Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5882

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-08-2015
Datum publicatie
27-08-2015
Zaaknummer
C/16/360643 / HA ZA 14-56
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Curatoren vorderen betaling openstaande facturen aan boedel, o.g.v. internationale overeenkomst van bewaarneming. Algemene voorwaarden van toepassing (o.m. inhoudend verrekeningsverbod) ?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2015-0254
AR 2015/1795
AR 2015/1796
RCR 2015/84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/360643 / HA ZA 14-56

Vonnis van 12 augustus 2015

in de zaak van

1 LEENDERT CHRISTIAAN DE JONG

2. MAARTEN JOCHEM ROGIER JANSEN

in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van

[bedrijf] ,

kantoorhoudende te Utrecht,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. G. Rolle,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht BRANTINA S.L,

gevestigd te San Juan de Alicante, Spanje,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M. Teekens.

Partijen zullen hierna de curatoren en Brantina genoemd worden. [bedrijf] zal hierna [bedrijf] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 18 juni 2014

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 12 januari 2015

  • -

    de akte uitlating, overlegging producties en wijziging van eis aan de zijde van Brantina

  • -

    de antwoordakte van de curatoren

  • -

    de akte uitlating productie van Brantina.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[bedrijf] houdt zich bezig met de temperatuurgecontroleerde opslag van (in hoofdzaak) vers fruit. Zij exploiteert daartoe een of meer koelhuizen. De opslag vindt plaats krachtens met haar opdrachtgevers gesloten bewaarnemingsovereenkomsten. Brantina, die in vers fruit handelt, is sedert 2006 een van haar bewaargevers. [bedrijf] is gevestigd in Bunnik en hanteert de algemene voorwaarden van de vereniging van Nederlandse koel- en vrieshuizen, hierna: de Nekovri-voorwaarden.

2.2.

In artikel 61 van de Nekovri-voorwaarden is bepaald dat op overeenkomsten waarop zij van toepassing zijn Nederlands recht toepasselijk is en dat ten aanzien van geschillen omtrent die overeenkomsten de rechter bevoegd is van de woonplaats van de bewaarnemer (in casu deze rechtbank als rechter binnen wiens ambtsgebied [bedrijf] gevestigd is).

2.3.

Artikel 45 van de Nekovri-voorwaarden kent de navolgende bepalingen:

lid 1: de bewaargever moet al hetgeen hij aan de bewaarnemer verschuldigd is, terstond en zonder toepassing van verrekening voldoen op de daartoe bekend gemaakte vervaldag;

lid 2: tenzij anders overeengekomen, geldt als betalingstermijn voor de bewaargever één maand na factuurdatum, is bij overschrijding van die termijn de bewaargever van rechtswege in verzuim en is hij vanaf dat moment een vertragingsrente verschuldigd van 1% per maand;

lid 5: alle vorderingen van de bewaarnemer op de bewaargever zullen terstond opeisbaar zijn indien de bewaargever failliet wordt verklaard, surseance van betaling aanvraagt, indien er op zijn goederen beslag wordt gelegd, indien hij anderszins de vrije beschikking over zijn vermogen verliest, indien hij een akkoord aan zijn schuldeisers aanbiedt, indien hij in gebreke is met de nakoming van enige verplichting jegens de bewaarnemer en indien hij ophoudt zijn bedrijf uit te oefenen of dat bedrijf (als het gaat om een rechtspersoon of vennootschap) in liquidatie treedt;

lid 6: bij overschrijding van enige betalingstermijn waarvoor de bewaargever van rechtswege in verzuim is, is de bewaargever alle kosten verschuldigd die de bewaarnemer ter inning van de vordering moet maken, waarbij de buitengerechtelijke kosten worden berekend op basis van de richtlijnen van de Nederlandse orde van advocaten, met een minimum van € 500.

2.4.

In artikel 46 van de Nekovri-voorwaarden is bepaald, kort gezegd, dat de bewaarnemer retentie- en pandrecht heeft op alle gelden en goederen die hij van de bewaargever onder zich heeft, tot zekerheid van hetgeen de bewaargever hem verschuldigd is of zal worden.

2.5.

Op 2 januari 2010 hebben [bedrijf] en Brantina een overeenkomst gesloten, waarbij zij de voorwaarden van de dat jaar tussen hen te sluiten bewaarnemingsovereenkomsten hebben vastgelegd. Daarin is onder meer opgenomen als betalingstermijn ‘Payment within 30 days after date of invoice’. Zij zijn daarbij ook overeengekomen dat er over het jaar 2008 op 2 januari 2010 een bedrag van € 400.000 openstond als door Brantina te betalen en dat zij die achterstand mocht voldoen in maandelijkse termijnen van € 12.500 elk, te betalen elke 15e van de maand, te beginnen op 15 maart 2010. De schriftelijke vastlegging van de overeenkomst luidt in dat verband:

‘On 2 January 2010 there is an out standing amount of 400.000,- Brantina S.L. make the agreement that he pays every month on the 15th € 12.500,- on the account of [bedrijf] till the € 400.000,0 is completed payed. (…) First payments will be on 15 March 2010.’

In de schriftelijke vastlegging van de overeenkomst is voorts opgenomen:

‘The Nekovri-conditions, filled in the registries court at Rotterdam, apply to all offers, and transactions effected by [bedrijf] . In case of dispute, exclusive the judge will be competent. These are the same as last three years.’

De overeenkomst is getekend door [A] namens [bedrijf] en door [B] (bestuurder van Brantina) namens Brantina. Direct boven de handtekening van [B] staat ‘Signed: as agreed to above-mentioned quotations and well reception of the Nekovri-conditions’.

2.6.

Op 27 september 2010 heeft IQ Packaging B.V. conservatoir beslag doen leggen op een partij fruit die [bedrijf] van Brantina onder zich had. [bedrijf] heeft diezelfde dag aan Brantina meegedeeld dat haar schuld aan [bedrijf] (toen beweerdelijk groot € 377.072,75) door die beslaglegging opeisbaar was geworden en haar gesommeerd die schuld binnen drie dagen te voldoen, bij gebreke waarvan het fruit openbaar verkocht zal worden krachtens [bedrijf] ’s pandrecht. Brantina heeft daarop het weghalen van het fruit geblokkeerd door een laadverbod.

2.7.

[bedrijf] heeft zich kort nadien tot de voorzieningenrechter in deze rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 3:251 lid 1 BW, ertoe strekkende dat de goederen die [bedrijf] als (beweerdelijk) pandhouder van Brantina onder zich heeft, aan [bedrijf] zullen verblijven, tegen een waarde van € 296.200. In dat geding is een taxatierapport van de desbetreffende goederen overgelegd van Expertisebureau [expertisebureau] (hierna: [expertisebureau] ) van 1 oktober 2010. Daarin staat vermeld dat de goederen op 23 en 24 september 2010 door [expertisebureau] in het koelhuis van [bedrijf] zijn geïnspecteerd. Het rapport vermeldt als uitkomst daarvan dat ‘48.474 cartons and 691 bins citrus fruit’ in de waardebepaling zijn betrokken, onderverdeeld in:

  • -

    lemons 9.950 cartons

  • -

    lemons 4.320 cartons

  • -

    oranges 720 cartons, 42 bins

  • -

    oranges 80 cartons

  • -

    oranges 8.324 cartons, 362 bins

  • -

    oranges 1.040 cartons, 42 bins

  • -

    oranges 5.260 cartons, 6 bins

  • -

    oranges 9.742 cartons, 131 bins

  • -

    oranges 350 cartons

  • -

    mandarins 5.284 cartons

  • -

    mandarins 2.464 cartons

  • -

    grapefruits 1.198 cartons

  • -

    grapefruits 67 cartons

  • -

    grapefruits 75 cartons.

Het rapport bevat een aantal pagina’s met algemene informatie. Daarachter bevinden zich pagina’s waarin per ‘lot’ (van 13 ‘lots’ is de waarde door [expertisebureau] getaxeerd), enige gegevens zijn opgenomen. Op die desbetreffende pagina’s is ten aanzien van die 13 ‘lots’ als volgt vermeld:

- lot 1 betreft ‘13.470 cartons lemons’ met een getaxeerde handelswaarde (de conditie op de taxatiedag daarin verdisconteerd) van € 296.020 (danwel € 296.200) en ‘400 cartons lemons’ met een zodanige waarde van € 7.200;

- lot 2 betreft ‘2.464 cartons mandarins’ met een zodanige waarde van € 32.032

- lot 3 betreft ’70 cartons grapefruits’ met een zodanige waarde van € 980 en ‘1.128 cartons’ met een zodanige waarde van € 15.792;

- lot 4 betreft ‘108 bins grapefruits’ met een zodanige waarde van € 28.350;

- lot 5 betreft ‘5.284 cartons mandarins’ met een zodanige waarde van € 87.252;

- lot 6 betreft ‘720 cartons oranges’ met een zodanige waarde van € 7.920;

- lot 7 betreft ’36 bins oranges’ met een zodanige waarde van € 6.930 en ‘6 bins oranges’ met een zodanige waarde van € 1.440;

- lot 8 betreft ’42 bins oranges’ met een zodanige waarde van € 7.560;

- lot 9 is blijkens het rapport ‘not inspected’

- lot 10 betreft ‘350 cartons oranges’ met een zodanige waarde van € 3.850, ‘7 bins oranges’ met een zodanige waarde van € 900, ’50 bins oranges’ met een zodanige waarde van € 7.822.50, ’74 bins oranges’ met een zodanige waarde van € 8.790;

- lot 11 betreft ‘9.502 cartons oranges’ met een zodanige waarde van € 104.522 en ‘240 cartons oranges’ met een zodanige waarde van € 2.640;

- lot 12 betreft ‘102 bins oranges’ met een zodanige waarde van € 24.480 en ’36 bins oranges’ met een zodanige waarde van € 6.480, ‘116 bins oranges’ met een zodanige waarde van € 16.240, ‘108 bins oranges’ met een zodanige waarde van € 13.230 en ‘6 bins oranges’ met een zodanige waarde van € 1.440;

- lot 13 betreft ‘104 cartons oranges’ met een zodanige waarde van €1.144, ’32 cartons oranges’ met een zodanige waarde van € 320, ‘5.260 cartons oranges’ met een zodanige waarde van € 57.860, ‘7.648 cartons oranges’ met een zodanige waarde van € 84.124, ‘400 cartons oranges’ met een zodanige waarde van € 4.400 en ‘1.020 cartons oranges’ met een zodanige waarde van € 11.220.

Het totaal van deze deelwaarden sluit op € 840.938,50, indien wordt uitgegaan van € 296.020 als waarde van lot 1.

2.8.

In haar beschikking van 7 oktober 2010 heeft de voorzieningenrechter overwogen en beslist, kort gezegd, als volgt:

  • -

    op de overeenkomst tussen partijen van 2 januari 2010 zijn de Nekovri-voorwaarden van toepassing;

  • -

    tussen partijen is niet in geschil dat [bedrijf] een pandrecht toekomt op het fruit van Brantina dat zij onder zich heeft;

  • -

    [expertisebureau] heeft de partij fruit getaxeerd op € 296.020;

  • -

    de beslaglegging door IQ Packaging B.V. had tot gevolg dat de vordering van [bedrijf] op Brantina opeisbaar is geworden, gezien artikel 45 lid 5 Nekovri-voorwaarden;

- aangezien Brantina die vordering onbetaald laat, is [bedrijf] gerechtigd haar pandrecht uit te winnen; nu aannemelijk is dat [bedrijf] bij openbare verkoop geen hogere opbrengst zal realiseren dan de getaxeerde waarde ad € 296.020, moet [bedrijf] worden toegestaan dat de verpande goederen aan haar verblijven voor een bedrag van € 296.000 (inclusief btw, maar exclusief invoerrechten).

Brantina is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep dat zij tegen deze beschikking heeft ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam, op de grond dat tegen een dergelijke beschikking geen hoger beroep open staat.

2.9.

In een kortgedingvonnis van dezelfde voorzieningenrechter, ook van 7 oktober 2010, is de vordering van Brantina tot teruggave van het fruit afgewezen en is de reconventionele vordering van [bedrijf] tot opheffing van het beslag dat Brantina onder [bedrijf] op het fruit had doen leggen, toegewezen.

2.10.

[bedrijf] heeft naar aanleiding van de genoemde beschikking € 296.000 op haar (toenmalige, beweerdelijke) vordering op Brantina in mindering gebracht. Zij heeft de partij fruit die onder haar is verbleven kort na 7 oktober 2010 (geheel of gedeeltelijk, partijen strijden daarover) aan derden verkocht, voor in totaal € 279.448,10 exclusief btw.

2.11.

Brantina heeft op enig moment een aan haar toebehorende ompakmachine in de bedrijfsruimten van [bedrijf] geplaatst. In verband met de door [bedrijf] gepretendeerde vordering op Brantina heeft [bedrijf] zich ten aanzien van deze machine op het retentierecht beroepen zoals in artikel 46 van de Nekovri-voorwaarden omschreven en geweigerd deze desgevraagd aan Brantina terug te geven.

2.12.

Op 26 maart 2013 is [bedrijf] in staat van faillissement verklaard met benoeming van de curatoren als zodanig.

3 De vorderingen

in conventie

3.1.

De curatoren vorderen na wijziging van eis samengevat - dat, uitvoerbaar bij voorraad:

I. Brantina wordt veroordeeld tot betaling aan de curatoren van € 245.678,14, vermeerderd met (primair) de contractuele rente ad 1% per maand dan wel (subsidiair) de wettelijke rente over € 241.513,14, telkens vanaf de respectieve vervaldata van de desbetreffende facturen dan wel vanaf 2 april 2014, tot aan de voldoening,

II. Brantina wordt veroordeeld in de gedingkosten, met inbegrip van het aan de rechtbank te Den Haag voldane griffierecht ad € 1.474,00 en met nakosten, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de 15e dag na het te wijzen vonnis, althans per zodanige datum als de rechtbank in goede justitie zal bepalen,

III. het vonnis wordt gewaarmerkt als Europese executoriale titel als bedoeld in Verordening EG nr. 805/2004 (EET-Verordening).

3.2.

De gevorderde hoofdsom beloopt het totaal van de navolgende nota’s die Brantina naar zeggen van de curatoren verschuldigd is en die zij geheel of gedeeltelijk onbetaald heeft gelaten, alsmede betreft die hoofdsom een deelbedrag ad € 4.165,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. De nota’s worden hierna aangeduid met de hieronder vermelde letteraanduiding.

factuurnummer omschrijving factuurdatum vervaldatum openstaand bedrag

a VF2009-06279 Interest Invoices 21-9-2009 21-9-2009 € 38.364,75

b VF2O1O-06953 Storagecharges 30-8-2010 29-9-2010 € 742,00

c VF2O1O-06874 Storagecharges 30-8-2010 29-9-2010 € 1.603,00

d VF2O1O-07016 Storagecharges 1-9-2010 30-9-2010 € 670,00

e VF2010-07031 T1 2-9-2010 2-10-2010 € 70,00

f VF2O1O-07035 T1 2-9-2010 2-10-2010 € 70,00

g VF2O1O-07047 Storagecharges 6-9-2010 6-10-2010 € 7.100,00

h VF2O1O-07092 Storagecharges 8-9-2010 7-10-2010 € 1.634,00

i VF2O1O-07189 Storagecharges 9-9-2010 9-10-2010 € 475,00

j VF2O1O-07283 Storagecharges 14-9-2010 13-10-2010 € 3.022,00

k VF2O1O-07351 Storagecharges 15-9-2010 14-10-2010 € 2.322,00

l VF2O1O-07382 Storagecharges 20-9-2010 20-10-2010 € 2.481,00

mVF2O1O-07435 Storagecharges 21-9-2010 21-10-2010 € 1.959,00

n VF2O1O-07438 Rent Repack 21-9-2010 21-9-2010 € 20.000,00

Room Bunnik

o VF2O1O-07494 Storagecharges 26-9-2010 27-10-2010 € 560,00

p VF2O1O-07625 Storagecharges 30-9-2010 29-10-2010 € 6.357,00

q VF2O1O-07786 DHL 5-10-2010 4-11-2010 € 141,32

r VF2O1O-08308 Storagecharges 8-10-2010 7-11-2010 € 5.770,00

s VF2O1O-07924 Storagecharges 10-10-2010 10-11-2010 € 20.990,00

t VF2O1O-08001 Storagecharges 12-10-2010 10-11-2010 € 7.588,00

u VF2O1O-08058 Storagecharges 18-10-2010 17-11-2010 € 23.185,00

v VF2O1O-08131 Storagecharges 19-10-2010 17-11-2010 € 2.950,00

wVF2O1O-08193 Storagecharges 20-10-2010 19-11-2010 € 1.350,00

x VF2O1O-08635 Custom Clearance 10-11-2010 14-11-2010 € 45.921,10

10 2010

y VF2O1O-09316 Costs Court 8-12-2010 7-1-2011 € 20.320,74

z VF2012-00429 Custom Clearance 18-1-2012 17-2-2012 € 25.867,23.

12 2011

Het totaal van deze factuurbedragen beloopt € 241.513,14. Tezamen met de € 4.165,00 aan buitengerechtelijke incassokosten beloopt dat totaal de gevorderde hoofdsom.

3.3.

Brantina voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

Brantina vordert – na wijziging van eis en samengevat – dat, uitvoerbaar bij voorraad:

* de curatoren worden veroordeeld om in de lijst van voorlopig erkende concurrente vorderingen op te nemen:

  1. de vordering van Brantina op [bedrijf] ad € 509.040,38, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2010 althans een in goede justitie te bepalen latere datum, rekening houdend met de verrekening in conventie, althans

  2. de vordering van Brantina op [bedrijf] ad € 839.794,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2010 althans een in goede justitie te bepalen latere datum, in het geval geen rekening wordt gehouden met het verrekeningsverweer in conventie

* en voorts:

c) voor recht wordt verklaard dat de curatoren geen recht van retentie hebben op de machine en deze in de macht van Brantina dienen te brengen binnen drie dagen na het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 1.000 (althans een in goede justitie te bepalen andere som) per dag dat niet wordt voldaan aan die veroordeling,

d) de curatoren worden veroordeeld in de gedingkosten.

3.6.

De curatoren voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.

De curatoren hebben bepleit dat de nadere akte van Brantina (genomen na de comparitie) buiten de beoordeling wordt gelaten, op de grond dat deze akte een ruimere inhoud heeft dan de rechtbank Brantina bij gelegenheid van de comparitie heeft toegestaan. De rechtbank verwerpt deze stelling, omdat de nadere akte van Brantina weliswaar een aanmerkelijke omvang heeft, maar naar de inhoud is beperkt tot de geschilpunten die ook reeds onderwerp van dit geding vormden ten tijde van de comparitie. Bovendien hebben de curatoren in hun antwoordakte tegen de gehele inhoud van de nadere akte van Brantina verweer gevoerd, zodat zij (nu die nadere akte in de beoordeling van het geschil wordt betrokken) niet in hun verdediging zijn geschaad.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of op de in geding zijnde overeenkomst van 2 januari 2010 de Nekovri-voorwaarden van toepassing zijn. Uitgaande van die toepasselijkheid is niet tussen hen in geschil dat die voorwaarden alsdan zowel de afspraken beheersen die [bedrijf] en Brantina daarbij hebben gemaakt rond de voorwaarden die in 2010 tussen hen zouden gelden, alsook de aflossingsregeling die daarbij is overeengekomen ten aanzien van de schuld die Brantina nog uit 2008 open had staan.

4.3.

Ook indien de Nekovri-voorwaarden niet gelden, zodat geen sprake is van een rechts- en forumkeuze uit dien hoofde, dient het geschil door deze rechtbank naar Nederlands recht te worden beoordeeld. Partijen hebben dat in dit geding immers eensluidend verklaard, daarbij verwijzend naar de toepasselijke regels van internationaal privaatrecht. De rechtbank verstaat deze uitlating aldus dat het ook hier om een keuze van partijen gaat: conform dat internationale privaatrecht voor zover dat toepasselijke recht en die bevoegdheid daarmee stroken en overigens op basis van zelfstandige besluitvorming door partijen. Of de Nekovri-voorwaarden van toepassing zijn, is daarom voor het bevoegde forum en het toepasselijke recht niet van belang.

4.4.

Voor enkele van de overige geschilpunten is dat echter wel van belang, zoals omtrent de vraag of de beslaglegging op 27 september 2010 door IQ Packaging B.V ten laste van Brantina een situatie deed ontstaan als bedoeld in artikel 45 lid 5 van de Nekovri-voorwaarden, waardoor Brantina’s toen bestaande schuld aan [bedrijf] ineens opeisbaar werd. De curatoren stellen dat die opeisbaarheid reeds voortvloeit uit het feit dat Brantina op 29 september 2010 was gestopt de op 2 januari 2010 overeengekomen afbetalingsregeling na te komen, zodat ook hier de toepasselijkheid van de Nekovri-voorwaarden niet relevant is, maar dat is onjuist. Vast staat immers dat Brantina met die nakoming is gestopt bij wijze van opschorting harerzijds, in reactie op de (in haar ogen onterechte) opeising van haar schuld als gevolg van de beslaglegging en de daarbij aangekondigde uitwinning van het pandrecht. Als de Nekovri-voorwaarden niet van toepassing waren, waren die opeising en aankondiging niet op rechtsgeldige grond gebaseerd en stond het Brantina vrij op te schorten (naar de rechtbank haar stellingen verstaat: vooruitlopend op het alsnog correct nakomen door [bedrijf] dan wel vooruitlopend op verrekening met Brantina’s schadevergoedingsvordering). Brantina heeft nog gesteld dat ook als de Nekovri-voorwaarden wel toepasselijk zijn, artikel 45 lid 5 daarvan niet tot de opeisbaarheid van haar schuld aan [bedrijf] leidde, omdat daarvan blijkens dat artikellid slechts sprake is indien Brantina de vrije beschikking over haar gehele vermogen verliest en dat geval doet zich hier niet voor, nu IQ Packaging B.V. slechts een beperkt beslag heeft gelegd. Die stelling faalt. Noch uit de woorden dat de opeisbaarheid volgt uit beslag op goederen van de schuldenaar, noch uit de overige bewoordingen van dat artikellid, noch uit de kennelijke strekking van die gehele bepaling volgt dat alleen van die opeisbaarheid sprake is indien dat beslag het gehele vermogen van de schuldenaar treft, zoals Brantina betoogt. Het komt daarom (in elk geval) op het punt van die opeisbaarheid hier wel aan op het al of niet toepasselijk zijn van de Nekovri-voorwaarden.

4.5.

De curatoren stellen dat de Nekovri-voorwaarden reeds van meet af aan tussen [bedrijf] en Brantina toepasselijk waren, dat die telkens op de tussen partijen gesloten overeenkomsten stonden vermeld en bij het sluiten ervan (dus ook op 2 januari 2010) ter hand zijn gesteld in de Engelse taal, nu daarvan steeds een aantal exemplaren ter beschikking waren op het kantoor van [bedrijf] , dat hun toepasselijkheid ook telkens op de voorzijde van de door [bedrijf] verzonden facturen stond vermeld, dat de hier relevante artikelen op de achterkant van die facturen stonden afgedrukt in de Engelse taal en dat hun toepasselijkheid ook met zoveel woorden in de overeenkomst van 2 januari 2010 is vermeld, zoals onder 2.5 weergegeven. De zinsnede die in de schriftelijke overeenkomst van die datum direct boven de handtekening van [B] is vermeld, betreft naar stelling van de curatoren geen standaardformule, noch een verklaringsfictie. De Nekovri-voorwaarden zijn aldus op de in geding zijnde overeenkomst van toepassing, incluis de bepalingen omtrent het pand- en retentierecht en de opeisbaarheid, waarop de curatoren zich beroepen.

4.6.

Brantina bestrijdt die toepasselijkheid. Zij ontkent de Nekovri-voorwaarden ooit eerder ter hand gesteld te hebben gekregen dan bij gelegenheid van de gedingen die in oktober 2010 tussen haar en [bedrijf] zijn gevoerd. Zij ontkent dat de Nekovri-voorwaarden op de eerdere overeenkomsten stonden vermeld. Omdat zij nooit originele facturen van [bedrijf] heeft ontvangen, bestrijdt zij ook dat op de achterzijde van de ontvangen facturen de (verkorte) inhoud van de Nekovri-voorwaarden stond afgedrukt. Voor toepasselijkheid is naar haar zeggen vereist dat de inhoud van de Nekovri-voorwaarden haar door [bedrijf] is meegedeeld of dat haar een redelijke gelegenheid is geboden van de inhoud ervan kennis te nemen, hetgeen temeer geldt nu de Nekovri-voorwaarden een als kernbeding aan te merken bepaling bevatten waarbij [bedrijf] pandrecht wordt verschaft. Daarbij komt naar haar stelling betekenis toe aan de geschonden informatieplicht van [bedrijf] , zoals bedoeld in artikel 6:230a, aanhef en onder 6, BW, aan de hier geldende eisen van redelijkheid en billijkheid en aan de Principles of European Contract Law. De vermelding boven de handtekening van [B] in de overeenkomst van 2 januari 2010 is een verklaringsfictie en dus inhoudelijk onjuist en er waren geen exemplaren van de Nekovri-voorwaarden voorhanden op het kantoor van [bedrijf] bij het sluiten van de overeenkomsten, aldus - telkens - Brantina.

4.7.

Naar terecht tussen partijen als uitgangspunt geldt, is krachtens artikel 6:247, lid 2 BW de derde afdeling van titel 5 van boek 6 BW hier niet van toepassing. Dat brengt mee dat de vraag naar de toepasselijkheid van de Nekovri-voorwaarden moet worden beantwoord aan de hand van de reguliere wettelijke criteria omtrent aanbod en acceptatie, zoals neergelegd in artikel 6:217 BW en verder. In het geval de derde afdeling van titel 5 van boek 6 BW wel geldt, kan op de voet van artikel 6:232 BW een snelle binding aan algemene voorwaarden worden aangenomen (ook als de wederpartij van de gebruiker van de voorwaarden de inhoud ervan niet kende en de gebruiker dat begreep), omdat die wederpartij de in die afdeling omschreven vernietigingsgronden ten dienste staan. Dat laatste is hier niet het geval. Daarom moet bij de vraag of de Nekovri-voorwaarden overeengekomen zijn, niet alleen worden bezien of de gelding ervan in het algemeen is aangeboden en aanvaard, maar ook of voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan Brantina voldoende kenbaar was en zo nee, of [bedrijf] bij het sluiten van de overeenkomst aan Brantina alsnog voldoende kenbaar heeft gemaakt wat de inhoud van de Nekovri-voorwaarden is. Bij het ontbreken van die kenbaarheid vormt de enkele aanvaarding door Brantina van de toepasselijkheid van de Nekovri-voorwaarden immers onvoldoende basis om wilsoverstemming tussen partijen aan te nemen ten aanzien van de individuele bepalingen van de Nekovri-voorwaarden. Een en ander strookt met de informatieplicht die op [bedrijf] (als dienstverlener in de zin van de Dienstenrichtlijn 2006/123/EG) rustte uit hoofde van artikel 6:230b, aanhef en onder 6 BW, zoals nader omschreven in artikel 6:230c BW. Ook strookt een en ander met de Principles of European Contract Law (2002), die eenvormige regels geven ter bevordering van de naleving van de goede trouw in de internationale handel. Deze Principles beogen onder meer een oplossing te bieden in gevallen waarin de toepasselijke regels deze niet bieden (art. 1:101), zoals in dit geval, nu uit de genoemde Richtlijn en het daarop gebaseerde Nederlandse recht niet volgt welke gevolgen aan een schending van de informatieplicht door de dienstverlener verbonden zijn, (anders dan in de hier niet toepasselijke derde afdeling van titel 5 van boek 6 BW). In zoverre is hier art. 2:104 van de genoemde Principles van belang, waarin het uitgangspunt is neergelegd dat de gebruiker van algemene voorwaarden daar tegenover een wederpartij, die de inhoud daarvan niet kent, alleen een beroep op kan doen als hij redelijke stappen heeft gezet om de algemene voorwaarden onder de aandacht van zijn wederpartij te brengen, waarbij een enkele verwijzing in een contract niet voldoende is, ook niet als dit door die wederpartij is ondertekend. Die regel kan hier niet anders tot gelding komen dan door daaraan betekenis toe te kennen in het kader van de vraag of de Nekovri-voorwaarden zijn overeengekomen.

4.8.

De stelplicht en bewijslast in deze kwestie rust in beginsel op de curatoren, nu zij zich op de rechtsgevolgen van de beweerdelijke toepasselijkheid van de Nekovri-voorwaarden beroepen. Voor zover zij hebben beoogd te stellen dat de inhoud van de Nekovri-voorwaarden ook reeds voor 2 januari 2010 aan Brantina kenbaar was, omdat die inhoud gebruikelijk was in de branche, is die (door Brantina weersproken) stelling niet voldoende onderbouwd en faalt zij daarom. Daarbij is van belang dat niet is gesteld dat en hoe Brantina, op grond van dat branchegebruik, ook anders dan door toedoen van [bedrijf] bekend was of behoorde te zijn met de inhoud van de Nekovri-voorwaarden. Het komt daarom aan op de vraag of Brantina voor 2 januari 2010 door toedoen van [bedrijf] bekend was of kon zijn met die inhoud en zo nee, of [bedrijf] het bij gelegenheid van de overeenkomst van die datum, alsnog tot die kenbaarheid heeft geleid.

4.9.

Nu de bestuurder van Brantina de overeenkomst van 2 januari 2010 heeft getekend en daarin de onder 2.5 vermelde tekst stond, is (behoudens tegenbewijs) bewezen dat de toepasselijkheid van de Nekovri-voorwaarden (toen) is overeengekomen, dat die Nekovri-voorwaarden in gelijke vorm gedurende de drie daaraan voorafgaande jaren tussen partijen van kracht waren en dat zij bij gelegenheid van het sluiten van de overeenkomst van 2 januari 2010 aan Brantina zijn overhandigd. Met die overhandiging heeft [bedrijf] aan haar voormelde inlichtingenplicht voldaan en zijn de Nekovri-voorwaarden toepasselijk geworden. De schriftelijke overeenkomst van 2 januari 2010 vormt immers een onderhandse akte waaraan de in artikel 157 Rv omschreven dwingende bewijskracht toekomt. Wat Brantina op dit punt heeft gesteld, maakt dat niet anders, omdat onweersproken vast staat dat de vermelding van hetgeen direct boven de handtekening van [B] staat, geen standaardvermelding betreft en omdat Brantina een professionele commerciële partij is. Gezien hetgeen onder 4.7 is overwogen is hier vooral de bewijskracht ten aanzien van de overhandiging van de Nekovri-voorwaarden van belang. Nu Brantina heeft aangeboden door getuigen te bewijzen dat de Nekovri-voorwaarden toen niet zijn overhandigd, zal zij worden toegelaten dat (tegen)bewijs bij te brengen.

4.10.

Indien Brantina in dat tegenbewijs slaagt, komt het aan op de vraag of Brantina uit anderen hoofde dan door die overhandiging vóór 2 januari 2010 bekend was of redelijkerwijs kon zijn met de inhoud van de Nekovri-voorwaarden. Voor zover de curatoren hebben beoogd te stellen dat dat het geval is op grond van de vermelding van de Nekovri-voorwaarden op de toenmalige offertes en de voorzijde van de verzonden facturen (waarop ook een verwijzing naar het depot van die voorwaarden bij de rechtbank), is dat onvoldoende, omdat dat niet ziet op de inhoud van de Nekovri-voorwaarden. De curatoren hebben echter ook gesteld dat de Nekovri-voorwaarden Brantina telkens bij gelegenheid van de eerdere overeenkomsten dan die van 2 januari 2010 zijn uitgereikt en dat Brantina voordien reeds originele facturen zijn verzonden, op de achterzijde waarvan de hier relevante artikelen stonden afgedrukt. Als dat juist is, was Brantina op die grond bekend met de inhoud van de Nekovri-voorwaarden en rustte niet op 2 januari 2010 op [bedrijf] de plicht die inhoud herhaald aan Brantina kenbaar te maken. Dat geldt ook als dat bewijs alleen geleverd wordt ten aanzien van de verzonden originele facturen, nu de curatoren onweersproken hebben gesteld (en uit hun productie 14 blijkt) dat die originele facturen aan de achterzijde de gehele inhoud van de hier relevante artikelen van de Nekovri-voorwaarden (zoals onder 2.2, 2.3 en 2.4 omschreven) bevatten. Nu Brantina die eerdere overhandiging en toezending heeft weersproken, is het aan de curatoren hun stelling te bewijzen. Weliswaar is dat bewijs pas van belang indien Brantina in het haar op te dragen (tegen)bewijs slaagt, maar om proceseconomische redenen zal de curatoren reeds nu dat andere bewijs worden opgedragen.

4.11.

Indien komt vast te staan dat de inhoud van de Nekovri-voorwaarden voldoende aan Brantina kenbaar is gemaakt, is dat - gezien de in zoverre onweersproken stellingen van de curatoren - in de Engelse taal gebeurd. Dat is in dat geval voldoende om tot toepasselijkheid te leiden, omdat [bedrijf] er op mocht vertrouwen dat Brantina, als internationale onderneming, die taal begreep en dat zij, als dat niet zo was, eigener beweging om toezending van de Nekovri-voorwaarden in een andere taal had verzocht.

4.12.

Aan de hand van deze bewijskwesties zal te zijner tijd komen vast te staan of de Nekovri-voorwaarden toepasselijk zijn geworden. Los daarvan dient hoe dan ook beoordeeld te worden of de factuurbedragen waarvan de curatoren betaling vorderen, verschuldigd zijn door Brantina. Omtrent die facturen wordt hierna per stuk geoordeeld.

4.13.

a factuur VF2009-06279, openstaand bedrag € 38.364,75

Deze nota betreft volgens de curatoren de wettelijke handelsrente die Brantina verschuldigd is over de openstaande facturen uit 2008 en 2009. Brantina stelt de nota nooit te hebben ontvangen en betwist deze verschuldigd te zijn, omdat de afbetalingsregeling die op 2 januari 2010 is overeengekomen, de hoofdsom van de openstaande facturen uit 2008 én de daarvoor verschuldigde rente omvat. Het in die overeenkomst genoemde bedrag is de totaalsom waarop hoofdsom en rente toen zijn vastgesteld, aldus Brantina. De curatoren stellen daarentegen dat toen alleen een afbetalingsregeling is getroffen ten aanzien van de hoofdsom. Geen van partijen heeft feiten en omstandigheden gesteld die in dit verband licht werpen op de totstandkoming van de overeenkomst van 2 januari 2010 (zoals: welke personen daarbij betrokken waren en wat daarbij besproken is), laat staan dat ten aanzien van dergelijke feiten en omstandigheden een bewijsaanbod is gedaan. Er moet hier daarom worden afgegaan op de tekst van die overeenkomst, zoals onder 2.5 weergegeven. Zowel in het geval hier op de curatoren de stelplicht en de bewijslast rust ten aanzien van hun standpunt dat de renteplicht buiten de overeenkomst van 2 januari 2010 is gelaten, alsook in het geval op Brantina die plicht en last rust ten aanzien van haar tegengestelde standpunt, is hier het gelijk aan Brantina. De tekst van de overeenkomst luidt immers voldoende duidelijk dat Brantina op 2 januari 2010 een openstaande schuld van € 400.000,00 aan [bedrijf] heeft en dat het haar is toegestaan die schuld in maandelijkse termijnen te betalen, tot zij is voldaan. Daar komt bij dat de curatoren (anders dan hier van hen mocht worden verwacht) niet hebben gesteld hoe het bedrag van € 400.000 in de overeenkomst van 2 januari 2010 is opgebouwd, terwijl Brantina daarentegen heeft gesteld dat begin 2010 aan hoofdsommen over 2008 en 2009 een lager totaalbedrag dan die € 400.000,00 verschuldigd was. Bij die stand van zaken moet er, behoudens feitelijke aanwijzingen van het tegendeel, die ontbreken, van worden uitgegaan dat die € 400.000,00 de genoemde volledige schuld van Brantina omvatte (incluis de openstaande nota’s uit 2008 en 2009 en de daarmee samenhangende rente) en dat de aanvankelijke verplichting van Brantina om die nota’s en die rente te voldoen, is vervangen door die maandelijkse aflossingsplicht. Voor een renteplicht naast die maandelijkse termijnbetalingen is dan geen plaats. Een en ander leidt tot het oordeel dat de desbetreffende factuur daarom hoe dan ook niet verschuldigd is.

4.14.

b factuur VF2O1O-06953 openstaand bedrag € 742,00

c factuur VF2O1O-06874 openstaand bedrag € 1.603,00

d factuur VF2O1O-07016 openstaand bedrag € 670,00

Deze facturen zijn door Brantina niet weersproken, zodat de verschuldigdheid ervan vast staat.

4.15.

e factuur VF2010-07031 openstaand bedrag € 70,00

f factuur VF2O1O-07035 openstaand bedrag € 70,00

De juistheid van deze facturen is door Brantina gedurende dit geding alsnog erkend.

4.16.

g factuur VF2O1O-07047 openstaand bedrag € 7.100,00

h factuur VF2O1O-07092 openstaand bedrag € 1.634,00

i factuur VF2O1O-07189 openstaand bedrag € 475,00

j factuur VF2O1O-07283 openstaand bedrag € 3.022,00

k factuur VF2O1O-07351 openstaand bedrag € 2.322,00

l factuur VF2O1O-07382 openstaand bedrag € 2.481,00

Deze facturen zijn door Brantina niet weersproken, zodat de verschuldigdheid ervan vast staat.

4.17.

m factuur VF2O1O-07435 openstaand bedrag € 1.959,00

In deze factuur is vermeld dat deze een twintigtal (individueel omschreven) deelposten behelst, onder meer ziende op ‘stripping container’, ‘Adm/doc costs per pallet’, ‘Handling In/Out per pallet’ en ‘Phyto Inspection’. De overige deelposten betreffen opslagkosten van (het fruit op) de desbetreffende containers/pallets. De perioden waarop die deelposten betrekking hebben zijn in de factuur vermeld en betreffen de maanden juli en augustus 2010 en de periode 1 tot 23 september 2010. Brantina ontkent de factuur ooit ontvangen te hebben en stelt dat de factuur ook ziet op (af te wijzen) kosten van opslag na 28 september 2010, de dag waarop [bedrijf] zich op haar beweerdelijke pandrecht beriep. De curatoren verwijzen in dit verband naar de voornoemde perioden, eindigend op 23 september 2010. Als voldoende door de curatoren gesteld en door de vermeldingen in de factuur onderbouwd en als onvoldoende door Brantina weersproken, staat vast dat het door Brantina te dragen kosten betreft die zijn opgeroepen in de periode voorafgaand het moment waarop [bedrijf] haar beweerdelijke pandrecht uitwon. De factuur is daarom door Brantina verschuldigd. Als onvoldoende door de curatoren weersproken heeft Brantina echter gesteld dat zij deze factuur niet eerder dan in dit geding heeft ontvangen. Eerst nadien kan zij daarom met de voldoening ervan in verzuim zijn gekomen. Dat verzuim is, indien de Nekovri-voorwaardem toepasselijk zijn, ingetreden een maand na de factuurdatum die hier op de dag van het inleidende verzoekschrift moet worden gesteld, te weten 13 oktober 2013. Die verzuimdatum is aldus 13 november 2013. Indien de Nekovri-voorwaarden niet van toepassing zijn, is die verzuimdatum 12 mei 2014, namelijk de dag waarop Brantina voor antwoord in conventie concludeerde en het voor de curatoren duidelijk was dat zij deze factuur niet zou voldoen, zodat ingebrekestelling overbodig werd en verzuim reeds daardoor intrad.

4.18.

n factuur VF2O1O-07438 openstaand bedrag € 20.000,00

Deze factuur betreft de kosten die [bedrijf] aan Brantina rekent in verband met de opslag van Brantina’s ompakmachine in het pand van [bedrijf] . De curatoren stellen dat [bedrijf] vergeefs aan Brantina heeft verzocht die machine terug te halen, waaraan zij geen gevolg heeft gegeven. (De boedel van) [bedrijf] komt daarom volgens de curatoren voor die opslag een vergoeding toe, waarvan de omvang in redelijkheid en billijkheid is te stellen op het factuurbedrag. Brantina stelt dat [bedrijf] de kostenloze opslag van de machine steeds heeft geaccordeerd, onder meer omdat zij daar zelf ook baat bij had. Wanneer de door de curatoren gevorderde som als huur is aan te merken, is naar stelling van Brantina niet de handelskamer van de rechtbank, maar de kantonrechter bevoegd hierover te oordelen. Anders dan Brantina oppert, betreft dit geen huurvordering, maar een vergoeding voor het in opslag houden door [bedrijf] van de ompakmachine van Brantina. Nu tussen partijen vast staat dat die opslag aanvankelijk kostenloos plaatsvond, bestaat er geen grond om Brantina voor de latere periode van die opslag (waarin Brantina zou hebben geweigerd de machine bij [bedrijf] op te halen) voor die opslag een vergoeding in rekening te brengen. Indien de curatoren gelijk hebben met hun stelling rond de weigering, zou dat mogelijk tot een verplichting van Brantina kunnen leiden om de daar voor [bedrijf] uit voortgevloeide schade van [bedrijf] te vergoeden, maar dat is niet hoe deze deelvordering is ingestoken. Dat betekent dat de desbetreffende factuur niet verschuldigd is.

4.19.

o factuur VF2O1O-07494 openstaand bedrag € 560,00

p factuur VF2O1O-07625 openstaand bedrag € 6.357,00

r factuur VF2O1O-08308 openstaand bedrag € 5.750,00

s factuur VF2O1O-07924 openstaand bedrag € 20.990,00

t factuur VF2O1O-08001 openstaand bedrag € 7.588,00

u factuur VF2O1O-08058 openstaand bedrag € 23.185,00

v factuur VF2O1O-08131 openstaand bedrag € 2.950,00

w factuur VF2O1O-08193 openstaand bedrag € 1.350,00

Als door de curatoren gesteld en door Brantina niet weersproken staat vast dat deze factuurbedragen bestaan uit een opslagvergoeding tot aan 7 oktober 2010 en uit kosten van handling en documentatie, alsmede dat die laatstgenoemde kosten inhoudelijk weliswaar mede betrekking hebben op de periode na 28 september 2010, maar zijn opgeroepen doordat [bedrijf] reeds voor 28 september 2010 tot de opslag ervan is overgegaan. Op grond daarvan kunnen de curatoren slechts aanspraak maken op de bewaarkosten tot 28 september 2010, het moment waarop [bedrijf] haar beweerdelijke pandrecht inriep. Vanaf dat moment hield zij het desbetreffende fruit immers niet langer ten behoeve van Brantina, maar ten behoeve van zichzelf. Ook op grond van het voorgaande kunnen de curatoren wel aanspraak maken op vergoeding van de volledige handling- en documentatiekosten zoals in de facturen vervat, omdat die kosten hun oorzaak vinden in de periode vóór 28 september 2010. De bewaarkosten in de facturen die op de periode tot 28 september 2010 betrekking hebben en de volledige in de facturen opgenomen handling- en documentatiekosten belopen de volgende totalen:

o factuur VF2O1O-07494 € 545,00

p factuur VF2O1O-07625 € 6.022,00

r factuur VF2O1O-08308 € 4.675,00

s factuur VF2O1O-07924 € 18.895,00

t factuur VF2O1O-08001 € 6.873,00

u factuur VF2O1O-08058 € 20.988,00

v factuur VF2O1O-08131 € 2.520,00

w factuur VF2O1O-08193 € 1.055,00.

Brantina is daarom deze laatstgenoemde totalen verschuldigd, zij het dat over factuur o, op gelijke voet als ten aanzien van factuur m onder 4.17 is beslist, eerst rente verschuldigd is vanaf 13 oktober 2013 of 12 mei 2014, afhankelijk van de vraag of de Nekovri-voorwaarden toepasselijk zijn.

4.20.

q factuur VF2O1O-07786 openstaand bedrag € 141,32

Gezien de stellingen van partijen hangt de verschuldigdheid van deze factuur af van de vraag of de Nekovri-voorwaarden toepasselijk zijn. Ook wat deze factuur betreft moet daarom de bewijslevering op dat punt worden afgewacht.

4.21.

x factuur VF2O1O-08635 openstaand bedrag € 45.921,10

Deze factuur betreft douanekosten die Brantina, naar zij erkent, in beginsel verschuldigd is aan [bedrijf] te vergoeden. Zij heeft daarbij wel gesteld niet gehouden te zijn tot die vergoeding wanneer de kosten van na 28 september 2010 dateren. De curatoren hebben gesteld dat het gehele factuurbedrag kosten betreft van voor die datum, omdat er nadien geen fruit meer van Brantina is ingevoerd, hetgeen strookt met de kort nadien gelegen factuurdatum. Brantina heeft een en ander vervolgens niet voldoende weersproken, zodat dat vast staat. De factuur is daarom verschuldigd.

4.22.

y factuur VF2O1O-09316 openstaand bedrag € 20.320,74

Naar de curatoren - in zoverre onweersproken - stellen is dit bedrag uit hoofde van artikel 45 lid 6

van de Nekovri-voorwaarden verschuldigd indien deze toepasselijk zijn. Ook hier komt het daarom op de bewijslevering op dat punt aan. Indien komt vast te staan dat de Nekovri-voorwaarden toepassing missen, is aan buitengerechtelijke incassokosten door Brantina een bedrag verschuldigd conform de regels van het rapport VoorWerk-II, naar rato van de uiteindelijk toewijsbare hoofdsom.

4.23.

z factuur VF2012-00429 openstaand bedrag € 25.867,23

De curatoren stellen dat het ook hier om douanekosten gaat van voor 28 september 2010. Dat in verband daarmee pas in 2012 een factuur is opgemaakt, komt naar hun stelling doordat pas toen door de fiscus een naheffingsaanslag voor die kosten is opgelegd. Brantina voert hier een gelijk verweer als ten aanzien van de factuur die onder 4.21 is besproken. Nu deze factuur pas in 2012 is opgemaakt, kan niet reeds thans worden vastgesteld dat het om kosten gaat die samenhangen met fruit van Brantina dat in 2010 (voor 28 september van dat jaar) is ingevoerd en waarvan [bedrijf] de douanekosten heeft voldaan. Het is aan de curatoren om dit punt de juistheid van hun stelling te bewijzen. Zij zullen daartoe, overeenkomstig hun aanbod, worden toegelaten.

4.24.

Of Brantina het recht toekomt om zich ten aanzien van de som die zij in conventie verschuldigd mocht blijken te zijn aan de curatoren, op verrekening te beroepen met haar tegenvordering, hangt onder meer af van de toepasselijkheid van de Nekovri-voorwaarden, waarin dat recht op verrekening immers is uitgesloten. Dit punt zal daarom eerst door de rechtbank verder worden beoordeeld na de uitkomst van die bewijskwestie. Hoe dan ook komt Brantina in elk geval niet het recht toe om in reconventie de gewenste veroordeling van de curatoren te vorderen, zoals onder a en b verwoord. Ook al luiden die deelvorderingen (na wijziging) niet langer aldus dat de curatoren moeten worden veroordeeld aan Brantina een bedrag te betalen, ook in de huidige vorm strekken die deelvorderingen er onmiskenbaar toe om het gewenste bedrag aan Brantina voldaan te zien uit de boedel van [bedrijf] . Ook daarvoor staat Brantina slechts de weg van de Faillissementswet open, waarlangs zij haar vordering bij de curatoren ter verificatie kan indienen en waarbij zij, als erkenning van de vordering uitblijft, in een renvooiprocedure kan proberen haar gelijk te halen. Zij is daarom in die deelvorderingen niet-ontvankelijk.

4.25.

Of de reconventionele vordering tot teruggave van de ompakmachine (verwoord onder c) toewijsbaar is, hangt af van de vraag of [bedrijf] met betrekking tot die machine een retentierecht toekomt. Naar de rechtbank de stellingen van partijen verstaat, zijn zij het erover eens dat dat retentierecht bestaat indien de Nekovri-voorwaarden toepasselijk zijn en (de boedel van) [bedrijf] enige (niet door verrekening tenietgegane) vordering op Brantina heeft, aangezien artikel 46 van de Nekovri-voorwaarden aan dat retentierecht niet de eis stelt van samenhang tussen de verplichting tot afgifte door [bedrijf] /de curatoren van de ompakmachine enerzijds en de betalingsverplichting van Brantina die tot toepassing van het retentierecht aanleiding geeft, anderzijds (welke eis van samenhang wel besloten ligt in artikel 3:290 BW). Voor zover de curatoren beogen te stellen dat [bedrijf] ook los van de Nekovri-voorwaarden, uit hoofde van dat artikel 3:290 BW, retentierecht toekomt, faalt die stelling. Van de samenhang zoals hiervoor omschreven is immers geen sprake nu factuur n (zie 4.18) niet door Brantina verschuldigd is, terwijl de curatoren niet voldoende hebben gesteld om te kunnen concluderen dat ook ondanks die onverschuldigdheid hier sprake is van die samenhang. Of zij zich op een retentierecht van [bedrijf] kunnen beroepen, hangt daarom af van de toepasselijkheid van de Nekovri-voorwaarden en zal eerst na de desbetreffende bewijslevering verder kunnen worden beoordeeld.

4.26.

Samenvattend is in dit geding de tussenstand aldus:

  • -

    elk van partijen wordt tot bewijs toegelaten in de kwestie van de Nekovri-voorwaarden

  • -

    factuur a is niet verschuldigd door Brantina

  • -

    de facturen b tot en met m zijn wel verschuldigd door Brantina

  • -

    factuur n is niet verschuldigd door Brantina

  • -

    de facturen o, p en r tot en met w zijn door Brantina verschuldigd tot de totaalbedragen die onderaan 4.20 zijn genoemd

  • -

    de verschuldigdheid door Brantina van de facturen q en y hangt af van de bewijskwestie rond de Nekovri-voorwaarden

  • -

    factuur x is wel verschuldigd door Brantina

  • -

    aan de curatoren zal bewijs worden opgedragen van de stelling dat factuur z ziet op douanekosten die in verband met ingevoerd fruit van Brantina zijn gemaakt in de periode tot 28 september 2010

  • -

    Brantina is niet-ontvankelijk in haar reconventionele vordering onder a en b

  • -

    of de reconventionele vordering onder c toewijsbaar is, hangt af van de bewijskwestie rond de Nekovri-voorwaarden.

4.27.

Om proceseconomische redenen zal hierna eerst aan partijen bedoeld bewijs worden opgedragen en zal na de waardering van die bewijslevering verder worden geoordeeld.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

draagt Brantina op te bewijzen dat de Nekovri-voorwaarden bij het sluiten van de overeenkomst van 2 januari 2010 tussen haar en [bedrijf] , niet aan haar zijn ter hand gesteld,

5.2.

draagt de curatoren op te bewijzen dat de inhoud van de Nekovri-voorwaarden reeds op enig eerder moment dan bij gelegenheid van het sluiten van de overeenkomst van 2 januari 2010 tussen Brantina en [bedrijf] , aan Brantina kenbaar is gemaakt, hetzij door eerdere terhandstelling van die voorwaarden, hetzij doordat de originele facturen van [bedrijf] voordien aan Brantina zijn toegezonden,

5.3.

draagt de curatoren op te bewijzen dat de hiervoor onder z vermelde factuur (met nummer VF2012-00429 en het openstaande bedrag van € 25.867,23) douanekosten betreft die zijn gemaakt in verband met de invoer van fruit van Brantina vóór 28 september 2010,

5.4.

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 9 september 2015 teneinde partijen in de gelegenheid te stellen bij akte aan te geven op welke wijze zij bewijs willen leveren,

5.5.

bepaalt dat, indien Brantina en/of de curatoren (mede) bewijs wil(len) leveren door middel van schriftelijke bewijsstukken, zij die stukken op die rolzitting in het geding moet(en) brengen,

5.6.

bepaalt dat, indien Brantina en/of de curatoren bewijs wil(len) leveren door middel van het horen van getuigen, zij op die rolzitting:

- de namen en woonplaatsen van de getuigen dienen/dient op te geven,

- moet(en) opgeven op welke dagen alle partijen, hun advocaten en de getuigen in de drie maanden nadien verhinderd zijn; zij dienen/dient bij die opgave ten minste vijftien dagdelen vrij te laten waarop het getuigenverhoor zou kunnen plaatsvinden,

5.7.

bepaalt dat:

- voor het opgeven van verhinderdata geen uitstel zal worden verleend,

- indien Brantina en/of de curatoren geen gebruik maken/maakt van de mogelijkheid om verhinderdata op te geven de rechter eenzijdig een datum zal bepalen waarvan dan in beginsel geen wijziging meer mogelijk is,

- het getuigenverhoor zal kunnen worden bepaald op een niet daarvoor opgegeven dagdeel, indien bij de opgave minder dan het hiervoor verzochte aantal dagdelen zijn vrijgelaten,

5.8.

bepaalt dat de datum van het getuigenverhoor in beginsel niet zal worden gewijzigd nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald,

in conventie voorts en in reconventie

5.9.

houdt iedere (verdere) beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2015.1

1 type: RS/4234