Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5803

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-07-2015
Datum publicatie
20-08-2015
Zaaknummer
16-661387-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor vervoeren van amfetamine. Niet-ontvankelijkheidsverweer omdat OvJ heeft geweigerd stukken van ander strafrechtelijk onderzoek toe te voegen, verworpen, alsmede verweer tot bewijsuitsluiting wegens onrechtmatige doorzoeking auto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661387-15 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 30 juli 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Sovjetunie) op [1972] ,

thans gedetineerd in PI Nieuwegein, Huis van Bewaring te Nieuwegein.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. C.J. Nierop, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd.

De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 15 mei 2015 samen met anderen heeft verkocht/afgeleverd/verstrekt/vervoerd, in elk geval aanwezig heeft gehad ongeveer 5,245 kilogram amfetamine.

3 Voorvragen

3.1

Geldigheid van de dagvaarding

De dagvaarding is geldig.

3.2

Bevoegdheid van deze rechtbank

Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit.

3.3

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het onderhavige onderzoek is gestart met informatie uit een lopend ander strafrechtelijk onderzoek (het brononderzoek). Over die informatie is een zogenoemd afscherm proces-verbaal opgemaakt.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de officier van justitie heeft geweigerd het dossier aan te vullen met de stukken uit het lopende onderzoek, waar de informatie uit voortkomt die ten grondslag ligt aan de verdenking tegen verdachte in deze zaak. Dit terwijl deze stukken moeten worden gezien als processtukken in de zin van de wet. De belangen van verdachte bij een effectieve verdediging worden daardoor veronachtzaamd. Bij het oordeel omtrent de ontvankelijkheid van de officier van justitie dient ook te worden betrokken dat het voorgeleidingsdossier niet compleet was.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hij ontvankelijk is in de vervolging. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat uit het afscherm proces-verbaal in het dossier blijkt welke informatie er uit het lopende onderzoek is gekomen. Het brononderzoek had niet hoeven worden toegevoegd aan het dossier. Dat het voorgeleidingsproces-verbaal nog geen compleet procesdossier was, dient niet tot niet-ontvankelijkheid te leiden. Er is geen sprake geweest van het opzettelijk achterhouden van stukken waardoor de verdediging in haar belangen is geschaad.

De rechtbank oordeelt als volgt. De definitie van het begrip ‘processtukken’ moet worden bezien binnen de context van dit onderzoek. In dit onderzoek zijn de door de verdediging gevraagde stukken geen processtukken in de zin van de wet. Het afscherm proces-verbaal dat in het dossier is gevoegd is een processtuk in dit onderzoek. Daaruit blijkt wat de startinformatie voor het onderhavige onderzoek is geweest en, voorts, welk belang de officier van justitie heeft om de stukken uit het andere lopende onderzoek niet te verstrekken. De stukken uit het onderliggende lopende onderzoek zijn geen processtukken in het onderhavige onderzoek en hoeven daarom niet te worden toegevoegd aan het dossier. Het feit dat het voorgeleidingsdossier nog niet het complete dossier in deze strafzaak was, is niet ongebruikelijk en leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. De rechtbank verwerpt het verweer.

De officier van justitie is ontvankelijk.

3.4

Schorsing van de vervolging

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting

De verdediging heeft aangevoerd dat het bewijs onrechtmatig is verkregen. Daardoor is sprake van een vormverzuim waardoor verdachte in zijn belangen is geschaad. Op het moment van de staandehouding van verdachte was er namelijk geen redelijk vermoeden van schuld. Het vervolgens zonder redelijk vermoeden van schuld doorzoeken van verdachtes auto heeft zijn privacy ernstig geschonden. Dit vormverzuim dient tot bewijsuitsluiting te leiden.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bewijs niet onrechtmatig is verkregen. De politie mocht verdachte op grond van de Wegenverkeerswet 1994 een volg- en stopteken geven en de bestuurder controleren. Omdat verdachte vervolgens op vordering van de politie geen identiteitsbewijs ter inzage kon aanbieden, terwijl de auto niet op zijn naam stond, mocht de politie in de kofferbak zoeken naar een identiteitsbewijs.

De rechtbank oordeelt als volgt. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [A] en [B] blijkt dat zij het voertuig waar verdachte in reed hebben onderworpen aan een verkeerscontrole, ter controle op naleving van de bepalingen zoals gesteld in de Wegenverkeerswet 1994. Op grond van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 waren de agenten hiertoe bevoegd en mochten zij vorderen dat verdachte het kentekenbewijs en zijn rijbewijs ter inzage zou aanbieden. Omdat verdachte geen rijbewijs ter inzage kon aanbieden, hebben de agenten vervolgens gevorderd dat hij een identiteitsbewijs ter inzage zou aanbieden. Verdachte heeft daarop aangegeven dat hij ook geen identiteitsbewijs bij zich had. De agenten zijn in dat geval bevoegd om op grond van artikel 55b Wetboek van Strafvordering een verdachte aan zijn kleding te onderzoeken, alsmede aan voorwerpen die hij bij zich draagt of met zich voert, ter vaststelling van zijn identiteit. In dit geval hebben de agenten gerelateerd dat er op dat moment nog een man op de bijrijdersstoel zat en zij daarom eerst de kofferbak hebben geopend. Het is niet ongebruikelijk dat mensen hun identiteitsbewijs in een tas of koffer in de kofferbak bewaren. De rechtbank acht het op grond voor voornoemde feiten en omstandigheden niet onrechtmatig dat verbalisanten bij de toepassing van de in artikel 55b Wetboek van Strafvordering aan hen toegekende bevoegdheid in de kofferbak van de auto hebben gekeken. De inzet van deze bevoegdheden en het daaruit voortvloeiende bewijs is daarom rechtmatig geweest. Het verweer wordt verworpen.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht het feit wettig en overtuigend bewezen en heeft zich daarbij gebaseerd op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat verdachte ontkent te hebben geweten dat hij drugs vervoerde. Voorts zijn er geen specifieke omstandigheden die erop duiden dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij drugs voorhanden zou hebben.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1

Partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander of anderen amfetamine heeft vervoerd. Het dossier biedt hiertoe onvoldoende aanknopingspunten. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen.

4.4.2

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Verbalisanten [A] en [B] hebben – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Wij zijn achter het voertuig gaan rijden en na het passeren van afrit Vinkeveen voor het betrokken voertuig gaan rijden en gaven vlak voor de afrit Abcoude een volg-teken. Ik liep vervolgens naar de bestuurder, welke later bleek te zijn [verdachte] , van het betrokken voertuig toe.2

Ik, verbalisant, opende vervolgens de kofferbak. Ik zag dat er in het midden van de kofferbak een zwarte plastic tas lag. Ik zag dat er in deze plastic tas meerdere plastic doorzichtige pakketjes zaten. Ik zag dat er in deze pakketjes een wit poeder zat. Ik vermoedde dat dit witte poeder harddrugs was.3

In beslag genomen goederen:

Goednummer: PL2600-2015020989-548890

Aantal: 5 pakketten verpakt in doorzichtige sealbags.4

Verbalisanten [C] en [D] hebben – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Op 1 juni 2015 vond onderzoek plaats aan een hoeveelheid vermoedelijk verdovende middelen die in beslag genomen zijn onder verdachte [verdachte] . De aangeboden partij bestond uit:

Goednummer: PL0900-2015163725-1451090

SIN: AAHX7069NL

Bijzonderheden: 5245 gram.5

Uit deze hoeveelheid stof werd een monster genomen. Dit monster bevat een hoeveelheid van 2,86 gram en zal naar het NFI verzonden worden.6

Uit het NFI rapport van 23 juni 2015 blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende:

Kenmerk: AAHX7069NL

Omschrijving: volgens opgave 2,86 gram, lichtgele substantie in een gripzakje

Conclusie: bevat amfetamine.

Amfetamine is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.7

Verdachte heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Ik moest richting Den Bosch rijden, vanuit Amsterdam. Die meneer heeft dat pakketje in de kofferbak gezet.

4.4.2

Bewijsoverweging

Verdachte heeft verklaard dat hij van een persoon met de bijnaam ‘Biggy’ het aanbod heeft gekregen om voor € 500,- een pakketje op de halen op een parkeerplaats in Den Bosch. In Den Bosch heeft een persoon op de parkeerplaats het pakketje in de kofferbak van de auto van verdachte gelegd. Verdachte wist niet dat het pakketje drugs bevatte. De verdediging heeft aangevoerd dat het vereiste opzet daarom ontbreekt.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Verdachte kreeg van een persoon die hij slechts kende onder de bijnaam ‘Biggy’ het verzoek om voor € 500,- een pakketje op de halen uit Den Bosch. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat deze Biggy zich bezig hield met criminele praktijken en dat Biggy al eens eerder had gevraagd of verdachte wiet wilde knippen. Op de parkeerplaats heeft een voor verdachte onbekende persoon het pakketje in de kofferbak van het door verdachte bestuurde voertuig geplaatst. Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte een nadere onderzoeksplicht had om zich ervan te vergewissen wat er in het pakketje zat. Nu verdachte dit heeft nagelaten heeft hij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij drugs in zijn bezit kreeg en vervoerde. De rechtbank acht het feit daarom wettig en overtuigend bewezen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 15 mei 2015 te Abcoude en te Vinkeveen en andere plaatsen in Nederland,

opzettelijk heeft vervoerd 5 pakketten met daarin een totale hoeveelheid van ongeveer 5,245 kilogram amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht om verdachte vrij te spreken. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de straf te beperken tot de duur van het voorarrest, eventueel aan te vullen met een voorwaardelijk deel, of een taakstraf.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van een aanzienlijke hoeveelheid amfetamine. Verdachte is hierdoor medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van verdovende middelen veroorzaakt. Daarbij is van belang dat amfetamine stoffen bevat die sterk verslavend werken en schadelijk zijn voor de gezondheid. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat verslaafden in de regel vermogensdelicten plegen om in hun gebruik te kunnen voorzien.

De rechtbank heeft gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 2 juni 2015. Daaruit blijkt dat verdachte op 17 april 2014 een strafbeschikking ter hoogte van € 170,- opgelegd heeft gekregen voor overtreding van de Opiumwet.

Voor het binnen Nederland vervoeren van harddrugs bevatten de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht geen richtlijnen. Het onderhavige feit is wat ernst betreft niet te vergelijken met de import of export van verdovende middelen.

De rechtbank acht een voorwaardelijk deel, zoals door de verdediging is geopperd, niet aangewezen, gelet op de status van verdachte als ongewenst vreemdeling. Een werkstraf is evenmin passend vanwege de ernst van het feit.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank acht een gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek van het voorarrest passend en geboden.

9 Het beslag

Verdachte heeft aangegeven dat er thans nog beslag rust op twee telefoons die onder hem in beslag zijn genomen.

De rechtbank beveelt de teruggave van de twee telefoons aan verdachte, voor zover daarop nog beslag rust, nu het strafvorderlijk belang niet langer vereist dat het beslag voortduurt.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beslag

Gelast de teruggave aan verdachte, voor zover daar nog beslag op rust, van:

twee mobiele telefoons.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G. Perrick, voorzitter,

mrs. K.J. Veenstra en R.B. Eigeman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Elk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 juli 2015.

BIJLAGE: de tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 15 mei 2015 te Abcoude en/of te Vinkeveen, althans in het

arrondissement Midden-Nederland en/of andere plaatsen in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in

elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, 5 pakketten met daarin een totale

hoeveelheid van ongeveer 5,245 kilogram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nummer PL2600-2015020989 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid aanhef en onder 5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 15 mei 2015, p. 2.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 15 mei 2015, p. 3.

4 Kennisgeving van inbeslagneming, d.d. 15 mei 2015, p. 22.

5 Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, d.d. 24 juni 2015, niet doorgenummerd.

6 Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, d.d. 24 juni 2015, niet doorgenummerd.

7 Het NFI rapport d.d. 23 juni 2015, niet doorgenummerd.