Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5612

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-02-2015
Datum publicatie
06-08-2015
Zaaknummer
16-659695-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor heling en het aanwezig hebben van soft- en harddrugs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/659695-14 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 18 februari 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [1977] ,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 februari 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en zijn advocaat, mr. M.M.J. Nuijten, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd.

De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: 21,9 gram cocaïne en 0,1 gram amfetamine aanwezig heeft

gehad;

feit 2: 98,4 gram hasjiesj heeft vervoerd, dan wel aanwezig heeft gehad;

feit 3: een iMac computer voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of had moeten vermoeden dat deze van misdrijf afkomstig was;

feit 4: een laptop voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of had moeten vermoeden dat deze van misdrijf afkomstig was.

Ad informandum gevoegd: het voorhanden hebben van een ploertendoder.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor het onder 4 ten laste gelegde feit. De overige feiten dienen volgens de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen te worden verklaard. Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie opgemerkt dat de 3,6 gram cocaïne, die is aangetroffen in de auto van een vriend van verdachte, niet kan worden bewezen verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de doorzoeking in de woning van verdachte onrechtmatig was, nu naast de MMA-meldingen nauwelijks onderzoek is gedaan door de politie en de MMA-meldingen op zichzelf onvoldoende concreet waren om een redelijk vermoeden van schuld te rechtvaardigen.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de machtiging tot doorzoeking van de woning van verdachte in het dossier ontbreekt. Dit onherstelbare vormverzuim dient te leiden tot bewijsuitsluiting en vrijspraak van het ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman opgemerkt dat de 3,6 gram cocaïne is aangetroffen in een auto en niet in de woning van verdachte, zoals dit is ten laste gelegd. Ook overigens blijkt niet uit het dossier dat verdachte deze drugs voorhanden had. Wat betreft de cocaïne die in de woning is aangetroffen, kan niet worden uitgesloten dat die er door een ander is neergelegd.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft het voorhanden hebben van 98,4 gram hasj (feit 2).

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor feit 3, nu de iMac ruim 3,5 jaar voor deze bij verdachte werd aangetroffen, is gestolen en verdachte er een redelijke prijs voor heeft betaald.

Ook van feit 4 dient verdachte, volgens de raadsman, te worden vrijgesproken, omdat niet blijkt dat verdachte wist of moest weten dat deze laptop van diefstal afkomstig was.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

4.3.1

Vrijspraak ten aanzien van feit 4

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte het onder feit 4 ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank zal verdachte daarom van dit feit vrijspreken.

4.3.2

De rechtmatigheid van de doorzoeking

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat sprake zou zijn van een onrechtmatige doorzoeking. Bij de politie zijn op 26 september 2013 en 3 oktober 2013 MMA-meldingen binnen gekomen. In deze meldingen wordt concrete informatie verstrekt over de naam van de verdachte, zijn adres, de auto waarin hij rijdt en de bijnaam die hij heeft. Deze informatie blijkt, na onderzoek van de politie, te kloppen. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk dat de overige informatie in deze meldingen, te weten dat deze persoon over wapens en drugs beschikt, serieus wordt genomen. De rechtbank acht de meldingen voldoende concreet en gedetailleerd om, tezamen met het nadere onderzoek van de politie, een redelijk vermoeden van schuld jegens verdachte te rechtvaardigen. De doorzoeking in de woning van verdachte kan, gelet hierop, niet als onrechtmatig worden geoordeeld.

De rechtbank constateert dat de machtiging tot doorzoeking niet is opgenomen in het dossier. Naar het oordeel van de rechtbank levert dit geen onherstelbaar vormverzuim op, nu uit het proces-verbaal van de doorzoeking blijkt dat de rechter-commissaris bij de doorzoeking aanwezig is geweest. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman op dit punt.

4.3.3

Het bewijs ten aanzien van feit 1 en 2

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste heeft begaan op grond van de volgende bewijsmiddelen.

Op 29 oktober 2013 is de woning aan de [adres] in [woonplaats] doorzocht.2 In het dressoir in de woonkamer wordt een zakje met -vermoedelijk- cocaïne aangetroffen. Verder wordt in de keuken een bolletje en in de berging een wikkel aangetroffen.3 De hiervoor genoemde goederen krijgen, respectievelijk de volgende goednummers: 208224, 208229 en 208228.4


Door de politie is onderzoek gedaan naar de aangetroffen goederen. In het aangetroffen plastic zakje (goednummer 208224) zit 18 gram van een crèmekleurige poeder.5 Deze poeder wordt gewaarmerkt met het SIN-nummer AAGG7346NL.6 Goednummer 208229 betreft 0,3 gram crèmekleurig poeder en wordt gewaarmerkt met het SIN-nummer AAGG7348NL. Het onder 208228 in beslag genomen goed betreft 0,1 gram crèmekleurig poeder en wordt voorzien van het SIN-nummer AAGG7349NL.7

Het Nederlands Forensisch Instituut concludeert dat het aangeboden materiaal, voorzien van de nummers AAGG7346NL, AAGG7348NL en AAGG7349NL, alle cocaïne bevatten. AAGG7349NL bevat naast cocaïne ook amfetamine.8

Tijdens de hiervoor genoemde doorzoeking van de woning van verdachte zijn de sleutels van een Opel Astra, met kenteken [kenteken] , aangetroffen. In deze Opel Astra is door de politie een plak -vermoedelijk- hasj gevonden.9 Deze plak (met goednummer 20822310) wordt herkend als hasjiesj en wordt positief getest op THC, de werkzame stof van hennep en hasjiesj, vermeld op lijst II van de Opiumwet.11

Verdachte heeft verklaard dat hij woont op de [adres] in [woonplaats] ; hij woont daar alleen.12 Verdachte heeft verder verklaard dat in de auto een plak hasj lag. Verdachte had deze hasj van iemand gehad.13

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1

De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van 3,6 gram cocaïne, die is aangetroffen in de Opel Astra ( [kenteken] ). Het enkele feit dat de papieren van deze auto zijn aangetroffen in de woning van verdachte, is onvoldoende om wettig en overtuigend bewezen te verklaren dat verdachte deze 3,6 gram cocaïne aanwezig heeft gehad.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat verdachte de cocaïne (18,3 gram) en de amfetamine (0,1 gram), die zijn aangetroffen in de woning, niet aanwezig heeft gehad. De ontkenning van verdachte dat hij niet op de hoogte was van deze drugs in zijn woning, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Verdachte heeft verklaard dat hij alleen in de woning woont. De drugs zijn bovendien op verschillende plaatsen in de woning en de berging aangetroffen. Daarbij komt dat een dergelijke hoeveelheid cocaïne een behoorlijke waarde vertegenwoordigt. De rechtbank acht het daarom niet aannemelijk dat deze drugs door een ander in de woning van verdachte zijn gelegd.

4.3.4

Het bewijs ten aanzien van feit 3

Door aangever [benadeelde] (hierna: [benadeelde] ) is verklaard dat hij op 21 mei 2010 zijn bedrijf, [bedrijf] , heeft afgesloten. Op 23 mei 2010 kwam [benadeelde] bij zijn bedrijf en constateerde dat een ruit stuk was en een aantal computers waren weggenomen. Deze computers waren nieuw aangeschaft en waren eind april 2010 geleverd.14 Een van de computers betreft een Apple iMac, voorzien van serienummer [serienummer] .15

Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte in Hilversum op 29 oktober 2013, wordt onder andere een iMac computer aangetroffen.16 Deze iMac is voorzien van het serienummer [serienummer] .17

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij deze iMac heeft gekocht in de tijd dat hij nog een telefoonwinkel had. Deze winkel is in 2010 dicht gegaan. Verdachte denkt dat hij ongeveer 500 euro heeft betaald voor deze computer. Hij kopieerde altijd de identiteitsbewijzen van de personen van wie hij iets kocht. Toen zijn telefoonwinkel ging sluiten, heeft hij deze kopieën weggegooid.18

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3

De rechtbank leidt uit de verklaring van verdachte af dat hij de betreffende iMac in 2010 heeft gekocht. Deze computer was op dat moment, blijkens de verklaring van aangever, dus hooguit acht maanden oud. De nieuwprijs van deze computer bedroeg € 1.973,51. Gelet op deze nieuwprijs kan de prijs die door verdachte voor deze computer is betaald, te weten € 500,-, niet als een redelijke prijs worden aangemerkt. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat verdachte op dat moment een telefoonwinkel had en, volgens zijn verklaring, vaker dergelijke goederen van anderen opkocht. Ook kopieerde hij identiteitsbewijzen, zodat de politie aanbieders van gestolen goederen op zou kunnen sporen. Verdachte had in dit geval, in zijn hoedanigheid als opkoper van dergelijke goederen en met zijn kennis van deze goederen, moeten vermoeden dat deze computer van een misdrijf afkomstig was.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder feit 3 ten laste gelegde schuldheling heeft begaan. De rechtbank zal verdachte partieel vrijspreken van de, impliciet primair, ten laste gelegde opzetheling, nu niet kan worden bewezen verklaard dat verdachte wist dat de computer van misdrijf afkomstig was.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op 29 oktober 2013 te [woonplaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad in een woning aan de [adres] , ongeveer 18,3 gram cocaïne en ongeveer 0,1 gram amfetamine, zijnde amfetamine en cocaïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

op 29 oktober 2013 te Hilversum opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een personenauto met kenteken [kenteken] ), een hoeveelheid van 98,4 gram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

in de periode van 22 mei 2010 tot en met 29 oktober 2013 te Hilversum een iMac computer, van het merk Apple (serienummer [serienummer] ), heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde computer redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 2: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 3: schuldheling.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden, met aftrek van voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft opgemerkt dat volgens de richtlijnen een geldboete dient te worden opgelegd bij het voorhanden hebben van softdrugs (feit 2). De strafmodaliteit die door de officier van justitie is gekozen is volgens de raadsman in elk geval niet passend. Subsidiair heeft de raadsman bepleit aan verdachte een werkstraf op te leggen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een hoeveelheid cocaïne en hasjiesj. Met name harddrugs zijn schadelijk voor de gezondheid en sterk verslavend. Daarnaast veroorzaken zowel hard- als softdrugs overlast in de maatschappij en hangen vaak samen met andere vormen van criminaliteit. Verdachte kan hiervoor mede verantwoordelijk worden gehouden.

Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan schuldheling door een computer te kopen, waarvan hij had moeten vermoeden dat deze van misdrijf afkomstig was. Heling dient te worden aangepakt, omdat anders de diefstal van goederen lucratief zal blijven.

De rechtbank heeft wat betreft de persoon van verdachte gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie, waaruit blijkt dat verdachte de afgelopen vijf jaren niet is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Tot slot houdt de rechtbank bij de strafoplegging rekening met het op de dagvaarding vermelde ad informandum gevoegde strafbare feit (het voorhanden hebben van een ploertendoder). Verdachte heeft erkend dit feit te hebben begaan. Dit feit is hiermee afgedaan.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

De rechtbank zal aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een taakstraf van 150 uren.

9 Het beslag

De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder verdachte in beslag genomen iMac zal worden teruggegeven aan de rechthebbende, te weten aangever [benadeelde] dan wel [bedrijf] . De raadsman heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen iMac dient te worden teruggegeven aan de benadeelde, te weten [benadeelde] / [bedrijf] .

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 417bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 10 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

Verklaart het onder 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 3: schuldheling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Straf

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 150 (honderdvijftig) uren.

Beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Beslag

Gelast de teruggave aan aangever [benadeelde] / [bedrijf] van de in beslag genomen computer, Apple iMac (goednummer: 208375).

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Bos, voorzitter, mrs. N.H.J.M. Veldman-Gielen en J. Ebbens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. van Reenen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 februari 2015.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan [verdachte] wordt tenlastegelegd dat

(wijziging ter terechtzitting d.d. 4 februari 2015 is vet en cursief weergegeven)

1.

hij op of omstreeks 29 oktober 2013 te Hilversum, althans in het

arrondissement Midden-Nederland,

opzettelijk aanwezig heeft gehad in een woning aan de [adres] ,

ongeveer 21,9 gram cocaine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaine en/of ongeveer 0,1 gram amfetamine, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine en/of

cocaine,

(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 10 lid 3 Opiumwet

2.

hij op of omstreeks 29 oktober 2013 te Hilversum, althans in het

arrondissement Midden-Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in

elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een personenauto met kenteken

[kenteken] ), een hoeveelheid van (in totaal) (ongeveer) 98,4 gram hasjiesj,

in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk

vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep

(hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd,

zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst

II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

3.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 mei 2010 tot

en met 29 oktober 2013 te Hilversum, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

een Imac computer, van het merk Apple (serienummer [serienummer] ), heeft

verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten

tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde computer,

wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf

verkregen goed(eren) betrof;

art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

4.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 augustus

2013 tot en met 29 oktober 2013 te Hilversum, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

een laptop van het merk Packard Bell, type Easy Note, heeft verworven,

voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het

verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde laptop wist, althans

redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen

goed(eren) betrof;

art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal, nummer PL1406 2013040750, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (pagina 1 tot en met 3004). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, d.d. 29 oktober 2013, p. 112.

3 Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, d.d. 29 oktober 2013, p. 113.

4 Kennisgeving van inbeslagneming, d.d. 29 oktober 2013, p. 138 en 139.

5 Het proces-verbaal Opiumwet, d.d. 29 oktober 2013, p. 1003.

6 Het proces-verbaal Opiumwet, d.d. 29 oktober 2013, p. 1004.

7 Het proces-verbaal Opiumwet, d.d. 29 oktober 2013, p. 1003 en 1004.

8 Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 20 november 2013, p. 1015.

9 Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, d.d. 29 oktober 2013, p. 113.

10 Kennisgeving van inbeslagneming, d.d. 29 oktober 2013, p. 138.

11 Het proces-verbaal Opiumwet, d.d. 29 oktober 2013, p. 1003.

12 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 29 oktober 2013, p. 118.

13 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 29 oktober 2013, p. 120.

14 Het proces-verbaal van aangifte, gedaan door [benadeelde] , d.d. 26 mei 2010, p. 2000 en 2001.

15 Bijlage goederen, gevoegd bij het proces-verbaal van aangifte, gedaan door [benadeelde] , d.d. 26 mei 2010, p. 2004.

16 Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, d.d. 29 oktober 2013, p. 113.

17 Kennisgeving van inbeslagneming, d.d. 30 oktober 2013, p. 155.

18 De verklaring van verdachte ter terechtzitting, d.d. 4 februari 2015.