Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5828

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-08-2015
Datum publicatie
04-08-2015
Zaaknummer
16/705442-14 (ontneming
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming

UTRECHT – De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt een 64-jarige man uit Diemen tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan phising, het medeplegen van witwassen en verduistering.

De verdachte heeft meerdere keren meegewerkt aan de diefstal van grote geldbedragen van twee klanten van de Rabobank. Door zijn handelen –het ter beschikking stellen van zijn bankrekening en behulpzaam zijn bij het aankopen van een auto met gestolen geld- heeft verdachte niet alleen de slachtoffers aanzienlijke financiële schade berokkend, maar is ook het vertrouwen in het (digitale) handels- en betalingsverkeer op ernstige wijze geschonden. Daarnaast heeft verdachte het geldbedrag en de auto witgewassen en heeft hij zich schuldig gemaakt aan verduistering van een auto.

De verdachte werd vrijgesproken van flessentrekkerij. Ook twee medeverdachten uit Utrecht en Nieuwegein werden hiervan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte uit Diemen tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Op advies van de reclassering worden verschillende bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder de verplichting tot ambulante behandeling. Daarnaast moet de man in totaal € 56.750 aan schadevergoeding betalen aan de twee slachtoffers en moet hij de Staat €29.236,87 terugbetalen aan wederrechtelijk verkregen voordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/705442-14 (ontneming)

beslissing van de rechtbank van 4 augustus 2015

in de ontnemingszaak tegen

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1950] ;

wonende te [woonplaats] ,

thans uit anderen hoofde gedetineerd.

1 De procedure

De procedure blijkt onder meer uit het volgende:

- de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

- het strafdossier onder parketnummer 16/705442-14, waaruit blijkt dat veroordeelde op
4 augustus 2015 door de meervoudige kamer van deze rechtbank is veroordeeld voor medeplichtigheid aan diefstal, voor witwassen alsmede voor verduistering tot de in die uitspraak vermelde straf;

- het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van 9 maart 2015 (hierna: proces-verbaal van ontneming);

- de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting;

- de overige stukken.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting zijn de officier van justitie, verdachte en zijn raadsman mr. S.J. Daniëls gehoord.

2 De beoordeling

2.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering gewijzigd tot een bedrag van

€ 116.522,21 en gevorderd dat dit bedrag in zijn geheel wordt toegewezen.

2.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de hoogte van het door de officier van justitie geschatte bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel betwist. Op de stellingen van de verdediging zal in het onderstaande -voor zover nodig- worden ingegaan.

2.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank neemt als grondslag voor de vordering het vonnis in de hoofdzaak. Blijkens dit vonnis heeft de rechtbank bewezen geacht dat veroordeelde medeplichtig is geweest aan tweetal diefstallen door middel van een valse sleutel en zich verder schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen en aan verduistering van een auto. De rechtbank ontleent aan de inhoud van de in de strafzaak genoemde bewijsmiddelen het oordeel dat de veroordeelde door middel van het begaan van deze feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft gehad. Bij de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat volgt de rechtbank de berekening zoals deze is gemaakt in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht1, tenzij daarvan in het onderstaande wordt afgeweken.

De rechtbank zal in het onderstaande de zaaknummers waarop de vordering van de officier van justitie betrekking heeft, en zoals die ook in het vonnis van de hoofdzaak zijn opgenomen, afzonderlijk bespreken. De rechtbank merkt daarbij op dat de vordering van de officier van justitie niet ziet op de zaken 4 en 8, nu uit het proces-verbaal van ontneming volgt dat veroordeelde ten aanzien deze zaken geen voordeel heeft genoten. De rechtbank zal deze zaken in het onderstaande dan ook niet bespreken.

Zaak 1”Phishing IJsselstein”

De rechtbank neemt als grondslag voor dit deel van de vordering het vonnis in de hoofdzaak. Blijkens dit vonnis is veroordeelde voor deze zaak veroordeeld voor de medeplichtigheid aan diefstal met een valse sleutel, waarbij via “phishing” een bedrag van

€ 46.250,-- is overgeboekt van de rekening van de heer [benadeelde 1] te [woonplaats] naar de rekening van Auto XL te Leiden. In het proces-verbaal ontneming wordt uitgegaan van een door veroordeelde verkregen wederrechtelijk voordeel van € 46.250,--. De rechtbank acht onvoldoende aannemelijk dat veroordeelde voor zijn medeplichtigheid aan dit feit een voordeel van € 46.250,-- heeft genoten, nu niet is komen vast te staan dat veroordeelde daadwerkelijk de eigendom van de met dit bedrag aangeschafte auto heeft verkregen. De rechtbank zal daarom uitgaan van de eigen verklaring van veroordeelde , zoals opgenomen in de hoofdzaak, namelijk dat hij een voordeel van € 300,-- heeft genoten. De vordering zal tot dit bedrag worden toegewezen.

Zaak 2 “Bingo”

Veroordeelde is met betrekking tot deze zaak in het vonnis van heden van deze rechtbank in de hoofdzaak vrijgesproken. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie voor zover die op deze zaak betrekking heeft -ter hoogte van € 10.702,90- dan ook afwijzen.

Zaak 3 “Raab Karcher”

Veroordeelde is met betrekking tot deze zaak in het vonnis van heden van deze rechtbank in de hoofdzaak vrijgesproken. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie voor zover die op deze zaak betrekking heeft -ter hoogte van € 21.645,65- dan ook afwijzen.

Zaak 5 “verduistering Mercedes”

De verdediging heeft afwijzing van dit deel van de vordering bepleit en gesteld dat, nu deze auto onder dwang van veroordeelde is afgenomen, geen sprake is van verduistering.

De rechtbank neemt als grondslag voor dit deel van de vordering het vonnis in de hoofdzaak. In dat vonnis is bewezen verklaard dat veroordeelde een Mercedes heeft verduisterd. In het proces-verbaal van ontneming is de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel voor het verduisteren van deze auto vastgesteld op een bedrag van

€ 27.436,87. De rechtbank acht de toegepaste berekening juist en zal dit bedrag toewijzen. Zoals ook in de hoofdzaak is overwogen acht de rechtbank niet aannemelijk dat veroordeelde niet de beschikking had over deze auto.

Zaak 6 “Luxury Floors”

Veroordeelde is met betrekking tot deze zaak in het vonnis van heden van deze rechtbank in de hoofdzaak vrijgesproken. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie voor zover die op deze zaak betrekking heeft -ter hoogte van € 19.690.42 dan ook afwijzen.

Zaak 7 “Phishing Hazerswoude”

De rechtbank neemt als grondslag voor dit deel van de vordering het vonnis in de hoofdzaak. Blijkens dit vonnis is veroordeelde voor deze zaak veroordeeld voor de medeplichtigheid aan diefstal met een valse sleutel, waarbij via “phishing” een bedrag van

€ 10.500,-- is overgeboekt van de bankrekening van [benadeelde 2] naar de bankrekening van veroordeelde. In het proces-verbaal ontneming wordt het door veroordeelde verkregen wederrechtelijk voordeel vastgesteld op een bedrag van € 1.500,--, zijnde het bedrag dat veroordeelde volgens zijn verklaring heeft gekregen voor het ter beschikking stellen van zijn bankrekening. De rechtbank acht deze berekening juist en zal de vordering tot dit bedrag toewijzen.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de volgende berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel:

zaak 1 € 300,--

zaak 5: € 27.436,87

zaak 7: € 1.500,--

Totaal € 29.236,87

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel vast op het bedrag van € 29.236,87

Overweging met betrekking tot het in mindering brengen van de toegewezen vorderingen benadeelde partij

In de hoofdzaak zijn door de rechtbank de door de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ingediende vorderingen tot schadevergoeding toegewezen. De rechtbank is van oordeel dat deze bedragen op het toegewezen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering dienen te worden gebracht, nadat deze bedragen door veroordeelde aan de benadeelde partijen, dan wel aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partijen, zijn betaald. Dit geldt echter slechts voor zover het voordeel van veroordeelde teniet wordt gedaan door een vergoeding van de schade aan de benadeelde partij. Het gaat daarbij om de volgende vorderingen tot de hierna te noemen bedragen:

- de vordering van [benadeelde 1] (zaak 1) tot een bedrag van € 300,--;

- de vordering van [benadeelde 2] (zaak 7) tot een bedrag van € 1.500,--.

Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing

3 De beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een geldbedrag van € 29.236,87;

- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 29.236,87 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- vermindert de betalingsverplichting met een bedrag van € 300,- met ingang van het moment waarop veroordeelde de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] (zaak 1) ter hoogte van € 46.250,- heeft voldaan;

- vermindert de betalingsverplichting met een bedrag van € 1.500,- met ingang van het moment waarop veroordeelde de vordering van [benadeelde 2] (zaak 7) ten bedrage van

€ 10.500,- heeft voldaan.

-wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.

Deze beslissing is gewezen door mr. A.J.P. Schotman, voorzitter, mrs. J.F. Haeck en R.B. Eigeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C.J. Evers, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 augustus 2015.

Mr. J.F. Haeck is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen

1 Het proces-verbaal inhoudende het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex artikel 36e, 3e lid, Wetboek van strafrecht, pagina’s 1 tot en met 7.