker zijde wordt verminderd waargenomen. Er is forse epilepsie aanwezig. Dit maakt dat [slachtoffer] blijvend afhankelijk zal functioneren, voor gehele leven.12

4.3.2

Bewijsoverweging

Vastgesteld kan worden dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden waarbij [slachtoffer] onder andere ernstig hersenletsel en een eenzijdige verlamming van de linker lichaamshelft heeft opgelopen. Dit letsel is zonder meer te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel.

Voor de beantwoording van de vraag of verdachte schuld heeft gehad aan dit verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, zijn de navolgende omstandigheden, zoals die naar voren zijn gekomen uit voornoemde bewijsmiddelen, van belang.

Verdachte heeft met haar personenauto gereden op een doorgaande weg, waar op dat moment wegwerkzaamheden plaatsvonden. Om die reden was de snelheid ter plaatse beperkt tot 30 kilometer per uur en waren de verkeerslichten uitgeschakeld. Verdachte heeft met minimaal 61 kilometer per uur gereden en is zonder haar snelheid aan te passen een oversteekplaats voor fietsers en bromfietsers genaderd. Bij de voornoemde oversteekplaats heeft verdachte het slachtoffer aangereden die op haar fiets de Amsterdamsestraatweg overstak.

De wegwerkzaamheden en snelheidsbeperking werden ruim voor de botsplaats aangegeven door middel van borden. Op 50 meter voor de botsplaats was aangegeven dat verdachte een fietsersoversteekplaats naderde. Op de weg was deze fietsoversteekplaats gemarkeerd door middel van witte strepen. Verdachte heeft aangegeven geen van deze borden of wegmarkeringen gezien te hebben. Verdachte heeft aangegeven de fietsers op het fietspad naast de rijbaan wel ruim van tevoren gezien te hebben.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld door de snelheid van haar motorrijtuig niet aan te passen bij het naderen van de bewuste oversteekplaats. Dit geldt temeer daar verdachte heeft verklaard de fietsers op het fietspad wel gezien te hebben, zodat zij extra beducht erop had moeten zijn dat fietsers zouden kunnen oversteken. Blijkens het proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse zou verdachte in staat zijn geweest het ongeval te voorkomen als zij zich aan de maximale snelheid had gehouden. In plaats daarvan heeft zij minstens twee keer de toegestane snelheid gereden. De omstandigheden die volgens de verdediging dienen te leiden tot de conclusie dat het verkeersongeluk niet (in overwegende mate) aan verdachte is te wijten, ontslaan haar naar het oordeel van de rechtbank niet van de zorgplicht die zij als bestuurder van haar personenauto heeft te betrachten. Juist het bestaan van een situatie met wegwerkzaamheden en uitgeschakelde verkeerslichten, waarbij door middel van verkeersborden was aangegeven dat een maximumsnelheid van 30 km/u gold en verdachte werd gewaarschuwd dat zij een oversteekplaats voor fietsers naderde, had ertoe moeten leiden dat verdachte aanzienlijk voorzichtiger had moeten rijden dan zij heeft gedaan. Dat zij deze borden niet heeft gezien komt voor rekening van verdachte. De rechtbank verwerpt daarom het verweer.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van rijgedrag dat niet voldoet aan datgene wat gemiddeld genomen van een bestuurder zoals de verdachte in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Het gedrag kan worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag dat verwijtbaar is. Daarmee is sprake van schuld aan het ongeval in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Primair

op 19 november 2013 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, De Amsterdamsestraatweg, zich zodanig, te weten aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen, dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, te weten [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten ernstig hersenletsel en eenzijdige verlamming van de linker lichaamshelft is ontstaan, doordat zij, met een snelheid van minimaal 61 kilometer per uur, een aanmerkelijk hogere snelheid dan de op dat moment vanwege werkzaamheden aldaar toegestane maximum snelheid van 30 kilometer per uur heeft gereden en vervolgens een oversteekplaats, waar de verkeerslichten waren uitgeschakeld, voor fietsen en bromfietsen is genaderd, terwijl op dat moment een fietser, [slachtoffer] , die oversteekplaats overstak, zonder dat zij haar snelheid zodanig had geregeld, dat zij in staat was om haar voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover deze vrij was en vervolgens met het door haar bestuurde motorrijtuig tegen een op die oversteekplaats overstekende fietser, [slachtoffer] , is gebotst.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem onder primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 150 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen, en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht, bij bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde, een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen. Een ontzegging van de rijbevoegdheid wordt niet passend geacht, aangezien het rijbewijs van verdachte na het ongeval niet is ingevorderd en zij haar rijbewijs al die tijd heeft mogen behouden.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden. Het slachtoffer [slachtoffer] , ten tijde van het ongeluk 12 jaar oud, heeft daarbij zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Uit een brief van de revalidatiearts van [slachtoffer] van 21 april 2015 blijkt dat in de huidige situatie zij op cognitief vlak uitsluitend in staat is tot het uitvoeren van concrete opdrachten in een 1 op 1 situatie waarbij de opdrachten duidelijk moeten worden geïnstrueerd en in de context worden gegeven dat er alleen communicatie mogelijk is als reactie op vragen, dat zij zich uitsluitend kan verplaatsen in een rolstoel waarbij de afstanden beperkt zijn en dat zij incontinent en volledig afhankelijk is. [slachtoffer] heeft daarnaast twee tot drie keer per dag (zware) epileptische aanvallen. Voor de toekomst is erop ingezet dat [slachtoffer] bij haar moeder gaat wonen in een aangepaste woonsituatie, hetgeen alleen haalbaar is met maximale zorg/ondersteuning aan huis.

Het leven voor [slachtoffer] alsmede het leven van de mensen om haar heen is, zoals ook uit de door de vader van het slachtoffer ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt, onherstelbaar veranderd na het ongeluk.

Hoewel van een andere orde, heeft het ongeluk ook impact gehad op verdachte. Uit het reclasseringsrapport van 7 juli 2015 blijkt dat zij zich zakelijk en rationeel opstelt, maar het ongeluk wel degelijk emotionele gevolgen voor haar heeft gehad. Voor het overige is het leven van verdachte stabiel en het recidiverisico wordt ingeschat als laag.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 3 juni 2015 blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld.

Om te bevorderen dat landelijk voor dezelfde feiten door rechtbanken ongeveer dezelfde straf wordt opgelegd, zijn landelijke oriëntatiepunten voor strafoplegging ontwikkeld. Deze oriëntatiepunten van het LOVS13 adviseren in geval van het veroorzaken van een verkeersongeval met als gevolg zwaar lichamelijk letsel door een aanmerkelijke verkeersfout een taakstraf van 90 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden. De rechtbank is echter van oordeel dat het in dit stadium opleggen van een ontzegging van de rijbevoegdheid niet meer passend is, gelet op het feit dat het ongeval reeds geruime tijd geleden, op 19 november 2013, heeft plaatsgevonden, het rijbewijs van verdachte nadien niet is ingevorderd en verdachte derhalve al die tijd haar rijbewijs heeft mogen behouden. Om nu alsnog het rijbewijs van verdachte te ontnemen, acht de rechtbank niet opportuun.

Gelet op de ernst van het letsel vindt de rechtbank de hoogte van de door de officier van justitie gevorderde werkstraf, te weten 150 uren, wel passend. Omdat het echter lang heeft geduurd voordat deze zaak op zitting is gebracht en bij verdachte daardoor de verwachting is gewekt dat de zaak niet strafrechtelijk zou worden vervolgd, zal een deel van deze werkstraf voorwaardelijk worden opgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden een werkstraf voor de duur van 150 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden is.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht en artikel 6 en 175 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 150 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen.

Beveelt dat een gedeelte van deze straf, groot 50 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij verdachte zich voor het einde van de op 2 jaren bepaalde proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Beveelt dat, als de verdachte het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 25 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G. Perrick, voorzitter,

mrs. N.H.J.M. Veldman-Gielen en R.L.M. van Opstal, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Elk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 augustus 2015.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

Primair

zij op of omstreeks 19 november 2013 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht,

althans in het arrondissement Midden-Nederland, als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg,

De Amsterdamsestraatweg, zich zodanig, te weten roekeloos, in elk geval zeer,

althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of oplettend en/of onachtzaam heeft

gedragen, dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden, waardoor aan een ander, te weten [slachtoffer] , zwaar

lichamelijk letsel, te weten ernstig hersenletsel en/of

eenzijdige verlamming van de linker lichaamshelft, in elk geval zodanig

letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van

de normale bezigheden is ontstaan,

doordat zij, met een snelheid van minimaal 61 kilometer per uur, athans een

aanmerkelijk hogere snelheid dan de op dat moment (vanwege werkzaamheden)

aldaar toegestane maximum snelheid van 30 kilometer per uur heeft gereden

en/of (vervolgens) een oversteekplaats, waar de verkeerslichten waren

uitgeschakeld, voor fietsen en bromfietsen is genaderd, terwijl op dat moment

een fietser, [slachtoffer] , die oversteekplaats overstak, zonder dat zij haar

snelheid zodanig had geregeld, dat zij in staat was om haar voertuig tot

stilstand te brengen binnen de afstand waarover deze vrij was en/of vervolgens

met het door haar bestuurde motorrijtuig tegen een op die oversteekplaats

overstekende fietser, [slachtoffer] , is gebotst;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair

zij, op of omstreeks 19 november 2013, te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht,

althans in het arrondissement Midden-Nederand, als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer

openstaande weg, De Amsterdamsestraatweg, met een snelheid van minimaal 61

kilometer per uur, althans met een aanmerkelijk hogere snelheid dan de op dat

moment (vanwege werkzaamheden) aldaar toegestane maximum snelheid van 30

kilometer per uur, een oversteekplaats, waar de verkeerslichten waren

uitgeschakeld, voor fietsen en bromfietsen is genaderd, terwijl op dat moment

een fietser, [slachtoffer] , die oversteekplaats overstak, zonder dat zij haar

snelheid zodanig had geregeld, dat zij in staat was om haar voertuig tot

stilstand te brengen binnen de afstand waarover deze vrij was en/of vervolgens

met het door haar bestuurde motorrijtuig tegen een op die oversteekplaats

overstekende fietser, [slachtoffer] , is gebotst;

door welke gedraging(en) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon

worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon

worden gehinderd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nummer PL0900-2013261906 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Het proces-verbaal van aanrijding, d.d. 19 september 2014, niet genummerd.

3 Het proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse, d.d. 16 augustus 2014, p. 4.

4 Het proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse, d.d. 16 augustus 2014, p. 7.

5 Het proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse, d.d. 16 augustus 2014, p. 8.

6 Het proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse, d.d. 16 augustus 2014, p. 9.

7 Het proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse, d.d. 16 augustus 2014, p. 29.

8 Het proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse, d.d. 16 augustus 2014, p. 30.

9 Het proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse, d.d. 16 augustus 2014, p. 33.

10 Het proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse, d.d. 16 augustus 2014, p. 42.

11 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 23 juli 2015.

12 De geneeskundige verklaring, d.d. 28 oktober 2014, niet genummerd.

13 Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren van de gerechtshoven en rechtbanken, laatstelijk bijgewerkt in april 2015.