Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5764

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-08-2015
Datum publicatie
04-09-2015
Zaaknummer
C/16/360547 / HA ZA 14-42
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verplichting tot inbreng, overgangsrecht, legitieme portie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0300
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling familierecht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/360547 / HA ZA 14-42

Vonnis van 5 augustus 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. M. Rebel,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. A.J.M. Knoef.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] , dan wel afzonderlijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 12 maart 2014;

  • -

    het B16-formulier van 13 november 2014 van [eiser] , met productie 13;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 28 november 2014;

  • -

    de akte van [eiser] van 10 december 2014, met producties 14 en 15;

  • -

    de conclusie van repliek, tevens wijziging eis, met producties 16 en 17;

  • -

    de conclusie van dupliek, tevens antwoord-akte met betrekking tot de wijziging van eis, met de producties 7 tot en met 12.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn broers en zus. Deze procedure betreft de afwikkeling van de nalatenschappen van de ouders van partijen, die in gemeenschap van goederen waren gehuwd.

2.2.

De vader van partijen, de heer [A] (hierna: de vader), laatst wonende te [woonplaats] is overleden op [2007] . Hij heeft als enige erfgenamen van zijn nalatenschap achtergelaten zijn drie kinderen (partijen) en zijn echtgenote mevrouw [B] , de moeder van partijen (hierna: de moeder). In zijn testament van 18 mei 1989 heeft hij met toepassing van artikel 1167 van het (oud) Burgerlijk Wetboek een ouderlijke boedelverdeling gemaakt en daarbij alle goederen van zijn nalatenschap toegedeeld aan de moeder onder de verplichting voor haar om alle schulden van zijn nalatenschap te voldoen en aan ieder van de kinderen diens of dier erfdeel in geld te betalen. De vorderingen die partijen wegens overbedeling op de moeder hebben verkregen, zijn opeisbaar geworden bij haar overlijden. Uitbetaling van deze vorderingen heeft nog niet plaatsgehad.

2.3.

De moeder, laatst wonende te [woonplaats] , is overleden op [2011] . Zij heeft in haar testament van 18 mei 1989 drie van haar kinderen (partijen) tot enige erfgenamen van haar nalatenschap benoemd. Zij heeft voorts bepaald dat haar zoon [C] uit haar eerste huwelijk, dan wel bij zijn vooroverlijden zijn nakomelingen, niet meer uit haar nalatenschap zal of zullen ontvangen dan zijn of hun legitieme portie.

2.4.

Van de nalatenschap van de vader noch van die van de moeder is een boedelbeschrijving gemaakt.

2.5.

Bij brief van 16 oktober 2012 heeft mr. [D] , de notaris van [eiser] , zich gewend tot [gedaagde sub 1] met het verzoek om een overzicht van de activa en passiva van de nalatenschap van de moeder te verstrekken en om hem te informeren wanneer de afwikkeling zou plaatsvinden. Bij brief van 30 oktober 2012 heeft mr. [D] deze verzoeken herhaald, waarna de zoon van [gedaagde sub 1] namens zijn vader telefonisch heeft medegedeeld dat zij niets met de zaak te maken willen hebben. Vervolgens heeft [eiser] zich tot een rechtsbijstandverlener gewend die [gedaagden] bij brief van 29 januari 2013 heeft aangeschreven. In deze brief staat – voor zover relevant – vermeld:

“(…) Op 18 september 2011 is wijlen uw moeder, mevrouw [B] , overleden. Bij leven heeft erflaatster bij testament d.d. 18 mei 1989 over haar nalatenschap beschikt. In het testament is cliënt tot erfgenaam benoemd.

Op [2007] is uw vader, de heer [eiser] , overleden. Erflater heeft eveneens bij testament van d.d. 18 mei 1989 over zijn nalatenschap beschikt. Bij testament is cliënt eveneens als erfgenaam benoemd. (…)

Erflater en erflaatster zijn al enige tijd geleden overleden. Client is nimmer op de hoogte gesteld van de stand van zaken met betrekking tot de afwikkelingen van de nalatenschappen. Client heeft op grond van artikel 4:16 van het Burgerlijk Wetboek recht op inzage en afschrift van alle bescheiden met betrekking tot de nalatenschap van erflater en erflaatster zodat cliënt zijn erfdelen kan vaststellen.

Namens cliënt verzoek ik u, zo nodig sommeer ik u, om binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief de volgende bescheiden aan mij te overleggen:

(…)“

2.6.

Bij brief van 8 februari 2013 is namens [gedaagden] gereageerd op voormelde verzoeken. De ingediende successieaangifte en een gedeelte van de door [eiser] gevraagde bankafschriften zijn in kopie verstrekt. De kosten van de uitvaart van de moeder bedroegen € 5.331,45.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

  1. [gedaagden] te gebieden aan [eiser] de in punt 16 van de dagvaarding gevraagde gegevens te verstrekken, zulks onder last van een dwangsom van € 500,- per dag dat [gedaagden] hiermee in gebreke blijft;

  2. te verklaren voor recht dat tot de nalatenschap van de heer [A] , overleden op [2007] en subsidiair ook van mevrouw [B] , overleden op [2011] behoort een schenking gedaan aan de heer [gedaagde sub 1] van € 152.470,-, welke schenking inclusief rente in de nalatenschap dient te worden ingebracht;

  3. [gedaagde sub 1] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van primair

€ 38.117,50 en subsidiair € 34.941,04, dan wel een door de rechtbank vast te stellen bedrag;

4. [gedaagde sub 1] (naast het onder punt 3 genoemde) en [gedaagde sub 2] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 3.798,11;

5. [gedaagden] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, zulks vast te stellen door de rechtbank;

6. [gedaagden] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[gedaagden] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van dit geding.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

Inleiding

4.1.

Zoals reeds vermeld zijn partijen broers en zus en betreft deze procedure de afwikkeling van de nalatenschappen van de ouders van partijen, die in gemeenschap van goederen waren gehuwd. In de kern gaat het om de informatieplicht van [gedaagden] jegens [eiser] , om de vraag of in de verkoop en levering van een perceel grond door de vader aan [gedaagde sub 1] een gift is besloten en, indien sprake is van een gift, of dit van belang is voor de afwikkeling van de nalatenschappen van de vader en de moeder. Tot slot maakt [eiser] aanspraak op zijn legitieme portie in de nalatenschap van de moeder.

Informatieplicht (vordering 1)

4.2.

[eiser] vordert [gedaagden] te gebieden om de navolgende gegevens te verstrekken:

  1. een overzicht van alle door de vader en de moeder gedane schenkingen en giften;

  2. een overzicht van eventuele uitgekeerde lijfrente, lijfrentepolissen en levensverzekeringen;

  3. een specificatie van de boedel bij overlijden;

  4. een kopie van alle bankrekeningen van de periode van september 2006 tot februari 2011.

4.3.

[gedaagden] stelt dat de bescheiden genoemd bij a tot en met c niet in zijn bezit zijn omdat die overzichten en specificatie nooit zijn opgemaakt. De bankafschriften die na het overlijden van de moeder nog aanwezig waren zijn volgens [gedaagden] in kopie aan [eiser] verstrekt.

4.4.

De rechtbank overweegt dat [eiser] geen feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit kan blijken dat [gedaagden] nog andere van de gevorderde gegevens of bescheiden in zijn bezit heeft dan hetgeen reeds aan [eiser] is verstrekt. Om die reden moet vordering 1 worden afgewezen.

Verklaring voor recht (vordering 2)

4.5.

Blijkens de notariële akte van 28 februari 1995 heeft de vader een perceel grond (weiland) te Naarden aan de [straatnaam] , kadastraal bekend onder nummer [nummer] , ter grootte van 5 hectare, 81 are en 20 centiare aan [gedaagde sub 1] verkocht en geleverd voor een bedrag van fl. 96.000,-. Volgens [eiser] is de koopsom dermate laag dat in deze transactie een gift besloten is. Hij vordert in dat verband een verklaring voor recht dat tot de nalatenschap van de vader, en subsidiair ook van de moeder, behoort een schenking gedaan aan [gedaagde sub 1] van € 152.470,-.

4.6.

De rechtbank stelt voorop dat het antwoord op de vraag of in de verkoop en levering van het in 4.5. vermelde perceel een gift is besloten niet van belang is voor de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder. Als gift wordt op grond van artikel 7:186 lid 2 BW aangemerkt iedere handeling die ertoe strekt dat degeen die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt. Indien in dit geval al sprake is geweest van een gift, staat vast dat deze is gedaan door de vader. Dat de vader en de moeder in gemeenschap van goederen waren gehuwd en de (eventuele) gift daardoor uiteindelijk ten laste van beiden is gekomen, maakt niet dat de (eventuele) gift mede door de moeder is gedaan. Bij de inbreng van giften in het kader van de verdeling van een nalatenschap geldt voor de toerekening van giften door een in de wettelijke gemeenschap van goederen gehuwde schenker een formele benadering: de gift wordt geheel toegerekend aan de degene die daarbij partij is. Blijkens de parlementaire geschiedenis is artikel 4.3.3.6a van de Vaststellingswet, inhoudende dat giften ten laste van een gemeenschap van goederen geacht worden te zijn gedaan door ieder van de echtgenoten voor zijn deel daarin, alsnog geschrapt bij de Invoeringswet. Blijkens de toelichting is na nadere overweging alsnog besloten om niet af te wijken van de formele tenaamstelling, maar giften volledig toe te rekenen aan degene die daarbij partij is (NW 6, Parl. Gesch. Boek 4, p. 1870). Blijkens de notariële akte van 28 februari 1995 is alleen de vader partij geweest bij de verkoop en levering van voornoemd perceel. Voor zover daarin dus een gift besloten is geweest, wordt die eventuele gift hem geheel toegerekend.

4.7.

De rechtbank overweegt voorts ten aanzien van de gevorderde verklaring voor recht dat een (eventuele) gift aan [gedaagde sub 1] als zodanig niet een vermogensbestanddeel is dat tot de nalatenschap van de vader behoort, zodat dit niet op de wijze waarop dit is gevorderd in rechte kan worden vastgesteld. In artikel 4:233 lid 1 BW is immers bepaald dat de verplichting tot inbreng betekent dat bij de verdeling van de nalatenschap de waarde van de gift in mindering komt van het aandeel van de tot inbreng verplichte erfgenaam in het hem en de erfgenamen, te wier behoeve de inbreng verplicht is, uit de nalatenschap toekomende gedeelte, vermeerderd met de onderling in te brengen bedragen. [eiser] vordert dat in rechte wordt vastgesteld dát door de vader aan [gedaagde sub 1] een schenking van € 152.470,- is gedaan en dat deze schenking, inclusief rente, in de nalatenschap [de rechtbank begrijpt van de vader] dient te worden ingebracht. Daarover, en over vordering 3, overweegt de rechtbank het volgende.

Verplichting tot inbreng (vorderingen 2 en 3)

4.8.

Wat de inbreng van giften betreft, gold onder het oude recht dat afstammelingen inbrengplichtig waren, tenzij zij daarvan bij de gift of uiterste wilsbeschikking of authentieke akte waren ontheven (artikel 1132 oud BW). De huidige regeling van artikel 4:229 BW bepaalt ten aanzien van alle erfgenamen dat zij slechts tot inbreng verplicht zijn voor zover de erflater dit, hetzij bij de gift, hetzij bij uiterste wilsbeschikking, heeft voorgeschreven. Artikel 139 Ow NBW bepaalt in dit verband dat een erfgenaam in de neerdalende lijn die onder het oude recht niet is ontheven van zijn verplichting tot inbreng, ook in een na 31 december 2002 (onder het nieuwe recht) opengevallen nalatenschap tot inbreng verplicht blijft. De wet bepaalt niet uitdrukkelijk of op de inbrengverplichting ingevolge artikel 139 Ow NBW het oude of het nieuwe recht van toepassing is. De hoofdregel van onmiddellijke werking van de nieuwe wet (artikel 68a Ow NBW) brengt dan met zich dat de nieuwe inbrengregels gelden.

4.9.

Bij inbreng gaat het om de waarde van giften die als een voorschot op het erfdeel worden aangemerkt. Inbreng leidt dus niet tot ‘terugbrengen in de boedel’. Onder inbreng wordt verstaan het bij de verdeling in mindering brengen van de waarde van een gift op het aandeel dat de begiftigde in de nalatenschap toekomt. Zoals hiervoor in 4.6. overwogen gaat het hier om de nalatenschap van de vader. Die nalatenschap is opengevallen na 31 december 2002, zodat de nieuwe inbrengregels gelden. Inbreng leidt ertoe dat de nalatenschap fictief hoger uitvalt dan in werkelijkheid het geval is (artikel 4:233 lid 1 BW). [gedaagde sub 1] is op grond van artikel 4:233 lid 2 BW niet tot inbreng verplicht voor zover de waarde van de (eventuele) gift groter is dan het aandeel van hem in de nalatenschap van de vader. Gesteld noch gebleken is wat de waarde van de goederen van de nalatenschap van de vader is, zodat evenmin kan worden vastgesteld wat het aandeel van [gedaagde sub 1] daarin is. Het had op de weg van [eiser] gelegen om dit voldoende gemotiveerd te stellen. Omdat de omvang van het erfdeel van [gedaagde sub 1] in de nalatenschap van de vader niet kan worden vastgesteld, kan – nog daargelaten dat het testamant van de vader een ouderlijke boedelverdeling bevatte, waarover hierna meer – het bedrag van de inbreng evenmin in rechte worden vastgesteld. Uit voormelde wetssystematiek volgt niet dat een erfgenaam recht heeft op een gedeelte van de (eventuele) schenking. [gedaagde sub 1] kan in dit geval dan ook niet worden veroordeeld om ¼ deel van de gestelde schenking (€ 152.407,01 : 4 =

€ 38.117,50), dan wel een ander bedrag uit hoofde van inbreng aan [eiser] te voldoen. Daarbij komt, als gezegd, dat als gevolg van de ouderlijke boedelverdeling al een verdeling van de goederen van de nalatenschap van de vader tot stand was gekomen waarbij alle goederen aan de moeder zijn toebedeeld en de kinderen een niet opeisbare vordering op haar kregen. Deze vordering is opeisbaar geworden bij haar overlijden en betreft thans een schuld van de nalatenschap van de moeder in de zin van artikel 4:7 lid 1 onder a BW. Het vorenstaande noopt tot de conclusie dat de vorderingen 2 en 3 moeten worden afgewezen.

De legitieme portie in verband met de nalatenschap van de moeder (vordering 4)

4.10.

[eiser] maakt tot slot aanspraak op zijn legitieme portie in verband met de nalatenschap van de moeder (zie conclusie van repliek, randnummer 21). De rechtbank overweegt ten aanzien van deze vordering als volgt. Artikel 4:63 BW bepaalt dat de legitieme portie van een legitimaris het gedeelte van de waarde van het vermogen van de erflater is waarop de legitimaris in weerwil van giften en uiterste wilsbeschikkingen van de erflater aanspraak kan maken (de legitimaire massa). Op grond van artikel 4:64 lid 1 BW bedraagt de legitieme portie van een kind van de erflater de helft van de waarde waarover de legitieme porties worden berekend, gedeeld door het aantal in artikel 4:10 lid 1 sub a BW genoemde personen (echtgenoot en kinderen). In dit geval zijn er vier kinderen van de moeder, zodat het breukdeel van de legitieme van [eiser] 1/8 bedraagt. De legitieme portie wordt blijkens artikel 4:65 BW berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden, vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW. Op grond van artikel 4:67 BW worden bij de berekening van de legitieme portie onder andere de giften in aanmerking genomen die de erflater aan een afstammeling heeft gedaan, mits deze of een afstammeling van hem legitimaris van de erflater is.

4.11.

Voor de berekening van de legitieme portie dient de waarde van de goederen van de nalatenschap van de moeder te worden vastgesteld. [eiser] stelt dat die waarde moet worden vastgesteld op € 11.102,- aan overige bezittingen, vermeerderd met

€ 9.421,89 aan banksaldi, verminderd met de kosten van de uitvaart van € 5.331,45, dus in totaal op € 15.192,44. [gedaagden] stelt dat er niets meer was dan het saldo van de bankrekeningen van in totaal € 9.421,89. Van dit saldo zijn zowel de uitvaartkosten als andere kosten betaald. [gedaagden] verwijst in dit verband naar het overzicht dat als productie 6 bij de conclusie van antwoord in het geding is gebracht. Het banksaldo dat op

2 januari 2014 resteerde bedroeg, zo stelt [gedaagden] onweersproken, € 3.753,61. Daarop strekken nog in mindering de kosten van de asverstrooiing.

4.12.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van het door [gedaagden] gevoerde verweer met betrekking tot de waarde van de goederen van de nalatenschap van de moeder en diens verwijzing in dat kader naar de aangifte erfbelasting ter zate van de nalatenschap van de moeder als volgt. In de aangifte is bij vraag 22b een bedrag van € 11.102,- opgegeven als “Totale waarde overige bezittingen”. Het ligt voor de hand dat het woord overige bij vraag 22b terug slaat op vraag 22a, waarin wordt gevraagd naar de “Totale waarde onroerende zaken”. Het bedrag van € 11.102,- zou logischerwijze dan een optelsom zijn van de waarde van alle goederen van de nalatenschap, inclusief de banktegoeden, en met uitzondering van eventuele onroerende zaken. Dit strookt in zoverre met de aangifte nu daarin geen afzonderlijk bedrag aan bank- en spaartegoeden staat vermeld. [eiser] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat de moeder nog andere bezittingen had dan haar banktegoeden en haar inboedel. De rechtbank stelt daarom op grond van de aangifte vast dat de waarde van de goederen van de nalatenschap van de moeder € 11.102,- bedroeg.

4.13.

Ingevolge artikel 4:80 lid 2 wordt onder de waarde van de nalatenschap verstaan de waarde van de goederen van de nalatenschap, verminderd met de in artikel 4:7 lid 1 onder a, b, c en f BW vermelde schulden. Tussen partijen is niet in geschil dat de kosten van de uitvaart van de moeder € 5.331,45 bedroegen (artikel 4:7 lid 1 onder b BW). De waarde van de nalatenschap van de moeder bedraagt dus € 11.102,- - € 5.331,45 = € 5.770,55. Zoals overwogen in 4.10. bedraagt de legitieme portie van [eiser] 1/8e deel, dus € 721,32. [gedaagden] heeft gesteld dat bij de berekening van de legitieme portie van

[eiser] een gift van fl. 55.000,- van de vader in aanmerking moet worden genomen. Nog daargelaten dat [eiser] gemotiveerd heeft betwist dat dit bedrag hem door de vader is geschonken en de schenking op grond van de door [gedaagden] gestelde feiten en omstandigheden niet kan worden vastgesteld, dient het ingevolge artikel 4:67 BW te gaan om giften die door de erflater zijn gedaan. In de conclusie van dupliek stelt [gedaagden] dat de vader fl. 55.000,- heeft geschonken. Nu [eiser] een beroept doet op zijn legitieme portie in verband met de nalatenschap van de moeder, is een eventuele schenking gedaan door de vader niet relevant.

4.14.

Uit het vorenstaande volgt dat [eiser] als legitimaris een vordering van

€ 721,32 heeft op de gezamenlijke erfgenamen, die voor de voldoening van de vordering aansprakelijk zijn voor gelijke delen (artikel 6:6 lid 1 BW). Nu de moeder partijen tot haar enige drie erfgenamen heeft benoemd, verkrijgt [eiser] als erfgenaam € 3.753,61 (zie 4.11.) : 3 = € 1.251,20. Ingevolge artikel 4:71 BW komt de waarde van al hetgeen

[eiser] krachtens erfrecht verkrijgt, in mindering op zijn legitieme portie. Nu het erfdeel van [eiser] meer bedraagt dat zijn legitieme portie, heeft hij geen vordering uit hoofde van zijn legitieme portie op [gedaagden] Om die reden moet ook vordering 4 worden afgewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten (vordering 5)

4.15.

Nu [eiser] in het ongelijk wordt gesteld, wordt zijn vordering ter zake van de buitengerechtelijke incassokosten eveneens afgewezen.

Proceskosten (vordering 6)

4.16.

In de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke rechtsbetrekking tot elkaar staan en het geschil de afwikkeling van de nalatenschappen van hun ouders betreft, ziet de rechtbank aanleiding voor compensatie van de proceskosten.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat partijen hun eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Karman en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2015.

type: CK

coll: SvdH