Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5847

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-04-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
C/16/382720 / HA RK 14-284 MAR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschil, verklaring voor recht dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de begroting van de schade ex artikel 6:108 BW aan de hand van de rekenmethodiek van de Denktank Overlijdensschade

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2015/136
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

Zaak-/rekestnummer: C/16/382720 / HA RK 14-284 MAR

Beschikking van 22 april 2015

in de zaak van

1 [verzoeker sub 1] ,

pro sé en in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van

zijn minderjarige dochter

2. [verzoekster sub 2],

en zijn minderjarige zoon

3. [verzoeker sub 3],

allen wonende te [woonplaats] ,

verzoekers,

advocaat mr. J.G. Keizer,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HEMA FINANCIAL SERVICES B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

advocaat mr. M.T. Spronck.

Partijen worden hierna als volgt aangeduid. Eisers worden gezamenlijk (in mannelijk enkelvoud) [verzoekers] genoemd en ieder afzonderlijk respectievelijk [verzoeker sub 1] , [verzoekster sub 2] en [verzoeker sub 3] . Gedaagde wordt HEMA genoemd.

1 De procedure

1.1.

[verzoeker sub 1] heeft ten behoeve van het voeren van deze deelgeschilprocedure als wettelijk vertegenwoordiger van [verzoekster sub 2] en [verzoeker sub 3] een machtiging van de kantonrechter van 2 december 2014.

1.2.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift tot een beslissing in een deelgeschil ex artikel 1019w e.v. Rv, ter griffie ingekomen op 4 december 2014;

  • -

    het verweerschrift ex artikel 1019w e.v. Rv, ter griffie ingekomen op 6 februari 2015;

  • -

    de brief van 10 februari 2015, waarbij de producties 6 en 7 namens [verzoeker sub 1] worden overgelegd;

  • -

    de mondelinge behandeling, gehouden op 19 februari 2015;

  • -

    de “Aantekeningen t.b.v. mondelinge behandeling” van mr. Keizer;

  • -

    het proces-verbaal van behandeling van een verzoekschrift ex artikel 1019w Rv.

1.3.

Vervolgens is de zaak aangehouden ten behoeve van onderling overleg. Namens partijen heeft mr. Keizer bij brief van 19 maart 2015 verzocht om beschikking te wijzen.

1.4.

Ten slotte is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 20 februari 2013 heeft in Oostenrijk een verkeersongeval plaatsgevonden. De auto waarin [verzoeker sub 1] en mevrouw [A] , geregistreerd partner van [verzoeker sub 1] , moeder van [verzoekster sub 2] en [verzoeker sub 3] , en [verzoekster sub 2] zaten is op een onbewaakte spoorwegovergang aangereden door een trein. Mevrouw [A] is als gevolg van dit ongeval komen te overlijden.

2.2.

De auto van [verzoeker sub 1] was ten tijde van voormeld ongeval verzekerd bij HEMA. Dit betrof een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering, zonder inzittendenverzekering.

2.3.

HEMA heeft schaderegelingsbureau Dekra Claims Services (hierna: Dekra) ingeschakeld om de schade af te wikkelen.

2.4.

Op 12 juli 2013 heeft bij [verzoeker sub 1] thuis een bespreking plaatsgevonden, waarbij aanwezig waren [verzoeker sub 1] , zijn vader, de heer [B] (zaakwaarnemer van de familie [verzoeker sub 1] ), de heer [C] van Dekra en de advocaat van [verzoeker sub 1] .

2.5.

Bij e-mailbericht van 15 juli 2013 heeft de advocaat van [verzoeker sub 1] het volgende, voor zover hier van belang, aan Dekra meegedeeld:

“Zoals afgelopen vrijdag besproken, heb ik een conceptbrief ten behoeve van het NRL opgestuurd. De brief treft u als bijlage aan.

Ik heb de brief gericht aan de heer [D] , omdat hij ook opsteller is van de notitie waarin de nieuwe berekeningswijze wordt uitgelegd.

Ik zal daarnaast de werkgever nog aanschrijven met enkele gerichte vragen over de (mogelijke) ontwikkelingen die mevrouw [A] in het bedrijf had kunnen doormaken.

(…)”

2.6.

De bij het hiervoor onder 2.5. vermelde e-mailbericht gevoegde conceptbrief ten behoeve van het NRL heeft, voor zover hier van belang, de volgende inhoud:

“(…)

Partijen hebben ervoor gekozen om de vaste en variabele lasten in de situatie zonder en na overlijden niet concreet te benaderen, maar om (behoudens de toegenomen kosten aan huishoudelijke hulp en BSO) aan te knopen bij de nieuwe rekenmethode, waarbij deze lasten (en de wijzigingen daarin) op abstracte wijze worden benaderd. Als (mede)auteur van de notitie Denktank Overlijdensschade veronderstel ik u met die nieuwe berekeningswijze wel genoegzaam bekend.

Ik verzoek u aldus mede namens Dekra Services om een overlijdensschadeberekening te maken.

(…)”

2.7.

Bij e-mailbericht van 26 juli 2013 heeft de advocaat van [verzoeker sub 1] het volgende, voor zover hier van belang, aan Dekra meegedeeld:

“Van de familie [verzoeker sub 1] heb ik inmiddels ook de pensioengegevens zoals die vóór het overlijden verstrekt zijn en waaruit blijkt welk pensioen bij leven zou zijn opgebouwd, ontvangen. Deze gegevens treft u als bijlage aan. Ik heb die gegevens ook toegevoegd aan mijn conceptbrief voor het NRL.

Ik heb in deze brief voorts een alinea toegevoegd voor de berekening van het (eventuele) gederfde levensonderhoud van de kinderen. (…)

Ten slotte heeft de familie mij bericht dat zij de huishoudelijke hulp die voor het overlijden aanwezig was € 11,-- per uur betaalden. Ook dat gegeven is thans in de concept opdrachtbrief verwerkt.

(…)”

2.8.

Bij brief van 15 augustus 2013 heeft de advocaat van [verzoeker sub 1] het volgende, voor zover hier van belang, aan Dekra meegedeeld:

“Om enig inzicht te krijgen in de redelijkerwijs te verwachten (hypothetische) salarisontwikkeling van [A] , heb ik haar werkgever aangeschreven.

Als bijlage treft u de brief van de hoofdredacteur van Quest van 1 augustus aan, alsmede de door hem bijgevoegde salarisschaal.

(…)

Ik verneem graag van u of u met deze uitgangspunten kunt instemmen.

Ik heb naar aanleiding van bovenstaande ook de conceptbrief voor het NRL aangepast. De gewijzigde versie treft u als bijlage aan. Wat mij betreft wordt nu spoedig opdracht gegeven tot het vervaardigen van de berekeningen.

(…)”

2.9.

De conceptbrief ten behoeve van het NRL, die gevoegd is bij het hiervoor onder 2.8. vermelde e-mailbericht, heeft, voor zover hier van belang, de volgende inhoud:

“(…) Voor de ontwikkeling van het inkomen van mevrouw [A] in de situatie zonder overlijden, wil ik u vriendelijk verzoeken om aan te knopen bij de in bijgaande brief van 15 augustus 2013 aan Dekra verwoorde uitgangspunten. (…)

Partijen hebben ervoor gekozen om de vaste en variabele lasten in de situatie zonder en na overlijden niet concreet te benaderen, maar om (behoudens de toegenomen kosten aan huishoudelijke hulp en BSO) aan te knopen bij de nieuwe rekenmethode, waarbij deze lasten (en de wijzigingen daarin) op abstracte wijze worden benaderd. Als (mede)auteur van de notitie Denktank Overlijdensschade veronderstel ik u met die nieuwe berekeningswijze wel genoegzaam bekend.

Ik verzoek u aldus mede namens Dekra Services om een overlijdensschadeberekening te maken.

(…)”

2.10.

Bij e-mailbericht van 14 oktober 2013 (17:31 uur) heeft de advocaat van [verzoeker sub 1] het volgende, voor zover hier van belang, aan Dekra meegedeeld:

“(…)

Wij hadden afgelopen vrijdag telefonisch contact omdat u nog niet gereageerd had op mijn concept opdrachtbrief voor het NRL. U verkeerde in de veronderstelling uw toe- en instemming met de brief al wel te hebben gegeven, maar zou mij dat vandaag nog (telefonisch) bevestigen. (…) het is u kennelijk niet meer gelukt om uw toezegging van vrijdag gestand te doen en mij vandaag te bevestigen dat de brief verzonden kan worden.

Ik wil u nog tot uiterlijk morgen (15 oktober) in de gelegenheid stellen om te bevestigen dat de concept opdrachtbrief voor het NRL (die ik voor de volledigheid nogmaals als bijlage heb bijgevoegd) inderdaad met uw toe- en instemming kan worden verzonden. Blijft uw reactie ook morgen nog uit, dan beschouw ik dat als een stilzwijgende toe- en instemming van uw zijde.

(…)”

2.11.

Bij e-mailbericht van 15 oktober 2013 (7:34 uur) heeft Dekra de advocaat van [verzoeker sub 1] het volgende, voor zover hier van belang, meegedeeld:

“De NRL brief is akkoord. Excuses dat ik gister verzuimd heb te bellen.”

2.12.

Bij brief van 26 november 2013 heeft het NRL haar conceptrapportage aan de advocaat van [verzoeker sub 1] en aan Dekra toegestuurd. Het rapport bevat ook aanvullende vragen aan beide partijen.

2.13.

Bij brief van 10 januari 2014 heeft advocaat van [verzoeker sub 1] de namens [verzoeker sub 1] voorgestelde antwoorden op de vragen van het NRL (zie 2.12.) aan Dekra voorgelegd.

2.14.

Bij brief van 14 maart 2014 heeft de advocaat van [verzoeker sub 1] het volgende, voor zover hier van belang, aan Dekra meegedeeld:

“Omdat - ondanks herhaald rappel een gedane toezeggingen - iedere reactie op mijn brief van 10 januari 2014 is uitgebleven, heb ik vandaag bijgaande brief aan het NRL toegezonden.

(…)”

2.15.

Bij brief van 23 juni 2014 heeft mevrouw mr. [E] van [F] Personenschade (hierna: [F] ) het volgende, voor zover hier van belang, aan de advocaat van [verzoeker sub 1] meegedeeld:

“Zoals telefonisch eerder werd aangegeven, heeft ondergetekende de behandeling van dit dossier overgenomen. Ik bestudeerde inmiddels het dossier.

Ik merk op dat zich in mijn dossier geen goedkeuring of bevestiging van mijn opdrachtgever bevindt voor het in gang zetten van de aanvraag bij het NRL en/of de gehanteerde vraagstelling die daarbij is voorgelegd.

Mij valt op dat voor de berekeningsmethode kennelijk werd gekozen voor ‘de nieuwe rekenmethode’, waarbij de vaste en variabele lasten op abstracte wijzen worden benaderd. Dit acht ik niet juist en heb daarvoor meerdere redenen.

(…)

Samenvattend is naast de vraag of eerder overeenstemming werd bereikt, sprake van gewijzigde inzichten over de berekeningsmethode. Ik kan mijn opdrachtgever hierover niet positief adviseren. Op grond van bovenstaande dient de berekening op basis van concrete uitgangspunten plaats te vinden.

(…)”

2.16.

Bij e-mailbericht van 25 juni 2014 heeft de advocaat van [verzoeker sub 1] het volgende, voor zover hier van belang, aan [F] meegedeeld:

“(…)

Er zijn met de vorige schadebehandelaar afspraken gemaakt over de wijze van berekening. Die afspraken zijn namens Hema (Achmea) gemaakt.

(…)

Het allerbelangrijkst is evenwel dat u namens Hema (Achmea) uiteraard niet halverwege het spel opeens eenzijdig de spelregels kunt wijzigen en dat gemaakte afspraken niet zomaar herroepen kunnen worden. (…) Ik zal uw opdrachtgeefster dan ook houden aan de eerder door haar namens Dekra gedane toezeggingen.

(…) Overleg met u op basis van de door u geformuleerde uitgangspunten lijkt mij weinig vruchtbaar.

(…) ”

2.17.

[verzoeker sub 1] wordt in Oostenrijk als verdachte van een strafbaar feit aangemerkt, in verband waarmee hij zich voor juridisch advies heeft gewend tot mr. Ausma.

2.18.

HEMA heeft aan [verzoeker sub 1] een voorschot onder algemene titel van € 75.000,00 uitgekeerd.

3 Het deelgeschil

3.1.

[verzoeker sub 1] verzoekt de rechtbank om:

I. tussen partijen voor recht te verklaren dat de uit artikel 6:108 BW voortvloeiende aanspraken worden begroot aan de hand van de rekenmethodiek van de Denktank Overlijdenschade;

II. tussen partijen voor recht te verklaren dat ter bepaling van het hypothetisch inkomen van wijlen mevrouw [A] moet worden uitgegaan van de in de brief van 15 augustus 2013 aan Dekra en in het conceptrapport van het NRL verwoorde uitgangspunten;

III. HEMA te veroordelen om aan [verzoeker sub 1] de kosten van juridische bijstand door mr. Ausma van € 3.873,45 te betalen;

IV. de kosten van deze procedure op de voet van artikel 1019aa Rv te begroten op een bedrag van € 5.438,22 en HEMA te veroordelen om dit bedrag, te vermeerderen met het door [verzoeker sub 1] betaalde griffierecht, aan [verzoeker sub 1] te voldoen.

3.2.

Aan dit verzoek legt [verzoeker sub 1] het volgende ten grondslag. Tijdens de bespreking op 12 juli 2013 heeft Dekra toezeggingen gedaan. Er is akkoord gegeven op het laten berekenen van de aanspraken aan de hand van de methode van de Denktank Overlijdenschade. Ook is door Dekra toegezegd dat de kosten van mr. Ausma in verband met de strafrechtelijke procedure in Oostenrijk door HEMA zouden worden vergoed. Aan deze toezeggingen is HEMA gebonden. Met het e-mailbericht van 15 oktober 2013 (7:34 uur) van Dekra waarin staat dat de NRL brief akkoord is, is akkoord gegaan met de wijze van berekenen en daarnaast met de daarbij te hanteren uitgangspunten voor de bepaling van het hypothetisch inkomen van mevrouw [A] . [verzoeker sub 1] heeft gerechtvaardigd mogen vertrouwen op de toezeggingen en gedragingen van Dekra, zodat [verzoeker sub 1] er vanuit mocht gaan dat HEMA instemde met de wijze van berekening en de gekozen uitgangspunten voor de bepaling van het hypothetisch inkomen van mevrouw [A] .

3.3.

HEMA voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de standpunten van partijen zal de rechtbank hierna, indien en voor zover nodig, nader ingaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen staat vast dat HEMA de schade die [verzoekster sub 2] en [verzoeker sub 3] op grond van artikel 6:108 BW lijden, moet vergoeden. Omdat - inmiddels - overeenstemming bestaat over het feit dat [verzoeker sub 1] geen vorderingsrecht heeft ten opzichte van HEMA, omdat - naar partijen later is gebleken - niet tevens sprake was van een inzittendenverzekering, is HEMA niet gehouden de schade die [verzoeker sub 1] op grond van artikel 6:108 BW lijdt, te vergoeden.

4.2.

Hetgeen partijen verdeeld houdt, is de vraag of de schade van [verzoekster sub 2] en [verzoeker sub 3] begroot moet worden aan de hand van de rekenmethodiek van de Denktank Overlijdensschade. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. In de correspondentie is, in ieder geval vanaf het e-mailbericht van 15 juli 2013 van mr. Keizer, steeds gesproken over de conceptbrief ten behoeve van het NRL. Bij de diverse e-mailberichten is ook steeds een (bijgewerkte) versie van de conceptbrief gevoegd. In die conceptbrief staat steeds de volgende zinsnede: “Partijen hebben ervoor gekozen om de vaste en variabele lasten in de situatie zonder en na overlijden niet concreet te benaderen, maar om (behoudens de toegenomen kosten aan huishoudelijke hulp en BSO) aan te knopen bij de nieuwe rekenmethode, waarbij deze lasten (en de wijzigingen daarin) op abstracte wijze worden benaderd. Als (mede)auteur van de notitie Denktank Overlijdensschade veronderstel ik u met die nieuwe berekeningswijze wel genoegzaam bekend.” Op het moment dat de conceptbrief volgens mr. Keizer volledig was en verzonden zou kunnen worden aan het NRL is aan Dekra de vraag gesteld, telefonisch en schriftelijk via e-mail, of de conceptbrief akkoord was. De reactie namens Dekra laat dan, gezien het e-mailbericht van 15 oktober 2013, naar het oordeel van de rechtbank niets aan duidelijkheid te wensen over: “De NRL brief is akkoord.” Dit betekent dat akkoord wordt gegaan met de inhoud van die brief en daarmee tevens wordt ingestemd met de in die brief genoemde wijze van berekening, de rekenmethodiek Denktank Overlijdensschade. De verweren die HEMA aanvoert kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Dat Dekra (enkel) heeft ingestemd met het in het kader van een pilot laten maken van een berekening op basis van de conceptnotitie Denktank Overlijdensschade versie januari 2013, blijkt daaruit niet. Met de woorden “De NRL brief is akkoord.” wordt naar het oordeel van de rechtbank ingestemd met de hiervoor gegeven zinsnede uit die brief en dus met de rekenmethode die daarin genoemd wordt. HEMA voert verder aan dat Dekra als zij had geweten dat [verzoeker sub 1] geen vorderingsrecht had, niet zou hebben ingestemd met het laten maken van een berekening op basis van de conceptnotitie Denktank Overlijdensschade, omdat die methode uitgaat van het gezin als economische eenheid zowel voor als na het overlijden, terwijl in dit geval uitsluitend de schade moet worden berekend van de kinderen van [verzoeker sub 1] en niet van [verzoeker sub 1] zelf. Ook deze omstandigheid waarin beide partijen hebben gedwaald over het vorderingsrecht ex artikel 6:108 BW van [verzoeker sub 1] , doet geen afbreuk aan de op zichzelf wel gegeven instemming met de brief, en dus met de rekenmethode. Immers, uitgaande van de juistheid van het standpunt van HEMA dat de schade van alleen de kinderen niet berekend zou kunnen worden, dan zou gaandeweg hooguit zijn gebleken dat een berekening met behulp van de overeengekomen rekenmethode niet mogelijk zou zijn. Dit zou niet de gegeven instemming doen vervallen. Ook de omstandigheid dat de conceptnotitie Denktank Overlijdensschade versie januari 2013 nooit definitief is geworden, ontneemt niet de werking aan de gegeven instemming met de rekenmethode. Er is overeenstemming bereikt over toepassing van de rekenmethode Denktank Overlijdensschade. De rechtbank stelt vast dat daarbij geen voorbehoud is gemaakt voor een bepaalde versie. De omstandigheid, zoals HEMA aanvoert, dat de definitieve versie in november 2014 is afgerond die belangrijke wijzigingen kent ten opzichte van de versie uit januari 2013 leidt evenmin tot het vervallen van de gegeven instemming. Ook de overige verweren van HEMA leiden niet tot een ander oordeel. De rechtbank zal dit deel van het verzoek dus toewijzen.

4.3.

Daarmee komt de rechtbank toe aan het volgende punt dat partijen verdeeld houdt, namelijk de vraag of bij de bepaling van het hypothetisch inkomen van mevrouw [A] moet worden uitgegaan van de in de brief van 15 augustus 2013 van mr. Keizer aan Dekra en in het conceptrapport van 26 november 2013 van het NRL verwoorde uitgangspunten. Ook deze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Zoals de rechtbank hiervoor onder 4.2. heeft overwogen heeft Dekra haar instemming gegeven met de inhoud van de brief van 15 augustus 2013 voor het NRL. In deze brief staat de zinsnede “Voor de ontwikkeling van het inkomen van mevrouw [A] in de situatie zonder overlijden, wil ik u vriendelijk verzoeken om aan te knopen bij de in bijgaande brief van 15 augustus 2013 aan Dekra verwoorde uitgangspunten.” De gegeven instemming ziet dus ook op de door het NRL bij haar berekening te hanteren uitgangspunten bij de bepaling van het hypothetisch inkomen van mevrouw [A] . Hetgeen HEMA betrekking tot dit deel van het verzoek aanvoert, maakt het oordeel niet anders. De rechtbank zal dit deel van het verzoek ook toewijzen.

4.4.

De rechtbank zal de door [verzoeker sub 1] verzochte vergoeding voor juridische bijstand door mr. Ausma afwijzen. Of een toezegging als door [verzoeker sub 1] gesteld, is gedaan, kan in het midden blijven, omdat partijen over en weer hebben gedwaald over de vorderingsgerechtigdheid van [verzoeker sub 1] . Aanvankelijk zijn beide partijen er van uitgegaan dat er sprake was van een vorderingsrecht van [verzoeker sub 1] (uit hoofde van een inzittendenverzekering), terwijl, zoals de rechtbank ook hiervoor onder 4.1. overwoog, partijen eerst later is gebleken dat geen sprake was van een inzittendenverzekering, zodat de schade van [verzoeker sub 1] niet voor vergoeding in aanmerking komt. Tijdens de mondelinge behandeling is van de zijde van [verzoeker sub 1] bevestigd dat tussen partijen in confesso is dat [verzoeker sub 1] geen eigen vorderingsrecht heeft. Voor vergoeding van kosten van juridische bijstand door Mr. Ausma is daarom geen plaats. Dit deel van het verzoek zal de rechtbank afwijzen.

4.5.

De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen, ook indien een verzoek niet wordt toegewezen. Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

[verzoeker sub 1] maakt aanspraak op een bedrag van € 5.438,22 te vermeerderen met het griffierecht.

De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van HEMA dat de kosten van het Deelgeschil op nihil moeten worden gesteld omdat kort gezegd niet zou kunnen worden vastgesteld dat tussen partijen overeenkomsten zijn ontstaan in het kader van de schadeafwikkeling die de ingediende verzoeken zouden rechtvaardigen. Uit hetgeen de rechtbank hiervoor met betrekking tot het eerste en tweede verzoek heeft overwogen, volgt immers het tegendeel.

HEMA voert vervolgens aan dat het voor de verzoeken die zijn voorgelegd niet noodzakelijk is daaraan 16 uren te besteden. HEMA vindt dat de begroting dient te geschieden op basis van maximaal 8 uren. Met betrekking tot het uurtarief voorts zij aan dat zij nooit heeft ingestemd met het door mr. Keizer gehanteerde uurtarief van € 265,00 exclusief btw en kantoorkosten.

De onderhavige zaak betreft naar het oordeel van de rechtbank een voor wat betreft de omvang en complexiteit ervan beperkt en overzichtelijk deelgeschil.

Het aan het deelgeschil bestede en opgegeven aantal uren is daarmee naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming. De met de opstelling van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak gemoeide, redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot overeenkomstig het verzochte, derhalve op € 5.438,22, te vermeerderen met het door [verzoeker sub 1] betaalde griffierecht van € 282,00. HEMA zal tot betaling daarvan aan [verzoeker sub 1] worden veroordeeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de uit artikel 6:108 BW voortvloeiende aanspraken van [verzoekster sub 2] en [verzoeker sub 3] worden begroot aan de hand van de rekenmethodiek van de Denktank Overlijdenschade;

5.2.

verklaart voor recht dat ter bepaling van het hypothetisch inkomen van wijlen mevrouw [A] moet worden uitgegaan van de in de brief van 15 augustus 2013 aan Dekra en in het conceptrapport van 26 november 2013 van het NRL verwoorde uitgangspunten;

5.3.

begroot de kosten van dit deelgeschil op € 5.438,22, te vermeerderen met het door [verzoeker sub 1] betaalde griffierecht van € 282,00 en veroordeelt HEMA tot betaling daarvan aan [verzoeker sub 1] ;

5.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. D. Wachter en in tegenwoordigheid van mr. M.A. Rademaker, griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 april 2015.1

1 type: MAR/4186 coll: DW