Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5801

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-07-2015
Datum publicatie
20-08-2015
Zaaknummer
16-659778-14
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor hennepteelt en diefstal energie tot een werkstraf van 160 uren en een gevangenisstraf van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/659778-14 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 30 juli 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1966] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2015 en 16 juli 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. J.M. Koppert, advocaat te Lelystad.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: op 11 juni 2014 samen met anderen ongeveer 222 hennepplanten heeft geteeld, of in ieder geval aanwezig heeft gehad in een pand aan de [adres] te [woonplaats] ;

Feit 2: op 1 november 2013 tot en met 11 juni 2014 samen met anderen een hoeveelheid elektriciteit heeft gestolen van Liander N.V.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Bij feit 1 kan het ten laste gelegde medeplegen niet bewezen worden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen opmerkingen gemaakt over de bewezenverklaring van de feiten.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Aangezien verdachte de feiten heeft bekend en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.1

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder 1 ten laste gelegde medeplegen en acht dit feit voor het overige en feit 2 wettig en overtuigend bewezen op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

Feit 1:

- het proces-verbaal van het aantreffen van de hennepkwekerij2;

- de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 16 juli 20153;

Feit 2:

- het proces-verbaal van het aantreffen van de hennepkwekerij4;

- de aangifte van Liander N.V.5; en

- de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 16 juli 20156.

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op 11 juni 2014 in de gemeente Almere opzettelijk heeft geteeld, in een pand aan de [adres] , een hoeveelheid van in totaal 222 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

van 1 november 2013 tot en met 11 juni 2014 in de gemeente Almere telkens tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Liander N.V..

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 2: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf van 1 maand, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf van 160 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 80 dagen.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangegeven het eens te zijn met de eis van de officier van justitie wat de werkstraf betreft. De voorwaardelijke gevangenisstraf acht zij niet opportuun, nu verdachte first offender is.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het kweken van hennepplanten. Het spreekt voor zich dat het kweken van een softdrug als hennep een strafbaar feit is dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Daarbij heeft verdachte een illegale stroomvoorziening aangelegd, hetgeen grote veiligheidsrisico’s met zich brengt. Verdachte heeft zich kennelijk om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 15 april 2015 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld. Om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom een dergelijke keuze te maken, wordt het opleggen van een voorwaardelijke straf echter wel opportuun geacht.

De oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht hanteren als uitgangspunt voor het kweken van deze hoeveelheid planten een werkstraf van 120 uren en een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk. Hierin zijn de diefstal van elektriciteit en het feit dat verdachte eerder heeft geoogst met de kwekerij niet meegenomen.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat er geen aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank legt aan verdachte op een werkstraf van 160 uren, te vervangen door 80 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaren.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 2: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

- Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 maand.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit.

- Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 160 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 80 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.J. Veenstra, voorzitter,

mrs. G. Perrick en R.B. Eigeman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Elk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 juli 2015.

BIJLAGE: de tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij op 11 juni 2014 in de gemeente Almere, in ieder geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens)

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de

[adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 222

hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan

30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld

op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel

3a, vijfde lid van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

2.

hij op 1 november 2013 tot en met 11 juni 2014 in de gemeente Almere, in

ieder geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening

heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nummer PL0900-2014125615 bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid aanhef en onder 5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij, d.d. 12 juni 2014, p. 14-17.

3 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 16 juli 2015.

4 Het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij, d.d. 12 juni 2014, p. 14-17.

5 De aangifte van Liander N.V., d.d. 23 juni 2014, p. 79-81.

6 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 16 juli 2015.