Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5859

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-06-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
C/16/370429 / HA ZA 14-452 MAR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident verschoningsrecht getuige, opvoedondersteuner

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/406
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaak-/rolnummer: C/16/370429 / HA ZA 14-452 MAR

Vonnis in incident van 24 juni 2015 in verband met het beroep van getuige [getuige] op een verschoningsrecht

in de zaak van

1 [eiseres sub 1] ,

voor zichzelf alsmede in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van

2. [eiseres sub 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

eiseressen in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

advocaat mr. M.A.J. Kubatsch

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. M.A.J. van der Klaauw

en

[eiseres in het incident] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in het incident,

advocaat mr. F. Westenberg.

Partijen zullen hierna als volgt worden aangeduid.
Eiseressen in de hoofdzaak, verweersters in het incident zullen gezamenlijk (in vrouwelijk enkelvoud) [eiseressen] genoemd worden, terwijl zij ieder afzonderlijk [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] genoemd zullen worden.
Gedaagde in de hoofdzaak zal [gedaagde] genoemd worden.

Eiseres in het incident zal (getuige) [getuige] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 24 december 2014;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor, gehouden op 9 maart 2015;

  • -

    de akte uitlaten verschoningsrecht van 1 april 2015 van getuige [getuige] ;

  • -

    de akte houdende uitlating verschoningsrecht van 22 april 2015 van [eiseressen] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

Bij tussenvonnis van 24 december 2014 heeft de rechtbank [eiseressen] in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van haar stelling dat [gedaagde] het oogmerk had om [A] te doden om mevrouw [eiseressen] op die manier maximaal psychisch leed toe te brengen.

2.2.

In het kader van deze bewijsopdracht heeft [eiseressen] onder meer [getuige] als getuige opgeroepen. [getuige] is als opvoedondersteuner/opvoedingstrainer van de GGMD betrokken geweest bij het gezin van [eiseressen] en [gedaagde] . Het is vanwege die hoedanigheid en vanwege de omstandigheid dat [eiseressen] op 30 januari 2013 aan [getuige] heeft verteld dat [gedaagde] op 29 januari 2013 tegen mevrouw [eiseressen] heeft gezegd dat hij [A] wilde meenemen en thuis een kussen op zijn hoofd zou drukken.

2.3.

Ter zitting heeft (de advocaat van) [getuige] verklaard dat op haar een geheimhoudingsverplichting rust vanwege de behandelrelatie die zij heeft onderhouden met het gezin van [eiseressen] en [gedaagde] . Daarnaast vindt die geheimhoudingsverplichting een basis in het multidisciplinaire team waarvan [getuige] deel uitmaakt en waarvan ook (wel) BIG-geregistreerde professionals deel uitmaken. In zoverre is volgens [getuige] sprake van een afgeleid verschoningsrecht. [getuige] doet een beroep op het verschoningsrecht ten aanzien van vragen die een relatie hebben met [gedaagde] . [gedaagde] heeft haar niet toegestaan dergelijke vragen te beantwoorden.

2.4.

[eiseressen] heeft bezwaar gemaakt tegen het beroep van [getuige] op een verschoningsrecht.

2.5.

Gelet op voormeld beroep van [getuige] op een verschoningsrecht is een incident ontstaan, waarin getuige [getuige] partij is. Ter zitting heeft de rechtbank daarom de zaak naar de rol verwezen om [getuige] in de gelegenheid te stellen een akte te nemen ter verdere onderbouwing van haar standpunt dat haar een beroep toekomt op een verschoningsrecht. [eiseressen] heeft daarop bij akte gereageerd. De rechtbank zal hierna nader op de standpunten van partijen ingaan.

2.6.

De rechtbank stelt bij de beoordeling het volgende voorop. Het uitgangspunt van artikel 165 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is dat een ieder die daartoe op wettige wijze is opgeroepen, verplicht is een getuigenis af te leggen. Op grond van vaste rechtspraak kunnen zich van deze verplichting verschonen onder andere zij die uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding zijn verplicht omtrent hetgeen hen in die hoedanigheid is toevertrouwd. De grondslag van het verschoningsrecht aan die beperkte groep van vertrouwenspersonen, onder wie artsen, geestelijken, advocaten en notarissen, is gelegen in een in Nederland algemeen geldend rechtsbeginsel dat meebrengt dat bij zodanige vertrouwenspersonen het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van hetgeen besproken is om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden (HR 1 maart 1985, NJ 1986, 173 rechtsoverweging 3.2.). Dit betekent dat het verschoningsrecht een uitzonderingskarakter heeft en dus slechts toekomt aan een zeer beperkte groep van personen.

Daarnaast is vaste rechtspraak dat een noodzakelijke voorwaarde voor het aannemen van een (functioneel) verschoningsrecht is dat er voor de getuige een geheimhoudingsplicht bestaat, terwijl het enkele feit dat sprake is van een geheimhoudingsplicht niet zonder meer betekent dat de getuige een verschoningsrecht toekomt; dit kan slechts worden vastgesteld door afweging van de belangen waarop de verplichting tot geheimhouding is gericht tegen de zwaarwegende belangen die gemoeid zijn met de waarheidsvinding in een burgerlijk proces.

De geheimhoudingsplicht dient bovendien voort te vloeien uit de wet of de aard van de functie. Indien bij wet geheimhouding is opgelegd kan daarin tevens een verschoningsrecht besloten liggen, maar dat is alleen het geval indien uit de bewoordingen, de strekking of de geschiedenis van de desbetreffende bepaling onmiskenbaar duidelijk blijkt dat de wetgever daarbij de hiervoor genoemde afweging van belangen uitdrukkelijk heeft betrokken. Wanneer daarentegen geen sprake is van een op de wet gebaseerde geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 15 oktober 1999 (NJ 2001/42) dat een functionele geheimhoudingsplicht en een daarop te baseren verschoningsrecht uitsluitend kunnen worden aanvaard indien en voor zover moet worden aangenomen (1) dat met het effectief kunnen uitoefenen van het desbetreffende beroep zwaarwegende maatschappelijke belangen zijn gemoeid, (2) dat de gerede mogelijkheid bestaat dat zonder het aanvaarden van de desbetreffende geheimhoudingsplicht en het daarop te baseren verschoningsrecht deze laatste belangen aanmerkelijk zouden kunnen worden geschaad en (3) dat voor dit laatste de belangen die gemoeid zijn met de waarheidsvinding in rechte, moeten wijken.

2.7.

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een op de wet gebaseerde geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht. Het beroep van opvoedondersteuner behoort niet tot de in of krachtens de Wet BIG aangewezen beroepen op het gebied van de individuele gezondheidszorg. Bij dergelijke beroepen staan - kort gezegd - centraal de belangen van die persoon die zich wendt tot een beroepsbeoefenaar, terwijl in het onderhavige geval, waar het gaat om een relatie tussen de opvoedondersteuner en het gezin van [eiseressen] en [gedaagde] , de nadruk ligt op de belangen van het kind/de kinderen en derhalve niet (alleen) van de ouder(s) die zich hebben gewend tot de hulpverlener. Met [eiseressen] is de rechtbank bovendien van oordeel dat [getuige] opvoedondersteuner was van het gezin van [eiseressen] en [gedaagde] , zodat geen sprake is van een situatie waarbij enkel de vertrouwelijkheid tussen [getuige] en [gedaagde] voorop staat.

2.8.

Dit betekent dat op grond van een belangenafweging zal moeten worden beoordeeld of in dit geval grond bestaat voor het aannemen van een verschoningsrecht van getuige [getuige] . De rechtbank verwijst naar de laatste alinea van rechtsoverweging 2.6. De rechtbank is van oordeel dat deze belangenafweging ertoe leidt dat het beroep van getuige [getuige] op een verschoningsrecht moet worden afgewezen. Dat de functie van [getuige] verplichting tot geheimhouding met zich brengt, spreekt voor zich daar waar het gaat om geheimhouding met betrekking tot hetgeen [getuige] uit hoofde van haar werk weet van het gezin van [eiseressen] en [gedaagde] ten opzichte van degenen die bij de behandeling niet (werkgerelateerd) betrokken zijn. Dit brengt echter niet met zich dat ook een geheimhoudingsplicht moet worden aangenomen ten opzichte van de leden van het gezin zelf. De geheimhoudingsplicht die in zijn algemeenheid dus kan worden aangenomen met betrekking tot de functie van opvoedondersteuner, zoals de rechtbank hiervoor overwoog, leidt daarom in dit geval niet tot een verschoningsrecht. Niet kan worden gezegd dat opvoedondersteuners hun beroep niet goed zouden kunnen uitoefenen wanneer degenen die door een opvoedondersteuner worden begeleid zouden weten dat aan een opvoedondersteuner geen wettelijk verschoningsrecht als getuige toekomt. Er is naar het oordeel van de rechtbank met andere woorden dus geen sprake van een situatie waarin de (zwaarwegende) maatschappelijke belangen die gemoeid zijn met het beroep van opvoedondersteuner aanmerkelijk zouden kunnen worden geschaad wanneer geen geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht wordt aanvaard. De rechtbank ziet geen reden op grond waarvan het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht moet komen moet wijken voor het belang van aan [getuige] in het kader van de verleende opvoedondersteuning gedane mededelingen (door [gedaagde] ). Het maatschappelijk belang van waarheidsvinding dient in dit geval dus te prevaleren boven het belang van bescherming van de mededelingen die [gedaagde] (eventueel) aan [getuige] heeft gedaan. De rechtbank heeft bij haar oordeel in aanmerking genomen, zoals zij ook hiervoor reeds overwoog, dat geen sprake was van een (behandel)relatie tussen enkel [gedaagde] en [getuige] , maar dat de (behandel)relatie en de rol die [getuige] daarin had, zich kenmerkt tot het ondersteunen van het gezin van zowel [eiseressen] als [gedaagde] met het oog op de belangen van de kinderen.

De rechtbank zal [getuige] dan ook bevelen de aan haar tijdens het verhoor op 9 maart 2015 gestelde vragen te beantwoorden.

3 De beslissing

De rechtbank:

in het incident

3.1.

wijst het beroep op een verschoningsrecht ten aanzien van de tijdens het verhoor van 9 maart 2015 gestelde vragen van getuige [getuige] af;

in de hoofdzaak

3.2.

bepaalt dat [getuige] opnieuw zal worden gehoord als getuige en (in ieder geval) de vragen die haar reeds zijn gesteld tijdens het verhoor van 9 maart 2015 zal moeten beantwoorden;

3.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 8 juli 2015 voor opgave verhinderdata in verband met voortzetting getuigenverhoor aan de zijde van [eiseressen] ;

3.4.

bepaalt dat [eiseressen] op die rolzitting:

- de namen en woonplaatsen van de getuigen dient op te geven;

- moet opgeven op welke dagen alle partijen, hun advocaten en de getuigen in de drie maanden nadien verhinderd zijn;

- zij bij die opgave ten minste vijftien dagdelen vrij dient te laten waarop het getuigenverhoor zou kunnen plaatsvinden;

3.5.

bepaalt verder dat:

- voor het opgeven van verhinderdata geen uitstel zal worden verleend;

- indien [eiseressen] geen gebruik maakt van de mogelijkheid om verhinderdata op te geven de rechter eenzijdig een datum zal bepalen waarvan dan in beginsel geen wijziging meer mogelijk is;

- het getuigenverhoor zal kunnen worden bepaald op een niet daarvoor opgegeven dagdeel, indien bij de opgave minder dan het hiervoor verzochte aantal dagdelen zijn vrijgelaten;

3.6.

bepaalt dat de datum van het getuigenverhoor in beginsel niet zal worden gewijzigd nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald;

3.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2015.1

1 type: MAR/4186 coll: HSt