Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5797

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-07-2015
Datum publicatie
27-08-2015
Zaaknummer
16-661263-15
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor bedreiging van zijn partner, bezit van twee vuurwapens, waarvan één met een geluidsdemper en bezit van drugs tot een gevangenisstraf van 9 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661263-15 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 9 juli 2015.

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1985] ,

thans gedetineerd in [verblijfplaats] te [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

op 25 maart 2015 [slachtoffer] heeft bedreigd;

Feit 2:

op 25 maart 2015 een pistool merk BBM, een pistool merk CZ en zeven scherpe patronen voorhanden heeft gehad;

Feit 3:

op 25 maart 2015 een hoeveelheid cocaïne en MDMA aanwezig heeft gehad;

Feit 4:

op 25 maart 2015 een geluiddemper voor een vuurwapen (gemonteerd op een pistool) voorhanden heeft gehad.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Feit 1

Aangeefster [slachtoffer] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Ik ben verhuisd naar Amersfoort. In februari 2015 ben ik met [verdachte] naar de gemeente gegaan om [verdachte] in te schrijven op mijn adres. Ik weet dat [verdachte] sinds twee of drie maanden een pistool heeft.2 Vanavond, 25 maart 2015, ging ik de WC in en sloot mezelf op. Ik zag dat [verdachte] rukte aan de deur en ik hoorde dat hij mij beval om de deur open te doen. Ik hoorde dat hij schreeuwde: “Ik doe je wat aan. Doe die deur open”. Ik heb in die periode de politie gebeld. Ik hoorde dat [verdachte] ondertussen het raam intikte. Er viel glas op mij toen [verdachte] het raam boven de deur intikte. Ik hoorde dat hij op de deur sloeg en ik zag dat er een barst in de deur kwam. Ik was zo ongelofelijk bang. Ik zag een groot keukenmes door de deur heen komen. Ik hoorde dat hij zei dat hij door de deur zou schieten.3

Verbalisant [verbalisant] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Ik werd verzocht een bandje van de 112 centrale uit te werken. Ik hoorde een vrouw op de achtergrond schreeuwen. Op de achtergrond is een mannenstem te horen die ook aan het schreeuwen is.

Vrouw: ik kan die deur niet openmaken, je wilt niet weten hoe bang ik ben.

Man: maak die deur open, maak die deur open.

Vrouw: laat dat ding weg niet gaan schieten alstublieft, schiet niet.

Man: maak die deur open dan.

Vrouw: niet gaan schieten, nee, ik wil dat niet (…) ik wil niet dood.

Man: doe die deur open dan.

Vrouw: ik kan niet meer kan je dat ding alstublieft wegdoen.4

Verdachte heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Ik heb het toiletraampje ingeslagen en een mes in de deur gestoken.5

Feit 2, 3 en 4

Aangezien verdachte de feiten 2 tot en met 4 heeft bekend en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.

Feit 2 en 4:

De rechtbank acht de feiten wettig en overtuigend bewezen op grond van de volgende bewijsmiddelen:

- Het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het aantreffen van de vuurwapens, de geluiddemper en de patronen6;

- Het proces-verbaal van categorisering op grond van de Wet Wapens en Munitie7;

- De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 25 juni 20158.

Feit 3:

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de volgende bewijsmiddelen:

- Het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het aantreffen van drugs9;

- Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen10;

- Het NFI rapport van 1 juni 201511;

- De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 25 juni 2015.12

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op 25 maart 2015 te Amersfoort [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend, terwijl die [slachtoffer] zich had opgesloten in een toilet, het bovenraam van dat toilet stuk geslagen en een (groot) mes door de deur van dat toilet gestoken en die [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd "ik doe je wat

aan" en "ik schiet door de deur" of woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

2.

op 25 maart 2015 te Amersfoort, wapens van categorie III, te weten een vuurwapen (pistool, merk BBM) en een vuurwapen (pistool, merk CZ) en munitie van categorie III, te weten zeven scherpe patronen (kaliber .25 auto), voorhanden heeft gehad;

3.

op 25 maart 2015 te Amersfoort, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en 5 pillen en een hoeveelheid kristallen van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en MDMA, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

op 25 maart 2015 te Amersfoort, een wapen van categorie I, onder 3°, te weten een geluiddemper voor een vuurwapen gemonteerd op een pistool, merk CZ, model 70, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit

begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, strafbaar gesteld bij artikel 55 lid 3 onder a van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55 lid 1 van de Wet wapens en munitie;

Feit 3:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 4:

handelen in strijd met artikel 13 lid 1 van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55 lid 1 van de Wet wapens en munitie.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Uit het Pro Justitia rapport van 10 juni 2015, opgemaakt door dr. D.J. Burck, GZ-psycholoog, blijkt dat verdachte lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven, waarbij een beperkte draagkracht en tekort schietende copingsvaardigheden bij spanning op de voorgrond staan. Daarbij zijn tevens narcistische en antisociale kenmerken waargenomen. Een dergelijke stoornis is structureel van aard, zodat aangenomen mag worden dat de onderzochte ook ten tijde van het ten laste gelegde lijdende was aan deze gebrekkige ontwikkeling. Er lijkt voldoende aanleiding om onderzochte voor elk van de feiten afzonderlijk, tenminste enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt deze tot de hare.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte volledig uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 tot en met 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden dat verdachte een ambulante behandeling ondergaat, gericht op zijn persoon, alsmede op zijn drugsgebruik en meewerkt aan urinecontroles voor zover de reclassering dat nodig vindt.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen en daarbij een forse voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zijn partner [slachtoffer] bedreigd, terwijl zij zich uit angst voor verdachte had opgesloten in het toilet. Verdachte heeft daarbij een mes door de deur gestoken, een ruit boven de toiletdeur ingeslagen en gedreigd door de deur te schieten. Dat dit feit een grote impact op het slachtoffer heeft gehad, blijkt wel uit haar schriftelijke slachtofferverklaring. Zij geeft aan bang en in paniek te zijn geweest en dat zij na haar aangifte niet meer in haar eigen woning durfde te zijn. Ook geeft zij aan dat zij wist dat verdachte een wapen in huis had liggen. Dit vuurwapen is, tezamen met een ander vuurwapen, door de politie in de woning gevonden. Van één van de vuurwapens stond de hamer naar achteren gespannen en in het wapen zaten scherpe patronen. Op het andere wapen zat een geluidsdemper. Vuurwapens worden vaak gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en vormen een groot gevaar en een aanzienlijke bedreiging voor de veiligheid van personen in de samenleving. Daarnaast heeft verdachte een hoeveelheid van 125 gram cocaïne, 5 MDMA-pillen en 0,52 gram MDMA aanwezig gehad.

Uit het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 mei 2015 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor bedreiging, te weten op 4 april 2008 en 28 juli 2006.

Uit het psychologisch onderzoek pro justitia van 10 juni 2015 blijkt dat verdachte gebaat zou zijn bij een behandeling die hem inzicht geeft in zijn persoonlijkheidsstoornis en die hem handvatten geeft om daarmee om te gaan. De verdachte geeft zelf aan dat hij vooral hulp zoekt met betrekking tot zijn cocaïneverslaving en hij zou het op prijs stellen om regelmatig gecontroleerd te worden op zijn middelengebruik. De rechtbank acht de verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar voor de bewezen verklaarde feiten.

Uit het reclasseringsadvies van 18 juni 2015 blijkt dat in het leven van verdachte verschillende problemen spelen. Er is sprake van schulden, afwezigheid van structurele dagbesteding, relatieproblematiek en er zijn aanwijzingen voor problematisch cocaïnegebruik. Positief is dat verdachte te kennen geeft open te staan voor reclasseringstoezicht en behandeling. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog/gemiddeld. De reclassering adviseert om een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting en het verplicht meewerken aan urinecontroles.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden geen aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank zal daarom aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich laat begeleiden door de reclassering, ook als dat inhoudt dat verdachte zich ambulant moet laten behandelen voor zijn persoon en/of zijn verslaving en mee dient te werken aan urinecontroles.

9 Het beslag

Onder verdachte zijn de goederen in beslag genomen die op de beslaglijst vermeld staan.

De officier van justitie heeft gevorderd dat het onder verdachte in beslag genomen geld zal worden aangewend ter voldoening van de schade die de benadeelde partij [slachtoffer] heeft geleden. Het restant kan dan teruggegeven worden aan verdachte.

De verdediging heeft primair verzocht om het in beslag genomen geldbedrag aan verdachte te retourneren en subsidiair de oplossing van de officier van justitie te volgen.

De rechtbank gelast de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag aan verdachte.

10 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft een vordering benadeelde partij ingediend. Ter terechtzitting heeft zij haar vordering wat betreft de immateriële schade ingetrokken. Wat betreft de materiële schade ziet de vordering op schade aan een telefoon en aan de toiletdeur.

De verdediging heeft verzocht het herstellen van de deur en het vervangen van de telefoon als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf op te leggen.

De behandeling van de vordering levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte heeft dit niet betwist. De rechtbank waardeert deze op € 163,-, te weten de schade aan de kapotte telefoon en de schade aan de toiletdeur. Het verzoek van de verdediging leidt er niet toe dat de vordering moet worden afgewezen. De benadeelde partij heeft immers de vordering gehandhaafd en er is geen verweer op de vordering gevoerd. De vordering kan dan ook worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De verdediging heeft verzocht om de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen. De rechtbank ziet hiertoe echter onvoldoende aanleiding. In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt daarom als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 10 van de Opiumwet en 55 van de Wet Wapens en Munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit

begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, strafbaar gesteld bij artikel 55 lid 3 onder a van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55 lid 1 van de Wet wapens en munitie;

Feit 3:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 4:

handelen in strijd met artikel 13 lid 1 van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55 lid 1 van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, te weten 3 maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren navolgende (bijzondere) voorwaarden niet is nagekomen:

Algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

  3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

4. zich na zijn detentie binnen drie dagen meldt bij Reclassering Nederland op het adres Vivaldiplantsoen 200 in Utrecht. Vervolgens moet hij gedurende de proeftijd onder toezicht en leiding van de Reclassering Nederland blijven en zich naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen gedragen, zo vaak en zo lang als deze instelling dat, gedurende de proeftijd, nodig vindt.

5. zich voor zowel zijn persoonsproblematiek als zijn drugsverslaving ambulant moet laten behandelen bij een instelling voor ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, indien en voor zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. De veroordeelde zal zich dan houden aan de regels die door of namens de leiding van de polikliniek zullen worden gegeven;

6. wordt verplicht om mee te werken aan urinecontroles indien de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan Reclassering Nederland om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Ten aanzien van het beslag:
Gelast de teruggave aan verdachte van:
Euro geld (biljetten), waarde € 1900,-
-
1404894, IBG 25-3-2015, 15/G187.

Ten aanzien van feit 1: de vordering van de benadeelde partij

Wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot € 163,- (zegge honderddrieënzestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 maart 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 163,- (zegge honderddrieënzestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 maart 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 3 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.A. Brouwer, voorzitter,

mrs. G. Perrick en V.M.A. Sinnige, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Elk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 juli 2015.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 25 maart 2015 te Amersfoort, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk

dreigend (terwijl die [slachtoffer] zich had opgesloten in een toilet) het (boven-)

raam van dat toilet stuk geslagen en/of een (groot) mes door de deur van dat

toilet gestoken en/of die [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd "ik doe je wat

aan" en/of "ik schiet door de deur" en/of woorden van gelijke dreigende aard

en/of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 25 maart 2015 te Amersfoort, althans in het

arrondissement Midden-Nederland, een of meer wapens van categorie III, te

weten een vuurwapen (pistool, merk BBM) en/of een vuurwapen (pistool, merk

CZ), en/of munitie van categorie III, te weten zeven scherpe patronen (kaliber

.25 auto), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3.

hij op of omstreeks 25 maart 2015 te Amersfoort, althans in het

arrondissement Midden-Nederland,

opzettelijk

aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne

en/of ongeveer 5 pillen en/of een hoeveelheid kristallen, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,

zijnde cocaïne en/of MDMA

(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 10 lid 3 Opiumwet

4.

hij op of omstreeks 25 maart 2015 te Amersfoort, een wapen(s), van categorie I,

onder of 3°, te weten een geluiddemper voor een vuurwapen (gemonteerd op een

pistoo, merk CZ, model 70) voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 13 lid 1 Wet wapens en munitie

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met nummer 2015093391 (onderzoek 031Spar) bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , d.d. 26 maart 2015, p. 35.

3 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , d.d. 26 maart 2015, p. 37.

4 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 26 maart 2015, p. 40.

5 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 25 juni 2015.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 26 maart 2015, p. 42-43.

7 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 7 mei 2015, p. 246- 248.

8 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 25 juni 2015.

9 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 26 maart 2015, p. 42-43.

10 Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, d.d. 1 april 2015, p. 89-93.

11 Het NFI rapport van 1 juni 2015 (afzonderlijk ingekomen).

12 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 25 juni 2015.