Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5820

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-08-2015
Datum publicatie
27-08-2015
Zaaknummer
3735826 - UC EXPL 15-36
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Vaststellingsovereenkomst tussen gemeente en ondernemer naar aanleiding van verbeurde dwangsommen wegens overtredingen Winkeltijdenwet. Betalings- dan wel kwijtscheldingsregeling in privaatrechtelijke overeenkomst toelaatbaar. De in deze overeenkomst overeengekomen boete bij nieuwe overtreding niet toelaatbaar: dit komt neer op financiële sanctionering van overtredingen, welke exclusief geregeld is in de Algemene wet bestuursrecht dan wel Wet economische delicten.

Aan de vraag of sprake is van onaanvaardbare doorkruising van de publiekrechtelijke regeling wordt dus niet toegekomen. Voorlopig oordeel: de gemeente is niet-ontvankelijk. Partijen mogen zich uitlaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 3735826 UC EXPL 15-36 RW/1368

Vonnis van 5 augustus 2015

inzake

de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Utrecht,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen de gemeente,

eisende partij,

gemachtigde: mr. C.W. Oudenaarden,

tegen:

[gedaagde],

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. H.L. van der Aa.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding,

- de conclusie van antwoord,

- de conclusie van repliek,

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is tot 1 januari 2014 (mede)eigenaar geweest van ‘ [naam] ’ (hierna: de winkel). Tussen 8 september 2010 en 9 juni 2012 heeft de gemeente vier keer geconstateerd dat de winkel open was buiten de geldende openingstijden. De gemeente heeft daarvoor vier lasten onder dwangsom van € 5.000,00 opgelegd. Deze dwangsommen zijn verbeurd en de daarop volgende invorderingsbeschikkingen zijn onherroepelijk geworden. Vervolgens heeft de gemeente een executietraject opgestart.

2.2.

Op 11 december 2013 is tussen de gemeente en [gedaagde] een vaststellingsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7:900 BW tot stand gekomen. Daarin is, voor zover relevant in deze procedure, het volgende opgenomen:

“(…)

2. [gedaagde] zal uiterlijk 15 december 2013 een bedrag ineens van € 5.000,00 overmaken (…).

3. Na betaling van het bedrag bedoeld onder 2. heft de Gemeente alle ter zake de verbeurde dwangsommen gelegde beslagen op en zal die ook opgeheven houden.

4. [gedaagde] verklaart dat de winkel gevestigd aan de [adres] alleen nog open gesteld zal worden binnen de daarvoor geldende openingstijden. Wanneer tussen 1 december 2013 en 1 december 2014 opnieuw door de Gemeente geconstateerd wordt dat deze winkel toch opengesteld wordt buiten de geldende openingstijden, vast te stellen door een constateringsrapport van een toezichthouder van de uitvoeringsorganisatie Vergunningen, Toezicht en Handhaving van de Gemeente, verbeurt [gedaagde] ten behoeve van de Gemeente een onmiddellijk opeisbare boete van € 10.000,-.

(…)

6. Partijen verlenen elkaar over en weer finale kwijting met betrekking tot het geschil zoals in de overwegingen van deze overeenkomst is beschreven. Ten tijde van het aangaan van deze overeenkomst is [gedaagde] geen andere dan voornoemde vier dwangsommen verschuldigd aan de gemeente inzake openstelling buiten de geldende openingstijden. Dit laat onverlet dat [gedaagde] in de toekomst ten aanzien van nieuwe overtredingen nieuwe dwangsommen verschuldigd kan raken.

7. Hetgeen in de onderhavige overeenkomst is bepaald laat onverlet de publiekrechtelijke positie en bevoegdheden van de gemeente.

(…)”

2.3.

Op 31 augustus 2014 en 6 september 2014 hebben toezichthouders van de gemeente bevindingenrapporten opgesteld, waarin zij verklaren dat zij op genoemde data geconstateerd hebben dat uit de winkel zaken werden verkocht buiten de gestelde openingstijden. In het bevindingenrapport van 6 september 2014 wordt [gedaagde] genoemd als degene die genoemde zaken heeft verkocht.

2.4.

Bij besluit van 6 oktober 2014 heeft het College van Burgemeester en Wethouders een last onder bestuursdwang opgelegd omdat [gedaagde] de winkel herhaaldelijk langer dan wettelijk toegestaan geopend heeft gehouden voor publiek, inhoudende uitsluiting van 2 weken wanneer wederom wordt geconstateerd dat [gedaagde] zich niet aan de Winkeltijdenwet houdt. In dit besluit is verwezen naar de constateringen op 31 augustus en september 2014.

2.5.

Bij brief van 27 oktober 2014 heeft de gemeente [gedaagde] gesommeerd om binnen vier weken de in de vaststellingsovereenkomst vastgestelde boete van € 10.000,00 aan haar te betalen, op de grond dat de winkel buiten de gestelde openingstijden opengesteld is geweest. [gedaagde] heeft de boete onbetaald gelaten.

2.6.

Bij verzoekschrift van 10 december 2014 heeft de gemeente verlof gevraagd aan deze rechtbank om conservatoir derdenbeslag te mogen leggen onder ING Bank N.V., ABN AMRO Bank N.V. en (kort gezegd) de Rabobank. Het verlof is op 10 december 2014 verleend.

3 Het geschil

3.1.

De gemeente vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te verklaren voor recht dat [gedaagde] de in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen boete aan de gemeente is verschuldigd,

  2. veroordeling van [gedaagde] om aan de gemeente te voldoen € 10.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2014, de buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van de conservatoire derdenbeslagen,

  3. veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente daarover.

3.2.

Ter onderbouwing van die vordering stelt de gemeente dat [gedaagde] jegens haar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen ingevolge de tussen partijen gesloten overeenkomst, door de boete, ondanks sommaties, onbetaald te laten.

De gemeente maakt aanspraak op de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten nu [gedaagde] in verzuim is geraakt, respectievelijk de gemeente de vordering uit handen heeft moeten geven.

3.3.

[gedaagde] voert verweer en voert aan dat hij niet tot betaling gehouden is, omdat hij geen eigenaar meer is van de winkel. Daarnaast vordert [gedaagde] , voor zover de boete wordt toegewezen, matiging van de boete omdat de hoogte daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van de gemeente in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Voorafgaand aan de beoordeling van het geschil zoals partijen dat aandragen, overweegt de kantonrechter het volgende.

Het gaat in dit geval om vier vaststaande overtredingen door [gedaagde] van de Winkeltijdenwet (en wel tussen 2010 en 2012), naar aanleiding waarvan dwangsommen zijn verbeurd, inmiddels onherroepelijk geworden invorderingsbeslissingen zijn genomen en vervolgens een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten. Partijen zijn daarbij overeengekomen dat [gedaagde] ten behoeve van de gemeente "een onmiddellijk opeisbare boete van € 10.000,-" verbeurt wanneer tussen december 2013 en 1 december 2014 opnieuw door de gemeente wordt geconstateerd dat de winkel buiten de geldende openingstijden wordt opengesteld. Het komt er dus in feite op neer dat de gemeente door nakoming van de vaststellingsovereenkomst te vorderen een financiële sanctie oplegt naar aanleiding van (hernieuwde) overtredingen door [gedaagde] van de Winkeltijdenwet.

4.2.

Nu de gemeente gebruik heeft gemaakt van een privaatrechtelijke overeenkomst ter sanctionering van overtreding van de Winkeltijdenwet, dient de kantonrechter ambtshalve te onderzoeken of sprake is van een exclusief bedoelde publiekrechtelijke regeling, en zo nee, of sprake is van een onaanvaardbare doorkruising van de betreffende publiekrechtelijke regeling (vgl. HR 26 januari 1990, NJ 1991, 393 (Windmill) en HR 8 oktober 1993, NJ 1994, 46 ( [naam] /Marken)).

4.3.

Zoals de kantonrechter de vaststellingsovereenkomst leest, valt deze uiteen in twee doelstellingen. Enerzijds wordt onder de punten 2, 3 en 6 van de vaststellingsovereenkomst een betalings- dan wel kwijtscheldingsregeling overeengekomen voor de op dat moment bestaande schulden van [gedaagde] aan de gemeente. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter bestaat er geen bezwaar tegen het in een privaatrechtelijke overeenkomst treffen van een betalings- dan wel kwijtscheldingregeling (vgl. art. 4:124 Awb).

4.4.

Anderzijds bevat punt 4 een financiële sanctie. Het innen van de overeengekomen "boete" strekt er naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter naar zijn aard immers ertoe te bereiken dat een nieuwe overtreding van de Winkeltijdenwet - naast de oplegging van een last onder bestuursdwang - financieel wordt gesanctioneerd.

4.5.

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter kunnen overtredingen van de Winkeltijdenwet slechts financieel worden gesanctioneerd indien sprake is van een wettelijke grondslag. In dit geval is deze grondslag gegeven in het bestuursrecht en/of het strafrecht. Naar het oordeel van de kantonrechter is hierbij sprake van een gesloten stelsel. Het bestuursrechtelijke toezicht op en de handhaving van de naleving van de Winkeltijdenwet is opgedragen aan het College van Burgemeester en Wethouders. De strafrechtelijke handhaving van de naleving van de Winkeltijdenwet (overtreding is een economisch delict, artikel 1 Wet op de Economische Delicten (WED)) is opgedragen aan politie en justitie. Zowel in het kader van de bestuursrechtelijke als van de strafrechtelijke handhaving kunnen financiële sancties worden opgelegd. Krachtens artikel 5:4 Awb kan een bestuurlijke sanctie slechts worden opgelegd voor zover zij bij of krachtens de wet is verleend. Krachtens artikel 5 WED kan geen andere voorziening met de strekking van straf of maatregel worden getroffen dan de straffen en maatregelen overeenkomstig de WED. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter ontbeert de vaststellingsovereenkomst aldus een wettelijke grondslag, nu zij niet op de Awb of de WED is gebaseerd.

4.6.

De kantonrechter neemt hierbij in aanmerking dat door de door de gemeente gekozen privaatrechtelijke weg aan [gedaagde] de bestuursrechtelijke bezwaar- en beroepsmogelijkheden respectievelijk de strafrechtelijke rechtsbescherming worden onthouden.

4.7.

Nu naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter sprake is van een exclusief bedoelde publiekrechtelijke regeling, wordt aan de beoordeling of sprake is van een onaanvaardbare doorkruising van de publiekrechtelijke regeling dus niet toegekomen.

4.8.

Voorshands is de kantonrechter daarom voornemens de gemeente niet-ontvankelijk te verklaren.

4.9.

Teneinde een verrassingsbeslissing te voorkomen zal de gemeente in de gelegenheid worden gesteld op het voorgaande bij akte te reageren. [gedaagde] zal vervolgens een antwoordakte mogen nemen. De zaak zal daartoe naar de rol worden verwezen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 26 augustus 2015 te 9.30 uur, waar de gemeente zich schriftelijk dient uit te laten omtrent hetgeen onder 4.5 tot 4.7 is overwogen;

5.2.

[gedaagde] zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om daarop schriftelijk te reageren;

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2015.