Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5691

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-06-2015
Datum publicatie
17-08-2015
Zaaknummer
16/661831-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

hennep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661831-14

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 16 juni 2015.

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [1979] ,

wonende te ( [postcode] ) [woonplaats] , [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2015. De verdachte, niet ter terechtzitting verschenen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.L. Kranendonk, advocaat te Beverwijk.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat de raadsman naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

  1. zich in de periode van 23 november 2011 tot en met 1 februari 2012 te Zeist al dan niet samen met een ander of anderen schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk telen, bereiden, bewerken en/of verwerken van hennep, in elk geval aan het opzettelijk aanwezig hebben van hennep;

  2. zich in de periode van 23 november 2011 tot en met 1 februari 2012 te Zeist al dan niet samen met een ander of anderen schuldig heeft gemaakt aan diefstal van elektriciteit.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft met betrekking tot beide ten laste gelegde feiten vrijspraak bepleit en gesteld dat uit het dossier niet volgt dat verdachte betrokken is geweest bij de in het pand aan de [adres] te [woonplaats] aangetroffen hennepkwekerij. Dat een getuige hem bij een enkelvoudige fotoconfrontatie heeft herkend als de “klusjesman” die zij vaak bij het pand heeft gezien is daartoe onvoldoende, evenals de omstandigheid dat een sigarettenpeuk met daarop zijn DNA in het pand is aangetroffen. Onduidelijk is of die peuk in de kwekerij of elders in het pand is aangetroffen en bovendien hebben alle in het pand aangetroffen en in beslag genomen sigarettenpeuken in een zak gezeten, waardoor overdracht van DNA-materiaal niet kan worden uitgesloten. Daarbij komt dat de mogelijkheid dat verdachte in de kwekerij of elders in het pand een sigarettenpeuk heeft achtergelaten, nog niet betekent dat hij betrokken is geweest bij de hennepteelt. Evenmin volgt uit de omstandigheid dat de auto van een broer van verdachte, die verdachte wel eens leende, vaak bij het pand is geziendat verdachte bij de hennepkwekerij betrokken is geweest. Deze broer leende zijn auto aan meerdere personen uit en er waren wel vier sleutels van de auto in omloop.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Het bewijs 1

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

Op 1 februari 2012 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning aan de [adres] te [woonplaats] . In deze woning is op de derde verdieping een hennepkwekerij aangetroffen met in totaal 341 volgroeide hennepplanten.2 Uit de aangetroffen hennepplanten zijn willekeurig drie plantdelen geselecteerd die zijn getest op de aanwezigheid van cannabinoiden. Uit deze test bleek dat de plantdelen cannabinoden bevatten, zijnde de werkzame bestanddelen van hennepplanten.3

In de hennepkwekerij is een sigarettenpeuk aangetroffen, die apart is veiliggesteld.4 Het op deze sigarettenpeuk aangetroffen DNA is afkomstig van [verdachte] (matchkans kleiner dan één op één miljard),5 verdachte.

Getuige [getuige 1] , woonachtig aan de [adres] te [woonplaats] , heeft in de zomer van 2011 een soort “klusjesman” in/ bij de woning op nummer [nummer] gezien. Deze man bracht diverse bouwmaterialen naar binnen, waarna er volop getimmerd werd. De man kwam een aantal dagen per week, zowel ’s middags als ’s avonds, naar de woning. Nadat het timmeren was afgelopen, bleef de man met grote regelmaat komen voor korte bezoekjes.6 Hij heeft twee of drie keer gezien dat de man met grote boodschappentassen uit de woning kwam.7

De echtgenote van [getuige 1] , getuige [getuige 2] , heeft ook gezien dat de klusjesman vanaf de zomer van 2011 vaak wel vijf keer per week voor korte bezoeken naar de woning kwam. Hij opende dan de deur van de woning met een sleutel.8 Zij heeft verdachte op een aan haar door de politie getoonde foto herkend als de klusjesman die zij bij de woning aan de [adres] heeft gezien. Zij herkende verdachte aan zijn bolle, uitpuilende ogen.9

De klusjesman reed volgens de verklaring van getuige [getuige 1] in een Opel, voorzien van kenteken [kenteken] .10. Die auto staat op naam van een broer van verdachte, [A] .11 Deze broer heeft verklaard dat hij zijn auto aan verschillende personen uitleende omdat hij geen rijbewijs heeft, dat verdachte het meeste gebruik maakte van zijn auto en hier ook een sleutel van had. Verdachte bracht hem vaak naar zijn werk en haalde hem op, in de tussenliggende tijd gebruikte verdachte de auto.12

Aanvullend ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De heer [B] heeft namens Stedin Netbeheer BV aangifte gedaan van diefstal.13 Hij was op 1 februari 2012 in de woning aan de [adres] te [woonplaats] aanwezig. Bij controle van de netcomponenten (hoofdleiding, aansluiting en meetinrichting) en de elektrische installatie in de meterkast zag hij dat de verzegeling van het deksel van de hoofdaansluiting verbroken en verwijderd was. Verder zag hij dat er aan de bovenzijde van de hoofdzekeringen een vijf aderige elektriciteitskabel was bijgeplaatst en aangesloten. Deze elektriciteitskabel zat aangesloten voor de elektriciteitsmeter zodat alle elektriciteit die via deze elektriciteitskabel werd afgenomen niet door de elektriciteitsmeter werd geregistreerd. Deze elektriciteitskabel was destijds bij het aansluiten van het pand op het elektriciteitsnet van Stedin Netbeheer BV niet geïnstalleerd. Bij het volgen van deze elektriciteitskabel zag hij dat deze uitkwam in een onderverdeelinrichting van elektriciteit, van waaruit de aanwezige hennepkwekerij onbemeten van elektriciteit werd voorzien.14

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de hierboven genoemde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het telen van hennep in een woning aan de [adres] te [woonplaats] . Verdachte is door een getuige herkend als de klusjesman die timmerwerkzaamheden in het pand heeft verricht en na afloop daarvan voor korte bezoekjes naar de woning bleef komen, verdachte maakte vaak gebruik van de auto waarin deze klusjesman reed en er is een sigarettenpeuk met daarop DNA van verdachte in de kwekerij aangetroffen. Dat de sigarettenpeuk met daarop DNA van verdachte in de kwekerij is aangetroffen volgt uit het proces-verbaal sporenonderzoek, in samenhang bezien met het proces-verbaal relaas (zie onder voetnoot 4). Tevens volgt hieruit dat deze sigarettenpeuk apart veilig is gesteld.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht dit feit ook wettig en overtuigend bewezen. Gelet op de rol van verdachte als “klusjesman” zoals deze uit de bewijsmiddelen voortvloeit, is de rechtbank van oordeel dat hij betrokken is geweest bij de aanleg en de diefstal van elektriciteit.

Ten aanzien van beide feiten

De rechtbank stelt ten aanzien van het onder feit 1 en onder feit 2 ten laste gelegde vast dat er geen bewijs is van een nauwe en bewuste samenwerking en derhalve van medeplegen door verdachte. De rechtbank zal verdachte ten aanzien van beide feiten dan ook partieel vrijspreken van het onderdeel ‘tezamen en in vereniging’.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

1. in de periode van 23 november 2011 tot en met 1 februari 2012 te [woonplaats] opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres] een hoeveelheid van in totaal ongeveer 341 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst

II;

2. in de periode van 23 november 2011 tot en met 1 februari 2012 te Zeist met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit geheel of ten dele toebehorende aan Stedin, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door verbreking van de verzegeling van de hoofd aansluitkast van de elektriciteits-voorziening.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

1. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

2. diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten te veroordelen tot een werkstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. De officier van justitie heeft bij deze strafeis rekening gehouden met het tijdsverloop en de toepasselijkheid van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, mocht de rechtbank tot een veroordeling komen, het opleggen van een lagere straf bepleit. De verdediging heeft daarbij ook gewezen op het tijdsverloop en op het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het kweken van hennepplanten en diefstal van elektriciteit om de hennepkwekerij van voldoende stroom te kunnen voorzien. Het kweken van een softdrug als hennep is een strafbaar feit dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Ook levert een hennepkwekerij waarbij op illegale wijze elektriciteit wordt onttrokken aan het net en waarvoor de elektrische installatie ondeskundig is aangelegd, schade op voor het elektriciteitsbedrijf en (brand)gevaar voor de omgeving. Verdachte heeft zich kennelijk om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie 17 april 2015, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld, ook voor soortgelijke delicten.

De ernst van de feiten rechtvaardigen in beginsel, mede gelet op de LOVS oriëntatiepunten, zowel een forse taakstraf als een voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft echter rekening gehouden met het tijdsverloop tussen het aantreffen van de hennepkwekerij en de behandeling van de zaak ter terechtzitting en met de omstandigheid dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Dit dient te leiden tot een strafvermindering.

Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden wordt een werkstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, met aftrek passend en geboden geacht.

Gelet op het genoemde tijdsverloop acht de rechtbank het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals gevorderd door de officier van justitie, niet meer op zijn plaats.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

1. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

2. diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 uur, te vervangen door hechtenis voor de duur van 60 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag inverzekeringstelling.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. de Stigter, voorzitter, mrs. E.A, Messer en A.G. Bakker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C.J. Evers, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juni 2015.

BIJLAGE : De tenlastelegging

1.

hij in of omstreeks de periode van 23 november 2011 tot en met 1 februari 2012 te Zeist, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk

geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 341 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

2.

hij in of omstreeks de periode van 23 november 2011 tot en met 1 februari 2012 te Zeist, althans in het arrondissement Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Stedin, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s) waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en het weg te nemen goed onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door braak op of verbreking van de verzegeling van de hoofdaansluitkast van de elektriciteitsvoorziening;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar paginanummers betreffen dit de paginanummers van het proces-verbaal van politie Regio Utrecht, met dossiernummer PL0920 2012024776, volgens de in dat dossier toegepaste nummering.

2 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 64.

3 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 68.

4 Proces-verbaal relaas, pagina 149 in samenhang met het proces-verbaal sporenonderzoek pagina’s 175 en 176. De sigarettenpeuk is veiliggesteld onder de nummers SIN AAEL6931NL en SIN AADY8640NL

5 Het NFI rapport, pagina’s 177 en 179. Het DNA in het sporenmateriaal met nummer SIN AADY8640NL is volgens dit rapport afkomstig van [verdachte] .

6 Het proces-verbaal verhoor getuige, pagina 58.

7 Het proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 59.

8 Het proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 172

9 Het proces-verbaal van verhoor getuige, uit dossiernummer PL0920 201202476, pagina’s 3 en 4

10 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 60.

11 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 61.

12 Het proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 162.

13 Proces-verbaal van aangifte, pag. 27.

14 Een rapportage diefstal energie, opgemaakt door [B] , pag. 29 t/m 31, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering