Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5632

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-06-2015
Datum publicatie
13-08-2015
Zaaknummer
16-661893-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor stalking, bedreiging en diefstal. Vrijspraak voor een groot deel van de stalkingsperiode en voor diverse uitspraken van verdachte die niet als bedreigend kunnen worden gekwalificeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661893-14 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 17 juni 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1975] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [postcode] [woonplaats 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 juni 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en zijn advocaat, mr. M.L. Plas, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: in de periode van 20 mei 2014 tot en met 29 september 2014 [slachtoffer] heeft gestalkt;

Feit 2: in de periode van 10 juni 2014 tot en met 29 september 2014 [slachtoffer] meerdere keren heeft bedreigd;

Feit 3: op 12 juni 2014 een fiets van [slachtoffer] heeft gestolen.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen te verklaren.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft allereerst betoogd dat de ten laste gelegde periode van feit 1 moet worden beperkt. Het aantal berichten dat naar [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) is verstuurd neemt toe in mei 2014 en duurt tot ongeveer 22 juni 2014. Slechts in een periode van 3 tot 4 weken is sprake van een zekere stelselmatigheid. Niet kan worden bewezen verklaard dat verdachte veelvuldig langs de woning van [slachtoffer] is gereden. Alleen door [slachtoffer] wordt daarover verklaard. Uit het dossier blijkt niet meer dan dat verdachte in die periode twee of drie keer bij de woning van [slachtoffer] is geweest. Dat kan niet stelselmatig worden genoemd. Ook dient rekening te worden gehouden met de rol van [slachtoffer] , die verdachte in de nacht van 8 op 9 juni 2014 zelf heeft uitgenodigd bij haar woning.

De teksten die onder de eerste drie aandachtstreepjes van feit 2 staan vermeld, kunnen niet als een strafbare bedreiging worden gekwalificeerd. Bovendien moet rekening worden gehouden met de context waarin deze uitlatingen zijn gedaan.

Het derde feit kan wellicht als diefstal worden gekwalificeerd, maar voegt niets toe aan het strafdossier dat tegen verdachte ligt.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Feit 1

Het bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op grond van de volgende bewijsmiddelen.

Op 16 juni 2014 is door [slachtoffer] , wonende te [woonplaats 2] , aangifte gedaan van belaging. Zij verklaart dat zij een relatie heeft gehad met [verdachte] (hierna: verdachte).2 Sinds 28 april 2014 wordt [slachtoffer] lastig gevallen door verdachte. Verdachte stuurt haar elke dag wel een aantal e-mails. Ook op Facebook worden door verdachte berichten geplaatst. Hij maakt gebruik van de accounts “ [account A] ” en “ [account B] ”. Tot het moment dat [slachtoffer] verdachte blokkeerde, kreeg zij via het account “ [account B] ” zo’n 40 berichten per dag van verdachte.3

[slachtoffer] heeft verschillende e-mails, die zij van verdachte zou hebben ontvangen, doorgestuurd naar de politie. Door de politie is hiervan het volgende overzicht gemaakt:

Woensdag 11 juni 2014: 5 e-mails

Donderdag 12 juni 2014: 1 e-mails

Vrijdag 13 juni 2014: 4 e-mails

Maandag 16 juni 2014: 6 e-mails

Dinsdag 17 juni 2014: 2 e-mails

Vrijdag 20 juni 2014: 1 e-mails

Zaterdag 21 juni 2014: 26 e-mails

Zondag 22 juni 2014: 3 e-mails

Maandag 23 juni 2014: 2 e-mails

De e-mails zijn verzonden via het e-mailadres [e-mailadres slachtoffer] . [slachtoffer] heeft in haar aangifte verklaard dat verdachte de inloggegevens van dit account heeft aangepast, zodat [slachtoffer] daar geen toegang meer toe heeft.4

Op het Facebookaccount “ [account A] ” zijn op 10 juni 2014 door verdachte 25 berichten gestuurd. Deze berichten bevatten onder meer de volgende teksten:

- “ Ga je me echt nog meer pijn geven door me weer te negeren??? Als dat zo is staat jouw hart bovenaan mn lijstje…”

- “ Blijkbaar heb je geen hart en geweten…dus neem ik jou ook alles af!!!alles!!!”

- “ Nu ga je t beleven…geen dag rust meer.”

- “ Ik maak je hele trieste leugenachtuge leven kapot!”5

Ook op het Facebookaccount “ [account B] ” zijn door verdachte berichten verstuurd. Op maandag 9 juni 2014 betreft dit 41 berichten en op dinsdag 10 juni 2014 3 berichten.6

Verdachte heeft verklaard dat hij het wachtwoord heeft van het Facebookaccount “ [account A] ”. Volgens verdachte heeft [slachtoffer] dat wachtwoord niet.7 Verder heeft verdachte verklaard dat hij e-mails heeft verstuurd naar [slachtoffer] , met gebruikmaking van het e‑mailaccount van [slachtoffer] .8

Bewijsoverweging

Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan in de periode van 9 juni 2014 tot en met 23 juni 2014. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de feiten voor zover die buiten deze periode zijn ten laste gelegd.

De rechtbank acht onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat verdachte in de ten laste gelegde periode veelvuldig langs de woning van [slachtoffer] is gereden en aldus wederrechtelijk en stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] . De rechtbank zal verdachte daarom van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.

Feit 2

Het bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 21 juni 2014 [slachtoffer] heeft bedreigd.

Omdat verdachte dit deel van het ten laste gelegde heeft bekend en door de raadsvrouw geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen:

 het proces-verbaal van aangifte, gedaan door [slachtoffer] , opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, d.d. 23 juni 2014;9

 het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , opgemaakt door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, d.d. 17 juli 2014;10

 de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 3 juni 2015.

Partiële vrijspraak

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de teksten die ten laste gelegd zijn onder de eerste drie aandachtstreepjes van feit 2. Verdachte heeft in deze berichten onder meer geschreven dat hij het leven van [slachtoffer] kapot wil maken en haar alles af wil nemen. Na het bericht van 29 september 2014 voegt verdachte daaraan toe: “Dan heb je morgen 2 aangiftes aan je broek”. Gelet op de inhoud van de berichten en de context waarin deze zijn geplaatst, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling. Verder heeft verdachte in het tweede bericht van 10 juni 2014 en in het bericht van 29 september 2014 het woord “sterf” gebruikt. De rechtbank leest hierin dat verdachte [slachtoffer] dood wenst. Een dergelijke wens kan echter niet als een strafbare bedreiging worden gekwalificeerd, nu daarmee niet wordt gezegd dat verdachte daar een aandeel in zal hebben.

Feit 3

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit samen met een ander heeft begaan en zal hem daarvan gedeeltelijk vrijspreken.

Omdat verdachte dit feit heeft bekend en door de raadsvrouw geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen:

 het proces-verbaal van aangifte, gedaan door [slachtoffer] , opgemaakt door [verbalisant 2] , brigadier van politie Eenheid Midden-Nederland, d.d. 13 juli 2014;11

 het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 3] , surveillant van politie Eenheid Midden-Nederland, d.d. 21 juli 2014;12

 de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 3 juni 2015.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 9 juni 2014 tot en met 23 juni 2014 te [woonplaats 2] , wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] , met

het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte,

- in voornoemde periode die [slachtoffer] een grote hoeveelheid e-mailberichten verstuurd en

- in voornoemde periode die [slachtoffer] een grote hoeveelheid Facebookberichten verstuurd;

2.

op 21 juni 2014 in het arrondissement Midden-Nederland [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd: "Kankerlijers, ik maak jullie allemaal dood. Ik maak jullie helemaal af. Al is het het laatste wat ik doe";

3.

omstreeks 12 juli 2014 in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets (Batavus), toebehorende aan

[slachtoffer] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

feit 1: belaging;

feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 3: diefstal.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, een ambulante behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling, (indien nodig) een ambulante behandeling voor drugs- en alcoholgebruik en een contact- en locatieverbod als omschreven in de schorsingsvoorwaarden van de voorlopige hechtenis. De officier van justitie heeft verzocht deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Verder heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte een werkstraf op te leggen voor de duur van 140 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 70 dagen.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich wat betreft de geëiste voorwaardelijke gevangenisstraf gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft bepleit dat aan verdachte geen bijzondere voorwaarden dienen te worden opgelegd. Uit het summiere reclasseringsrapport blijkt niet wat de meerwaarde is van reclasseringstoezicht en een ambulante behandeling. Ook een contactverbod is niet zinvol, omdat [slachtoffer] contact blijft zoeken met verdachte.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-vriendin, waarbij hij haar tevens heeft bedreigd en haar fiets heeft gestolen. Verdachte heeft door deze gedragingen een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Aangeefster voelde zich, doordat verdachte op een dwingende wijze contact met haar bleef zoeken, angstig en onveilig. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.

Ten nadele van de verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte het onjuiste van zijn handelen nog steeds niet lijkt in te zien.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op een Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte eenmaal eerder is veroordeeld voor een vermogensdelict.

Daarnaast heeft de rechtbank gelet op een reclasseringsadvies over verdachte van 18 maart 2015. De reclassering adviseert aan verdachte als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een leefstijltraining en een ambulante behandeling bij De Waag (of een soortgelijke instelling) op te leggen.

De rechtbank overweegt dat in het reclasseringsrapport onvoldoende wordt onderbouwd welke behandeling(en) verdachte zou moeten volgen. Verdachte is al enige tijd behandeld geweest. Desondanks wordt in het reclasseringsrapport niet toegelicht hoe de behandeling is verlopen, welke vooruitgang daarbij is geboekt en op welke punten een aanvullende behandeling zich zal moeten richten. Bovendien heeft verdachte verklaard niet gemotiveerd te zijn een ambulante behandeling te volgen. Gelet hierop neemt de rechtbank het advies van de reclassering niet over en zal aan verdachte de geadviseerde bijzondere voorwaarden niet opleggen.

De rechtbank zal aan verdachte wel een contactverbod met aangeefster opleggen en een verbod om zich te bevinden op de in deze uitspraak te noemen locaties. De rechtbank acht het van belang dat verdachte geen contact zal hebben met aangeefster, ook niet in het geval aangeefster zelf het contact met verdachte zoekt. Uit het dossier kan namelijk worden afgeleid dat het contact tussen verdachte en aangeefster de kans op recidive verhoogt.

De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar verklaren, nu niet vaststaat dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

De rechtbank is tot een andere bewezenverklaring gekomen dan door de officier van justitie is geëist en zal daarom ook in de straftoemeting afwijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank zal aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 1 maand en een taakstraf voor de duur van 80 uren.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

9.1

De inhoud van de vorderingen

De vordering van [slachtoffer] strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 1 ten laste gelegde, te weten een totaalbedrag van € 2.500,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de executiekosten en de wettelijke rente.

9.2

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 1.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd het door de officier van justitie gevorderde bedrag nog verder te matigen, gelet op de beperkte periode en de rol van aangeefster. Bovendien is de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk gebaseerd op feiten en omstandigheden die niet in de tenlastelegging zijn opgenomen.

9.4

Het oordeel van de rechtbank

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het hiervoor 1 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 300,00 (driehonderd euro) aan immateriële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2014.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

De rechtbank wijst slechts een gedeelte van de vordering toe. Reden daarvoor is dat een deel van de beschreven schade niet het gevolg is van de feiten die in deze strafzaak bewezen zijn verklaard. Een deel van de schade houdt verband met andere gebeurtenissen. Daarnaast kan niet zonder nader onderzoek worden vastgesteld dat de schade volledig aan verdachte moet worden toegerekend. Naar het restant van de schade zou nader onderzoek moeten worden gedaan. Behandeling van het restant van de vordering levert echter een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan het bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 285, 285b en 310 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1: belaging;

feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 3: diefstal.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Straf

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 (één) maand.

Beveelt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

3. dat verdachte direct noch indirect contact zal opnemen of hebben met [slachtoffer] , geboren op [1988] ; ook niet indien [slachtoffer] dit contact zelf zoekt;

4. dat verdachte zich niet zal bevinden binnen een straal van 100 meter van de volgende locaties: [adres] te [woonplaats 2] , basisschool [naam] ( [adres] te [woonplaats 2] ), verpleeg-/verzorgingshuis [naam] ( [adres] te [woonplaats 2] ) en [adres] te [woonplaats 2] .

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 80 (tachtig) uren.

Beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 300,00 (zegge driehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juni 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] , € 300,00 (zegge driehonderd euro) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 6 dagen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juni 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Voorlopige hechtenis

Heft op het -reeds geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van de datum waarop dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mrs. N.H.J.M. Veldman-Gielen en J.G. van Ommeren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. van Reenen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juni 2015.

BIJLAGE: de tenlastelegging

Aan [verdachte] wordt tenlastegelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 20 mei 2014 tot en met 29 september 2014 te

[woonplaats 2] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in

Nederland,

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de

persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] , in elk geval van een ander, met

het oogmerk die [slachtoffer] , in elk geval die ander te dwingen iets te doen,

niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte,

- in voornoemde periode die [slachtoffer] een grote hoeveelheid (in elk geval 56),

althans veelvuldig e-mailberichten verstuurd/gezonden en/of

- in voornoemde periode die [slachtoffer] een grote hoeveelheid (in elk geval

146), althans veelvuldig facebookberichten verstuurd/gezonden en/of

- in voornoemde periode veelvuldig langs haar woning/woonadres gereden;

art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 10 juni 2014 tot en met 29 september 2014

te [woonplaats 2] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in

Nederland,

[slachtoffer] (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een of meer berichten (via

Facebook) naar die [slachtoffer] verzonden, met daarin de woorden:

- ( op 10 juni 2014) "Blijkbaar heb je geen hart en geweten...dus neem ik jou

ook alles af!!!alles!!!" en/of

- ( op 10 juni 2014) "Hahahaha....de kanker voor je!Ik maak je hele trieste

leugenachtuge leven kapot!hij als eerste!zieke leugenachtige kankerhoer!!!en

jou erbij!!!!Btje liegen belazeren en ontkennen!!sterf hoer!!! Ik waarschuw

niet meer!!het gaat nu gebeuren dikke hoer die je geworden bent!!!!

sterf!!!" en/of

- ( op 29 september 2014) ''In dat geval zal ik jou en alles

wat je lief is structureel blijven kapotmaken...'' en/of ''Ik waarschuw

je...ik breek je....dus aan jou de keuze..als er een aangifte is..sterf!En

alles wat je lief is.

terwijl deze bedreiging(en) schriftelijk en onder bepaalde voorwaarden is/zijn

geschied

en/of heeft verdachte opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd:

- ( op 21 juni 2014) "Kankerlijers, ik maak jullie allemaal dood. Ik maak

jullie helemaal af. Al is het het laatste wat ik doe" , althans woorden van

gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 2 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 12 juli 2014, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een

fiets (Batavus), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal, nummer PL0900 2014277060 en PL0900 2014277060A, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (pagina 1 tot en met 215). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Het proces-verbaal van aangifte, gedaan door [slachtoffer] , d.d. 16 juni 2014, p. 21.

3 Het proces-verbaal van aangifte, gedaan door [slachtoffer] , d.d. 16 juni 2014, p. 23.

4 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 1 augustus 2014, p. 149.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 1 augustus 2014, p. 150.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 1 augustus 2014, p. 150.

7 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 30 september 2014, p. 202.

8 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 1 oktober 2014, p. 209.

9 Pagina 157 tot en met 159.

10 Pagina 160 en 161.

11 Pagina 168 tot en met 171.

12 Pagina 186 tot en met 192.