Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5683

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-07-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
UTR 14/7721
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Geweigerde omgevingsvergunning voor onder meer het realiseren van vier onzelfstandige woonruimten op de eerste en tweede verdieping van het pand Loosdrechtseweg 166 te Hilversum. Het realiseren van de woonruimten is in strijd met het bestemmingsplan. Het bouwplan is, anders dan in de beslissing op bezwaar is gesteld, niet in strijd met de parkeernorm. In de beslissing op bezwaar is onvoldoende gemotiveerd dat het bouwplan in strijd is met de Beleidsregels afwijken van een bestemmingsplan en verweerder heeft niet gereageerd op het betoog dat in de directe omgeving vaker van de Beleidsregels is afgeweken. Verweerder kan bij zijn afweging of hij afwijken van het bestemmingsplan wenselijk acht de parkeerbelasting wel betrekken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 14/7721

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H.J.A. Ebbeng),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, verweerder

(gemachtigden: mr. drs. R.B.J. Wisselo en mr. P. Rensing).

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2014 heeft verweerder geweigerd om eiseres een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een dakkapel aan de voorgevel, het plaatsen van een dakkapel aan de zijgevel en het wijzigen van de indeling op de eerste en tweede verdieping van het pand (het pand) op het perceel Loosdrechtseweg 166 te Hilversum (het perceel). Bij besluit van 18 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eiseres daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 april 2015. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door [A] , bouwkundige, en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

  1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
    Eiseres is eigenaar van het perceel. Op het perceel staat het pand en een bijgebouw met daarin vier praktijkruimten ten behoeve van maatschappelijke doeleinden. In het pand zijn op de begane grond twee behandelkamers ten behoeve van een tandartsenpraktijk gebouwd, alsmede twee kamers op de eerste en twee kamers op de tweede verdieping. Eiseres heeft op 30 januari 2014 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het legaliseren van twee dakkapellen en het wijzigen van de indeling van het pand. De wijziging betreft het geschikt maken van de ruimten op de eerste en de tweede verdieping van het pand voor een viertal onzelfstandige woonruimten en het terugbrengen van de twee op de begane grond gerealiseerde behandelkamers naar de bestemming wonen door het realiseren van kamers met een gedeelde douche en toilet. De aanvraag betreft de activiteit bouwen.
    Grondslag bestreden besluit

  2. Bij besluit 24 april 2015 heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd. In het besluit is voor wat betreft de gevraagde gewijzigde indeling van het pand toegelicht dat het pand op grond van het bestemmingsplan ‘Vreelandseweg’ (het bestemmingsplan) is bestemd voor ‘wonen-3’. Gronden met deze bestemming zijn op grond van artikel 24 van de planregels bestemd voor ‘het wonen in twee-aaneen woningen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteit. Gelet op de definities van de begrippen ‘woning twee-aaneen’ en ‘woning’ in artikel 1 van de planregels van het bestemmingsplan is in het pand slechts één woning voor één huishouden toegestaan. Kamerbewoning en ook een mengvorm is niet toegestaan.

  3. Op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) heeft verweerder de aanvraag mede aangemerkt als een verzoek om gebruik van het pand in strijd met het bestemmingsplan. Verweerder acht het niet wenselijk om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo een omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik te verlenen. Hij heeft dit ter zitting als volgt toegelicht:
    - het bouwplan is in strijd met de Beleidsregels afwijken van een bestemmingsplan (de Beleidsregels), die op 18 januari 2011 door verweerder zijn vastgesteld. Er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid om van de beleidsregels of het bestemmingsplan af te wijken;
    - de gewenste uitbreiding van de woonfunctie in combinatie met het gebruik van het bijgebouw op het perceel met de bestemming ‘Maatschappelijk’ betekent volgens de gemeentelijke normen dat de parkeerbehoefte op het perceel groter is dan de beschikbare ruimte. Gelet op de Beleidsregels parkeernormen Hilversum 2009 kan verweerder niet afwijken van hetgeen hieromtrent in artikel 35.2 van de planregels is bepaald;
    - het gaat om een recent (in 2012) vastgesteld bestemmingsplan, waarin welbewust is
    gekozen voor het beschermen van het woon- en leefklimaat door het tegengaan van
    kamerbewoning.

  4. Voor wat betreft de dakkapellen is in het besluit van 24 april 2014 toegelicht dat de omgevingsvergunning is geweigerd omdat de Commissie voor Welstand en Monumenten (de welstandscommissie) op 20 februari 2014 negatief heeft geadviseerd. Dit advies heeft verweerder overgenomen.

Wijziging indeling van het pand

5. Eiseres betoogt dat het bouwplan niet in strijd is met artikel 24 van de planregels van het bestemmingsplan, zodat verweerder de omgevingsvergunning ten onrechte om die reden heeft geweigerd. Zij stelt dat de specifieke gebruiksregels van artikel 24 van de planregels en de algemene gebruiksregels van artikel 35 van de planregels het gebruik voor kamerbewoning en de mengvorm van onzelfstandige woonruimte niet uitsluiten. Als het gemeentebestuur bij de totstandkoming van het bestemmingsplan, zoals verweerder stelt, voor ogen had om kamerbewoning tegen te gaan, had zij deze vorm van wonen in de gebruiksregels moeten verbieden of aan een vergunningstelsel moeten verbinden. Dit is echter niet gebeurd.

6. De rechtbank stelt vast dat het pand is gelegen op een gedeelte van het perceel dat op grond van het bestemmingsplan is bestemd voor ‘Wonen-3’.

Op grond van artikel 24.1 van de planregels zijn de voor ‘Wonen-3’ aangewezen gronden bestemd voor het wonen in twee-aaneen woningen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van aan-huis-verbonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteit met de daarbij behorende voorzieningen.

Op grond van artikel 1.75 van de planregels wordt onder het begrip ‘woning twee-aaneen’ verstaan een woning die onderdeel uitmaakt van een bouwmassa bestaande uit twee hoofdgebouwen.

Op grond van artikel 1.77 van de planregels wordt onder het begrip ‘woning’ verstaan een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, waaronder begrepen eventueel gemeenschappelijk gebruik van bepaalde ruimten.

7. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat kamerbewoning dan wel een andere vorm van bewoning van onzelfstandige woonruimte in het pand niet is toegestaan. Zij overweegt daartoe als volgt. In artikel 24.1 van de planregels is bepaald dat alleen ‘wonen in een twee-aaneen woning’ op het perceel is toegestaan. Uit de artikelen 1.75 en 1.77 van de planregels blijkt, voor zover hier relevant, dat in het bestemmingsplan onder een twee-aaneen woning wordt verstaan een woning uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. Dit impliceert dat kamerbewoning of een andere vorm van bewoning van onzelfstandige woonruimte in een twee-aaneen woning niet is toegestaan. De omstandigheid dat in de planregels het gebruik van een twee-aaneen woning voor kamerbewoning of als onzelfstandige woonruimte niet expliciet is uitgesloten, leidt niet, zoals eiseres stelt, tot de conclusie dat dit gebruik is toegestaan.

8. Verweerder heeft, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, terecht gesteld dat het bouwplan, voor wat betreft de wijziging van het indeling van het pand, in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verweerder, voor wat betreft dit aspect van de vergunning, in redelijkheid heeft kunnen weigeren om op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen voor afwijkend gebruik.

9. Eiseres betoogt dat verweerder de gevraagde omgevingsvergunning niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Zij heeft in dit verband gewezen op de brief van verweerder van 17 oktober 2013, waarin staat dat het realiseren van vier wooneenheden op de eerste en tweede verdieping van het pand niet in strijd is met het bestemmingsplan. Verder zijn in deze brief toezeggingen gedaan omtrent de wijze waarop verweerder een eventuele toekomstige aanvraag zal toetsen aan in artikel 35.2 van de planregels gestelde parkeernormen. Eiseres stelt dat de aanvraag niet in strijd is met de parkeernorm en dat voor een eventuele strijdigheid op grond van artikel 35.2.2 van de planregels een afwijking kan worden vergund. Zij heeft verder gesteld dat de aanvraag juist leidt tot een vermindering van de activiteiten op het perceel omdat de praktijkruimtes op de begane grond van het pand erdoor komen te vervallen. Eiseres stelt dat uit een door haar in een eerdere procedure overgelegde verkeersanalyse van Global Vision blijkt dat er wat betreft parkeren geen sprake is van een piekbelasting van meer dan 80%. Volgens eiseres heeft verweerder in de parkeerbelasting geen reden kunnen zien om de aanvraag te weigeren. Ter zitting heeft eiseres betwist dat het bouwplan is in strijd met de Beleidsregels en zij heeft erop gewezen dat in de directe omgeving van het perceel vaker is afgeweken van de Beleidsregels.

10. De rechtbank stelt vast dat in de brief van verweerder van 17 oktober 2013 op pagina 2 over de huidige stand van zaken van het bijgebouw het volgende staat vermeld: “In het bijgebouw zijn vier praktijkruimtes gerealiseerd ten behoeve van maatschappelijke doeleinden. Dit gebruik is in overeenstemming met het bestemmingsplan Vreelandseweg. (…) Als deze deuropening ongedaan is gemaakt, zijn de verbouwingswerkzaamheden in het bijgebouw vergunningsvrij uitgevoerd. Dit is dus in tegenstelling met ons eerdere standpunt dat voor het wijzigen van het bijgebouw wél een omgevingsvergunning nodig is. Nu wij hebben vastgesteld dat geen omgevingsvergunning is vereist (…), moet eveneens de conclusie worden getrokken dat wij voor wat betreft de praktijkruimtes in het bijgebouw geen eisen kunnen stellen aan het parkeren op eigen terrein.” Verder staat in de brief van 17 oktober 2013 dat definitief is vastgesteld dat op het perceel, dus op eigen terrein, plaats is voor vier bereikbare en bruikbare parkeerplaatsen. Voor wat betreft het bouwplan van eiseres staat in de brief dat het realiseren van vier wooneenheden op de eerste en tweede verdieping niet in strijd is met het bestemmingsplan. Over de parkeereisen staat in de brief dat besloten is om voor de mengvorm op de eerste en tweede verdieping van het pand, waar iedere eenheid een eigen keuken en badkamer heeft, maar waar de toiletten per twee eenheden worden gedeeld, een parkeernorm van 1,0 parkeerplaats per unit toe te passen.

11. Eiseres heeft met haar vergunningaanvraag een berekening overgelegd waaruit blijkt dat het bouwplan voldoet aan de parkeernorm. Volgens deze berekening zijn er 4 parkeerplaatsen beschikbaar op eigen terrein en 1,4 parkeerplaats vanwege de op het perceel toegestane woning. In totaal is er dus 5,4 parkeerplaats beschikbaar. Het bouwplan leidt tot een toename van de parkeerbehoefte van (4 * 1 =) 4 parkeerplaatsen voor de eenheden met een gemengde woonvorm en een toename van (2 * 0,4 =) 0,8 parkeerplaats voor de beide kamers op de begane grond. De totale behoefte is dus 4,8 parkeerplaats en past dus binnen hetgeen beschikbaar is. Het bouwplan voldoet dus aan de parkeernorm uit artikel 35.2 van de planregels en een afwijking op grond van artikel 35.2.2 van de planregels is niet nodig, aldus eiseres.

12. Verweerder heef ter zitting erkend dat deze berekening van eiseres juist is en dat er dus, anders dan in het bestreden besluit is gesteld, op het perceel wel voldoende parkeergelegenheid is om te voldoen aan de in artikel 35.2 van de planregels gestelde norm. Verweerder heeft gesteld dat dit echter nog geen aanleiding is om de gevraagde afwijking van het bestemmingsplan te vergunnen. Hij heeft in dit verband gesteld dat hij in het kader van een eventuele afwijking de ruimtelijke uitstraling van het totaal van de activiteiten op het perceel dient te beoordelen. Daarbij is van belang dat de parkeerdruk in de omgeving op dit moment al erg hoog is, aldus verweerder. Verweerder acht het niet wenselijk om een afwijking te vergunnen.

13. De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en daarmee in strijd met 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen. Zij overweegt daartoe dat verweerder ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd dat het bouwplan niet voldoet aan de in artikel 35.2 van de planregels gestelde parkeernorm. Wat betreft de motivering dat het bouwplan in strijd is met de Beleidsregels, stelt de rechtbank vast dat verweerder dit niet nader heeft onderbouwd en dat ter zitting niet is weersproken dat in de directe omgeving vaker van de Beleidsregels is afgeweken. Ook op dit punt is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.

14. Ten behoeve van de finale beslechting van het geschil en in verband met de eventuele nadere besluitvorming door verweerder ziet de rechtbank aanleiding ook de overige door eiseres aangevoerde gronden te bespreken.
De dakkapellen

15. Eiseres betoogt dat de beide dakkapellen al 54 jaar aanwezig zijn en niet door haar zijn gerealiseerd. Zij stelt verder dat de welstandscommissie er in haar advies van 20 februari 2014 ten onrechte van uitgaat dat de dakkapellen niet voldoen aan de sneltoetscriteria uit de nota Welstand Hilversum, herziening 2014, (de welstandsnota) omdat zij te hoog en te breed zijn. Volgens eiseres zijn de dakkapellen, anders dan de welstandscommissie stelt, niet hoger dan 1,3 meter. Verder is eiseres niet duidelijk waarom de breedte van de dakkapel wordt gemeten over het midden van de hoogte en voor wat betreft de dakkapel aan de zijkant begrijpt eiseres niet waarom is uitgegaan van een maximale breedte van 40% in plaats van 60% van de breedte het dakvlak.

16. Verweerder heeft terecht gesteld dat voor de vraag of een omgevingsvergunning kan worden verleend niet relevant is wanneer en door wie de dakkapellen zijn gerealiseerd. Dit kan wel relevant zijn voor de vraag of verweerder handhavend tegen de dakkapellen kan optreden. Verweerder heeft ter zitting overigens toegelicht dat hij niet van plan is om tegen de dakkapellen handhavend op te treden.

17. Ter zitting heeft verweerder een notitie overgelegd van 10 september 2014. Hieruit blijkt dat de dakkapellen opnieuw zijn nagemeten en dat de hoogte wel voldoet aan de sneltoetscriteria. Voor wat betreft de breedte van de dakkapellen stelt de rechtbank vast dat in de sneltoetscriteria staat dat over het midden van de hoogte van de dakkapellen moet worden gemeten. Bij een dakkapel aan de voorkant geldt in een gebied met een bijzonder welstandsniveau een maximale breedte van 40% van het dakvlak, aan de achterkant geldt een maximum van 60%. Het is de rechtbank zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet duidelijk waarom verweerder bij de dakkapel aan de zijkant is uitgegaan van een maximum van 40%. Uit de door verweerder overgelegde notitie blijkt dat de welstandscommissie er terecht vanuit is gegaan dat de dakkapel aan de voorkant de maximale breedte overschrijdt.

18. In het advies van de welstandscommissie, gelezen in samenhang met de notitie van 10 september 2014, is, gelet op het voorgaande, onvoldoende gemotiveerd waarom de dakkapel aan de zijkant in strijd is met de sneltoetscriteria uit de welstandsnota. Om die reden heeft verweerder in het bestreden besluit niet kunnen volstaan met een verwijzing naar dit advies. Het bestreden besluit is ook om deze reden in strijd met 7:12, eerste lid, van de Awb genomen.

Conclusie

19. Het beroep is, gelet op hetgeen onder 13. en 18. is overwogen, gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid en artikel 8:80a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in een tussenuitspraak in de gelegenheid stellen een gebrek te herstellen of te laten herstellen. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder deze gelegenheid te bieden. Zij overweegt daartoe dat de gebreken in het bestreden besluit in beginsel herstelbaar zijn, hetzij door een nadere motivering, hetzij door het nemen van een nieuw besluit op de voet van artikel 6:19 van de Awb. Verweerder zal daarbij, met inachtneming van hetgeen onder 12. is overwogen, nader moeten motiveren of hij al dan niet aanleiding ziet om op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo een afwijking te vergunnen. Bij zijn afweging mag verweerder de ruimtelijke uitstraling van het totaal van de activiteiten op het perceel betrekken. Daarnaast dient hij in te gaan op hetgeen eiseres heeft gesteld over de bestaande parkeerbelasting, haar stelling dat de aanvraag juist leidt tot een vermindering van de activiteiten op het perceel omdat de praktijkruimtes op de begane grond van het pand erdoor komen te vervallen en de door haar haar in een eerdere procedure overgelegde verkeersanalyse van Global Vision. Ook zal verweerder in moeten gaan op de aan eiseres gedane toezeggingen. Ten slotte zal verweerder moeten motiveren waarom het bouwplan in strijd is met de Beleidsregels en hij zal moeten ingaan op de stelling van eiseres dat in de directe omgeving vaker van de Beleidsregels is afgeweken

19. Wat betreft het onder 18. genoemde gebrek zal verweerder met name hetgeen onder 17. is overwogen in acht moeten nemen.

19. De termijn waarbinnen verweerder de gebreken kan herstellen, bepaalt de rechtbank in beginsel op zes weken na verzending van deze uitspraak. Indien verweerder binnen twee weken verklaart geen gebruik te maken van de gelegenheid om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen of de termijn die voor het herstel is bepaald ongebruikt is verstreken, zal de rechtbank in beginsel zonder nadere zitting uitspraak doen op het beroep, voortbouwend op hetgeen in deze tussenuitspraak is overwogen en beslist. Ter voorlichting van partijen merkt de rechtbank nog op dat bij het doen van einduitspraak de rechtbank, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, niet mag terugkomen op in deze tussenuitspraak zonder voorbehoud gegeven eindbeslissingen. Het heeft voor partijen dus doorgaans geen zin om in het vervolg van deze procedure hun pijlen op die eindbeslissingen te richten. Daartegen kan pas bij de einduitspraak desgewenst hoger beroep worden ingesteld.

19. De rechtbank neemt nog geen beslissing over de vergoeding van de door eiseres gemaakte proceskosten. Zij wacht hiermee tot de einduitspraak op het beroep.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt verweerder in de gelegenheid:

- om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen, met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze uitspraak heeft overwogen, of

- om binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank mede te delen dat van deze geboden mogelijkheid geen gebruik wordt gemaakt;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. Lanshage, rechter, in aanwezigheid van mr. J.K. van de Poel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat (nog) geen hoger beroep open.