Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5799

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-07-2015
Datum publicatie
19-08-2015
Zaaknummer
16-705475-14 en 16-062166-13 (tul)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor poging tot moord/poging tot doodslag/toebrengen zwaar lichamelijk letsel omdat niet bewezen kan worden dat verdachte de schutter is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/705475-14 en 16/062166-13 (tul) (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 16 juli 2015.

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1988] ,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2014, 17 februari 2015 en 2 juli 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: op 24 juli 2014 heeft geprobeerd [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk van het leven te beroven;

subsidiair: op 24 juli 2014 aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder primair impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag heeft begaan. De officier van justitie baseert zich daarbij - kort gezegd - op de camerabeelden waar verdachte op herkend wordt door drie verbalisanten, de verklaring van het slachtoffer zoals hij die heeft afgelegd in het UMC, waar het slachtoffer verdachte aanwijst als de schutter, en het tapgesprek van [A] , waarin [A] zegt dat hij van verdachte heeft gehoord dat hij heeft geschoten.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij - kort gezegd - op het feit dat de verbalisanten die verdachte zeggen te hebben herkend op de camerabeelden voorkennis hadden, terwijl de camerabeelden van zodanig slechte kwaliteit zijn dat het NFI stelt dat een gezicht vergelijkend onderzoek niet mogelijk is. De verdediging betwist daarom de juistheid en betrouwbaarheid van de herkenningen. Daarnaast duiden de camerabeelden erop dat de als man 1 aangeduide persoon niet heeft geschoten en juist een ander de schutter moet zijn geweest.

Ook heeft de verdediging aangevoerd dat de verklaring van aangever onbetrouwbaar is, omdat aangever wisselend heeft verklaard. Tot slot is aangevoerd dat het tapgesprek van [A] geen wettig bewijs oplevert, omdat [A] zijn informatie niet van verdachte heeft gehoord, maar van horen zeggen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht niet overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en zal hem dan ook vrijspreken. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Er zijn sterke aanwijzingen om aan te nemen dat verdachte op 24 juli 2014 op het slachtoffer heeft geschoten. Dit berust met name op de verklaring die het slachtoffer in het UMC heeft afgelegd, waarbij hij verdachte als schutter aanwijst, en op het tapgesprek van [A] die zegt dat hij van verdachte heeft vernomen dat hij heeft geschoten. Ook de details die [A] in dit tapgesprek noemt, zoals het geven van een kopstoot door verdachte en het feit dat het slachtoffer daarna richting zijn auto is gelopen, komen overeen met de verklaring van het slachtoffer in het UMC.

Er zijn echter ook contra-indicaties op basis waarvan twijfel bestaat of verdachte heeft geschoten op [slachtoffer] . Zo verklaart het slachtoffer in eerste instantie dat hij niet weet wie de schutter was. Daarna heeft het slachtoffer weliswaar in het UMC verdachte als schutter aangewezen, maar vervolgens wederom meermalen verklaard dat hij niet weet wie de schutter was. Daarbij komt dat er stukken in het dossier zijn waaruit blijkt dat (a) iemand de politie heeft gebeld met de mededeling te weten wie de schutter is, en daarbij een andere naam heeft genoemd dan die van verdachte en (b) er mogelijk door wapens met twee verschillende kalibers is geschoten, zoals ook door de officier van justitie is gesteld. Om deze reden is niet uit te sluiten dat een ander heeft geschoten op [slachtoffer] .

De officier van justitie heeft betoogd dat de herkenningen die op basis van de camerabeelden zijn gedaan door drie verbalisanten betrouwbaar zijn. De rechtbank oordeelt echter anders. Twee van de drie verbalisanten hadden de naam van verdachte al gehoord voordat zij de beelden bekeken. Daarnaast zijn de beelden van zodanige kwaliteit dat specifieke gezichtskenmerken niet gezien kunnen worden. Het NFI heeft dan ook gerapporteerd dat zij geen gezicht vergelijkend onderzoek kan doen vanwege de kwaliteit van de beelden. Dit vormt daarom een te wankele basis om uit te gaan van de betrouwbaarheid van die herkenningen.

Gelet op dit alles kan niet buiten gerede twijfel worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die op het slachtoffer heeft geschoten. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair en subsidiair tenlastegelegde.

5 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 14 oktober 2014 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland in de zaak met parketnummer 16/062166-13 betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 24 mei 2013 van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht.

De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af, nu verdachte wordt vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde.

6 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder primair en subsidiair tenlastegelegde;

Benadeelde partij

- Verklaart [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter. Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, tot op heden begroot op nihil;

Vordering tot tenuitvoerlegging

- Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 16/062166-13.

Voorlopige hechtenis

- Het op het reeds geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.A. Brouwer, voorzitter,

mrs. A.R. Creutzberg en J.P.H. van Driel van Wageningen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Elk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juli 2015.

Mrs. A.R. Creutzberg en J.P.H. van Driel van Wageningen zijn buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

Primair

hij op of omstreeks 24 juli 2014 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het

leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans

met dat opzet, meermalen, althans éénmaal, met een (geladen)

pistool/vuurwapen, scherpe patronen/kogels in de richting van die [slachtoffer]

heeft afgevuurd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] in zijn schouder/rug

is geraakt,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 24 juli 2014 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

aan een persoon (te weten [slachtoffer] ), opzettelijk en met voorbedachten rade,

althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (een schotwond in zijn

rug/schouder, althans in het lichaam), heeft toegebracht, door opzettelijk, na

kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk meermalen, in elk geval

éénmaal met een (geladen) pistool/vuurwapen, scherpe patronen/kogels in de

richting van die [slachtoffer] af te vuren;

art 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht