Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5836

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
04-08-2015
Zaaknummer
C/16/393571 / HA RK 15-128
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: C/16/393571 / HA RK 15-128

beslissing van 21 juli 2015 van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken, zitting houdend te Utrecht

op het verzoek in de zin van artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. K.R. Koopman,

verder ook te noemen verzoeker.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 juni 2015;

- de schriftelijke reactie van mr. I.L. Rijnbout van 30 juni 2015;

- de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 7 juli 2015.

1.2.

Bij de mondelinge behandeling zijn de advocaat van verzoeker alsmede

mr. I.L. Rijnbout verschenen. Verzoeker zelf en mr. M.M. Setiaman (advocaat van de wederpartij in de hoofdzaak, mevrouw [naam] ) zijn niet verschenen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. I.L. Rijnbout, rechter in de afdeling Familierecht van deze rechtbank. De rechter is belast met de behandeling van het verzoek, geregistreerd onder zaaknummer / rekestnummer: C/16/385830 / FA RK 15-816, met [verzoeker] als verzoeker en [naam] als verweerster.

2.2.

Verzoeker heeft aan het wrakingsverzoek allereerst ten grondslag gelegd de ter zitting door de rechter gemaakte opmerking dat het verzoek van verzoeker onvoldoende was onderbouwd en voor afwijzing gereed lag terwijl hij totdat deze opmerking werd gemaakt nog niet in de gelegenheid was gesteld om het verzoek mondeling nader toe te lichten. Verzoeker stelt dat het voor hem niet duidelijk was dat de rechter die opmerking maakte om hem tot een schikking omtrent de omgang te bewegen. Hij had bovendien al aangegeven dat hij daaraan niet wilde meewerken en had in dat kader ook gewezen op een uitspraak van de rechtbank Den Haag in een eerdere procedure tussen dezelfde partijen. De handelwijze van de rechter levert volgens verzoeker misbruik van gezag op. Voorts heeft verzoeker ter zitting herhaaldelijk verzocht om de door de wederpartij pas daags voor de zitting ingediende zelfstandige verzoeken, die onder meer strekten tot het bepalen van een omgangsregeling, buiten beschouwing te laten, althans (subsidiair) de behandeling daarvan aan te houden althans (meer subsidiair) om een nadere termijn te geven voor het indienen van een verweerschrift daartegen. Ter zitting bleef een reactie van de rechter op deze verzoeken echter uit. Op de zitting ging het steeds over de omgang terwijl het verzoek van verzoeker betrekking had op eenhoofdig gezag. Daarnaast zei de rechter aan het begin van de zitting dat verzoeker zijn verzoek op een raar moment had ingediend, gelet op de turbulente ontwikkelingen in zijn leven. Gelet op dit alles is de schijn van vooringenomenheid gewekt, aldus verzoeker.

2.3.

Mr. Rijnbout heeft naar voren gebracht dat zij de zitting is begonnen met te onderzoeken wat het achterliggende probleem van partijen is en of er ruimte is om tot een oplossing te komen. Zij zag daar wel mogelijkheden voor. Haar bedoeling was om tegen het einde van de zitting te bespreken hoe de procedure verder zou verlopen en dan terug te komen op de verzoeken van de advocaat van verzoeker. Mr. Rijnbout erkent dat zij dit op de zitting duidelijker had kunnen zeggen. Volgens haar was het duidelijk dat de zaak aangehouden zou worden. De opmerking dat het verzoek van verzoeker onvoldoende was onderbouwd en voor afwijzing gereed lag, heeft mr. Rijnbout gemaakt om verzoeker te bewegen tot afspraken over de omgang. Aan het begin van de zitting heeft mr. Rijnbout aan verzoeker een vraag gesteld die betrekking had op zijn verzoek. Ter zitting van de wrakingskamer heeft mr. Rijnbout nog medegedeeld dat ook als door de wederpartij geen zelfstandige verzoeken zouden zijn ingediend zij vermoedelijk met partijen zou zijn gaan praten over de omgang. Het is de taak van de kinderrechter om in het belang van het kind te handelen. In dit geval vond zij omgang tussen de moeder en de kinderen in het belang van de kinderen.

3 De beoordeling

3.1.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de

rechter in de zin van artikel van artikel 36 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering en

artikel 6 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn

aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke

omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat

een rechter jegens een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die procespartij

bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

3.2.

Er zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld dan wel gebleken op grond

waarvan thans geoordeeld dient te worden dat sprake is van persoonlijke

vooringenomenheid van de gewraakte rechter jegens verzoeker. Te onderzoeken staat

vervolgens of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor

zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het

oordeel dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees dat de gewraakte rechter

jegens hem een vooringenomenheid koestert, objectief gerechtvaardigd is. Daarbij moet

bovendien rekening worden gehouden met de (te vermijden) schijn van partijdigheid.

3.3.

Ten aanzien van de omstandigheid dat mr. Rijnbout niet (meteen) gereageerd heeft op de verzoeken van mr. Koopman die de verdere behandeling van de door de verwerende partij ingediende zelfstandige verzoeken betroffen overweegt de wrakingskamer het volgende. Op zichzelf is het goed als de behandelend rechter duidelijk aan partijen aangeeft hoe de procedure zal verlopen ten aanzien van bepaalde verzoeken. Het is aan de rechter zelf om te bepalen op welke wijze zij dat doet. Mr. Rijnbout heeft toegelicht dat zij aan het einde van de zitting wilde mededelen hoe omgegaan zal worden met de zelfstandige verzoeken en dat zij dit nog niet had gedaan omdat de zitting nog niet was geëindigd. Dat mr. Rijnbout nog niet op de verzoeken van mr. Koopman had beslist, levert derhalve geen grond op voor wraking.

3.4.

Voorts moet vooropgesteld worden dat het de behandelend rechter geenszins verboden is om in voorkomende gevallen ter zitting een voorlopig oordeel te geven over de uitkomst van de zaak. Een voorlopig oordeel over de inhoud van de zaak vormt immers op zich geen aanwijzing dat de rechter jegens een procespartij vooringenomen is. De omstandigheid dat de rechter, zoals in het onderhavige geval, dit voorlopige oordeel geeft in een poging een procespartij te bewegen tot samenwerking met de andere procespartij, levert evenmin een dergelijke aanwijzing op, laat staan – zoals mr. Koopman heeft betoogd – dat dit misbruik van gezag zou opleveren. Het voorgaande laat evenwel onverlet dat, voordat de rechter ter zitting een voorlopig oordeel geeft, een procespartij voldoende de gelegenheid moet hebben gehad om zijn verzoek toe te lichten, zeker als het voorlopige oordeel inhoudt dat dit verzoek onvoldoende is onderbouwd. Op zich heeft mr. Rijnbout terecht opgemerkt dat een verzoeker zijn standpunt reeds in het verzoekschrift dient te onderbouwen, maar in een verzoekschriftprocedure hebben partijen ook ter zitting tot op zekere hoogte de mogelijkheid hun verzoek nader te onderbouwen, zeker als er verweer tegen het verzoek is gevoerd. Weliswaar heeft mr. Rijnbout aan het begin van de zitting aan (de advocaat van) verzoeker een vraag gesteld met betrekking tot gezag, maar uit het proces-verbaal van die zitting blijkt niet dat verzoeker voorafgaand aan het door mr. Rijnbout gegeven voorlopige oordeel de gelegenheid heeft gekregen om in te gaan op het verweer en een nadere toelichting op het verzoek te geven. Naar het oordeel van de wrakingskamer rechtvaardigt deze gang van zaken de conclusie van verzoeker dat de schijn van partijdigheid is gewekt en daarmee de vrees dat de rechter jegens hem vooringenomenheid zou kunnen koesteren.

De rechtbank zal daarom het verzoek tot wraking gegrond verklaren.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking gegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, mr. I.L. Rijnbout en mr. M.M. Setiaman, alsmede aan de voorzitter van de afdeling Familierecht en de president van deze rechtbank.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Oostendorp, voorzitter, mr. G.L.M. Urbanus en

mr. K.J. Veenstra, leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. A. van der Landen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2015.

Bij afwezigheid van de voorzitter is deze beschikking getekend door de oudste rechter.