Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5500

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
30-07-2015
Zaaknummer
C-16-393040 - KG ZA 15-357
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Hoedanigheden van partijen niet (concreet) onderscheiden. Geen aandeelhoudersaansprakelijkheid jegens vennootschap waarin aandelen worden gehouden. Evenmin sprake van tekortkomingen tav aandeelhouders- en samenwerkingsovereenkomsten en OD.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 8
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 163
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2015-0300
JIN 2015/180 met annotatie van E. Baghery
AR 2015/1432
AR 2015/1441
JONDR 2015/1059

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/393040 / KG ZA 15-357

Vonnis in kort geding van 15 juli 2015

in de zaak van

1. de stichting

STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR PORC-EX HOLLAND HOLDING,

gevestigd te Aalten en kantoorhoudende te Bredevoort,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 2] ,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 3] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] en kantoorhoudende te [woonplaats] ,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DIVARMA B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Winterswijk,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PORC-EX HOLLAND HOLDING B.V.,

gevestigd te Aalten en kantoorhoudende te Bredevoort,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PORC-EX HOLLAND B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Bredevoort,

eiseressen,

advocaat: mr. G.R.A.G. Goorts te Deurne,

tegen

1. de vennootschap naar Deens recht

PORC-EX BREEDING A/S,

gevestigd en kantoorhoudende te Kolding, Denemarken,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PORC-EX NETHERLANDS B.V.

gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudende te Eemnes,

gedaagden,

advocaten: mr. W.L. Beek en D.D. Nijkamp te Amsterdam.

Eiseres 1 zal hierna met Stak worden aangeduid. Eisers 2 tot en met 4 zullen hierna gezamenlijk Divarma c.s. genoemd worden en afzonderlijk [eiseres sub 2] , [eiseres sub 3] en Divarma. Alle eisers gezamenlijk zullen Porc-Ex Holland c.s. genoemd worden. Eisers 5 en 6 zullen respectievelijk Porc-Ex Holland Holding en Porc-Ex Holland genoemd worden. Gedaagden zullen afzonderlijk respectievelijk Porc-Ex Breeding en Porc-Ex Netherlands genoemd worden en gezamenlijk Porc-Ex Breeding c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 14;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 12;

  • -

    de op voorhand toegezonden producties 15 tot en met 24 van Porc-Ex Holland c.s.;

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitnota van Porc-Ex Holland c.s.;

  • -

    de pleitnota van Porc-Ex Breeding c.s..

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Porc-Ex Breeding is een van de vijftien distributeurs die gerechtigd zijn om varkens en genetisch materiaal daarvan (in navolging van Porc-Ex Holland c.s. wordt dit hierna gezamenlijk fokmateriaal genoemd) op de markt te brengen van het Danish Pig Reasearch Centre (hierna: VSP). Het fokmateriaal bestaat uit afgenomen varkenssperma en de levering van gelten (zeugen die nog nooit een big hebben gekregen), zeugen en beren. Het materiaal heeft betrekking op een door VSP onder het merk DanAvl op de markt gebrachte kruising van varkens van het Deense Landras en het Deense Yorkshire-ras.

2.2.

Porc-Ex Holland is door Porc-Ex Breeding gerechtigd het hiervoor beschreven fokmateriaal van VSP in Nederland op de markt te brengen.

2.3.

Stak houdt 51% van de aandelen in Porc-Ex Holland Holding, [eiseres sub 3] , Divarma en Porc-Ex Breeding respectievelijk 19%, 10% en 20%.

2.4.

Porc-Ex Holland Holding houdt op haar beurt 100% van de aandelen in Porc-Ex Holland.

2.5.

In februari 2013 hebben – de hier relevante partijen – Porc-Ex Breeding, [eiseres sub 3] , [eiseres sub 2] , Divarma, Porc-Ex Holland en Porc-Ex Holland Holding een aandeelhoudersovereenkomst gesloten.

2.6.

Eveneens in februari 2013 hebben Porc-Ex Holland, Porc-Ex Breeding en (de niet in deze procedure betrokken partij) Porc-Ex A/S een samenwerkings- en leveringsovereenkomst (hierna: de samenwerkingsovereenkomst) gesloten.

2.7.

Porc-Ex Breeding is enig aandeelhouder van Porc-Ex Netherlands. Deze laatste vennootschap is op 2 februari 2015 in het handelsregister ingeschreven.

2.8.

Bij brief van 22 april 2015 schreef Porc-Ex Breeding – voor zover relevant – het volgende aan Porc-Ex Holland:

“(…)

Due to the fact, that cooperation between PEH and PEB (respectievelijk Porc-Ex Holland en Porc-Ex Breeding; voorzieningenrechter) is terminated, PEH is not allowed to sell or promote any DanAvl products to customers on the Dutch market, or to buy LY gilts from Dutch multipliers connected to PEB and recell these gilts to local producers.

(…)”

3 Het geschil

3.1.

Porc-Ex Holland c.s. vordert bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij vooraad:

primair:

I. gedaagden te gebieden om voor de duur van twee jaar na betekening van dit vonnis, hetzij direct, hetzij indirect alle met eiseres sub 6 concurrerende activiteiten te staken en gestaakt te houden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,00 ineens, alsmede op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere dag, een gedeelte van een dag voor een hele gerekend, waarop gedaagden in gebreke blijven aan dit gebod te voldoen;

subsidiair:

II. gedaagden te verbieden om voor de duur van twee jaar na betekening van het vonnis de met name genoemde klanten in de lijsten, die als bijlagen 13 en 14 aan de dagvaarding zijn gehecht, hetzij direct, hetzij indirect, hetzij om vergoeding, hetzij om niet, alsook financieel in welke vorm dan ook, in contract te treden en zaken te doen zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,00 ineens, alsmede op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere dag of ieder gedeelte van een dag, waarop gedaagden in gebreke blijven aan dit gebod te voldoen;

zowel primair als subsidiair:

III. gedaagden hoofdelijk, in die zin dat wanneer één der gedaagden (gedeeltelijk) betaalt, de anderen) (voor dat deel) zijn bevrijd, te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder de gevorderde na kosten, met uitdrukkelijke bepaling dat gedaagden hoofdelijk de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zullen zijn als zij de proceskosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis zullen hebben betaald.

3.2.

Porc-Ex Breeding c.s. voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Porc-Ex Holland c.s. in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Nu PEB een rechtspersoon is naar buitenlands recht en een deel van de vorderingen uit dien hoofde een internationaal karakter draagt, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen.

Ten aanzien van het gestelde onrechtmatig handelen

4.2.

Porc-Ex Holland c.s. legt aan haar vorderingen mede ten grondslag dat PEB onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Omdat Denemarken partij is bij Verordening (EU-Verordening nr. 1215/2012) van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Verordening 2012), is deze verordening van toepassing en geldt artikel 7 lid 2 van deze verordening. Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie wordt onder ‘plaats van het schadebrengende feit’ zowel gedoeld op de plaats van de veroorzakende gebeurtenis als de plaats waar de schade is ingetreden. Naar de voorzieningenrechter de stellingen van Porc-Ex Holland c.s. begrijpt, heeft het gestelde onrechtmatig handelen plaatsgevonden op diverse plaatsen in Nederland, zodat de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 lid 2 EEX-Verordening 2012 bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen.

4.3.

Op grond van artikel 6 lid 2 van de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (hierna: Rome II-Verordening) is in het geval dat een daad van oneerlijke concurrentie uitsluitend de belangen van een bepaalde concurrent schaadt, zoals in dit geval de belangen van Porc-Ex Holland, artikel 4 van toepassing. In artikel 4 lid 1 Rome II-Verordening staat – kortgezegd – dat het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht is van het land waar de schade zich voordoet. Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van de relatieve bevoegdheid is overwogen, is Nederland het land waar schade zich voordoet, althans zich dreigt voor te doen. Zodoende is voorshands oordelend Nederlands recht van toepassing waar het het gestelde onrechtmatig handelen betreft.

Ten aanzien van de aandeelhoudersovereenkomst en samenwerkingsovereenkomst

4.4.

Voorts dient de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen die zijn gebaseerd op verbintenissen uit de aandeelhoudersovereenkomst en uit de samenwerkingsovereenkomst. Zoals reeds aan de orde is gekomen, is EEX-Verordening 2012 van toepassing. Omdat de verbintenis die (mede) aan de eisen van Porc-Ex Holland c.s. ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd in Nederland, is de Nederlandse voorzieningenrechter op grond van artikel 7 lid 1 onder a EEX-Verordening 2012 bevoegd. Hier komt bij dat BEP geen exceptie van onbevoegdheid heeft opgeworpen zodat de Nederlandse voorzieningenrechter ook op grond van artikel 24 van genoemde verordening bevoegd.

4.5.

Ten aanzien van dit deel van de vorderingen, gebaseerd op verbintenissen uit de aandeelhoudersovereenkomst en de samenwerkingsovereenkomst, en het daarop toepasselijke recht wordt het volgende overwogen. De bepaling van het toepasselijke recht dient plaats te vinden aan de hand van de Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I-Verordening), nu de aandeelhoudersovereenkomst en samenwerkingsovereenkomst zijn gesloten na 17 december 2009. De partijen bij deze overeenkomsten hebben – overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van de verordening – in de tussen hen gesloten overeenkomsten een expliciete keuze gedaan voor de toepasselijkheid van het Nederlands recht. Daarom is dit recht op dit deel van de vorderingen van toepassing.

Hoedanigheden

4.6.

Partijen treden in dit kort geding op in verschillende hoedanigheden. Hoewel dit wel van haar mocht worden verlangd, heeft Porc-Ex Holland c.s. deze hoedanigheden niet (concreet) onderscheiden. Gelet op hetgeen Porc-Ex Holland c.s. heeft gesteld en onderbouwd, zullen de volgende hoedanigheden hierna bij de beoordeling worden gehanteerd:

  1. Stak, [eiseres sub 2] , [eiseres sub 3] , Divarma en Porc-Ex Breeding zijn aandeelhouders van Porc-Ex Holland Holding en hebben in die hoedanigheid vorderingen ingesteld (Stak, [eiseres sub 2] , [eiseres sub 3] en Divarma) en daartegen verweer gevoerd (Porc-Ex Breeding);

  2. Porc-Ex Breeding, [eiseres sub 3] , [eiseres sub 2] , Divarma, Porc-Ex Holland en Porc-Ex Holland Holding zijn partij bij de aandeelhoudersovereenkomst. [eiseres sub 3] , [eiseres sub 2] , Divarma, Porc-Ex Holland en Porc-Ex Holland Holding hebben hun vorderingen mede gegrond op deze overeenkomst;

  3. Porc-Ex Holland is net als Porc-Ex Breeding partij bij de samenwerkingsovereenkomst. Deze overeenkomst legt Porc-Ex Holland c.s. mede aan haar vorderingen ten grondslag;

  4. Porc-Ex Holland Holding treedt op als vennootschap waarin Porc-Ex Breeding (mede)aandeelhouder is. Volgens Porc-Ex Holland is sprake van onrechtmatig aandeelhoudershandelen door Porc-Ex Breeding jegens Porc-Ex Holland Holding;

  5. Porc-Ex Holland c.s. treedt op in niet nader onderscheiden hoedanigheden waar zij zich beroept op onrechtmatig handelen.

Vorderingen van Divarma c.s.

4.7.

Naar de voorzieningenrechter de stellingen van [eiseres sub 2] , [eiseres sub 3] en Divarma (Divarma c.s.), medeaandeelhouders van Porc-Ex Breeding in Porc-Ex Holding begrijpt, leggen zij aan hun vorderingen het volgende ten grondslag.

Porc-Ex Breeding schiet volgens Divarma c.s. tekort in de nakoming van de aandeelhoudersovereenkomst en de samenwerkingsovereenkomst. Daarnaast handelt zij volgens Divarma c.s. onrechtmatig door – kort gezegd – een nieuwe vennootschap, te weten Porc-Ex Netherlands, op te richten en door middel van deze vennootschap afnemers van Porc-Ex Holland te benaderen en door onjuiste uitlatingen te doen over de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst tussen Porc-Ex Holland en Porc-Ex Holland.

Tekortkoming samenwerkingsovereenkomst

4.8.

Porc-Ex Holland c.s. heeft desgevraagd toegelicht dat zij Porc-Ex Holland als primaire eiser ziet uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst, maar heeft niet concreet te kennen gegeven haar standpunt te verlaten dat Porc-Ex Breeding c.s. tekortschiet in de nakoming van de samenwerkingsovereenkomst jegens de overige eisers –

[eiseres sub 2] , [eiseres sub 3] , Divarma en Porc-Ex Holland Holding.

4.9.

Omdat Stak, Divarma c.s. en Porc-Ex Holland Holding geen partij zijn bij de samenwerkingsovereenkomst, kan, zoals Porc-Ex Breeding c.s. ook aanvoert, van een tekortkoming in de nakoming van die overeenkomst jegens die partijen geen sprake zijn. De primaire vorderingen van Stak, Divarma c.s. en Porc-Ex Holland Holding komen daarom niet voor toewijzing in aanmerking voor zover ze op deze grondslag zijn gebaseerd.

4.10.

Hiermee resteert slechts de beoordeling van de door Porc-Ex Holland op dit punt gestelde tekortkoming.

Tekortkoming aandeelhoudersovereenkomst en onrechtmatig handelen

i. Algemeen

4.11.

Voor zover Divarma c.s. haar vorderingen heeft ingesteld als aandeelhouder van Porc-Ex Holland Holding, komen deze niet voor toewijzing in aanmerking. Divarma c.s. verliest uit het oog dat, indien aan een vennootschap door een derde – in dit geval Porc-Ex Breeding c.s. – (mogelijk) vermogensschade wordt toegebracht door het niet behoorlijk nakomen van contractuele verplichtingen jegens de vennootschap of door gedragingen die jegens de vennootschap onrechtmatig zijn, alleen de vennootschap het recht heeft uit dien hoofde schadevergoeding te vorderen. Dat recht komt niet aan de aandeelhouders toe, ook al heeft de door de vennootschap geleden schade ook voor hen nadeel meegebracht. Dat is slechts anders indien die derde een specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens die aandeelhouders heeft geschonden (vgl. Hoge Raad 2 december 1994, NJ 1995, 288; [naam] /ABP). Dat sprake is van een dergelijke schending is gesteld noch gebleken in dit kort geding.

4.12.

Divarma c.s. heeft geen concrete aanwijzingen gegeven welke bepaling uit de aandeelhoudersovereenkomst volgens haar meebrengt dat het Porc-Ex Breeding c.s. verboden is activiteiten te ontplooien die concurreren met die van Porc-Ex Holland. Vanwege het ontbreken van een deugdelijke onderbouwing op dit punt zal haar vordering, voor zover gegrond op de aandeelhoudersovereenkomst, worden afgewezen.

ii. Schending geheimhoudingsplicht

4.13.

Waar Porc-Ex Holland c.s. stelt dat Porc-Ex Breeding c.s. de uit artikel 8 van de aandeelhoudersovereenkomst voortvloeiende geheimhoudingsplicht heeft geschonden door (onder meer) in de markt te vertellen over de betrokkenheid van [eiseres sub 2] bij Porc-Ex Holland Holding, heeft zij hiermee kennelijk bedoeld toewijzing van het gevorderde gebod en verbod te bewerkstelligen. Hierin slaagt zij niet. Wat er ook zij van genoemde geheimhoudingsverplichting, de vraag of deze geschonden is en wat deze inhoudt, (dreigende) schending van genoemde verplichting rechtvaardigt geen gebod of verbod, zoals door Porc-Ex Holland c.s. gevorderd. Deze vorderingen hebben immers geen betrekking op uitlatingen van Porc-Ex Breeding c.s. die zij volgens Porc-Ex Holland c.s. niet zou mogen doen op grond van artikel 8 van de aandeelhoudersovereenkomst, maar op het – kort gezegd – zakendoen met klanten die Porc-Ex Holland heeft bediend en ook thans nog bedient. Het verweer van Porc-Ex Breeding c.s. op dit punt slaagt dan ook.

iii. Conclusie aandeelhoudersovereenkomst

4.14.

Omdat de aandeelhoudersovereenkomst geen grondslag biedt voor het primaire gevorderde gebod, uit de door Divarma c.s. gestelde feiten en omstandigheden niet blijkt dat Porc-Ex Breeding c.s. een specifiek jegens Divarma c.s. in acht te nemen specifieke zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden of dreigt te schenden, zal de primaire vordering van Divarma c.s. worden afgewezen.

4.15.

Waar Stak haar primaire vordering (mede) lijkt te gronden op de aandeelhoudersovereenkomst dient deze te worden afgewezen omdat zij geen partij is bij die overeenkomst en daaraan dientengevolge geen rechten kan ontlenen.

Vorderingen van Porc-Ex Holland Holding

i. Tekortkoming in de nakoming van de aandeelhoudersovereenkomst en/of de samenwerkingsovereenkomst

4.16.

Porc-Ex Holland Holding is geen partij bij de samenwerkingsovereenkomst en kan haar vorderingen daarom niet op deze overeenkomst baseren. Haar stellingen die van het tegenovergestelde uitgaan zijn daarom onhoudbaar.

4.17.

Zoals Porc-Ex Breeding c.s. terecht aanvoert, is in de aandeelhoudersovereenkomst (tussen de bij die overeenkomst betrokken partijen) niet overeengekomen dat Porc-Ex Holland Holding op de Nederlandse markt exclusief gerechtigd is tot de verhandeling van – kort gezegd – door VSP ontwikkelde varkensgenetica en die door Porc-Ex Breeding als distributeur worden aangeboden op de Nederlandse markt. Dit brengt mee dat er geen contractuele bepaling is waarop Porc-Ex Holland Holding het gevorderde gebod of verbod kan gronden. Daarmee resteert het door Porc-Ex Holland c.s. gestelde onrechtmatig handelen, dat hierna aan de orde komt.

ii. Onrechtmatig handelen

4.18.

Het gestelde onrechtmatig handelen van Porc-Ex Breeding c.s. valt in diverse onderdelen uiteen. Porc-Ex Breeding handelt volgens Porc-Ex Holland Holding onrechtmatig jegens haar door – kort gezegd – (i) Porc-Ex Netherlands op te richten, (ii) door met behulp van deze vennootschap afnemers van Porc-Ex Holland te benaderen voor de verkoop van genoemde varkensgenetica, (iii) door Porc-Ex Holland Holding te verbieden door VSP ontwikkelde varkensgenetica te verkopen in Nederland en (iv) door onjuiste uitlatingen te doen over de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst tussen Porc-Ex Holland en Porc-Ex Breeding.

4.19.

De eerste twee door Porc-Ex Holland Holding gemaakte verwijten worden gezamenlijk behandeld. Waar Porc-Ex Holland Holding (kennelijk) bedoelt te stellen dat op dit punt sprake is van aandeelhoudersaansprakelijkheid, dienen de in dat kader betrokken stellingen klaarblijkelijk te worden gelezen als onderbouwing van haar stelling dat een concurrentieverbod voor de duur van twee jaren op zijn plaats is.

4.20.

Porc-Ex Breeding is niet door een non-concurrentiebeding gebonden, zodat van een contractuele beperking van haar handelen geen sprake is. De vraag die in dit verband rijst is of haar handelen in strijd komt met hetgeen gevorderd wordt door artikel 6:162 BW, zoals Porc-Ex Holland Holding (kennelijk mede) aan haar vorderingen ten grondslag legt.

4.21.

Vooropgesteld wordt dat het een aandeelhouder in beginsel vrijstaat activiteiten te ontplooien die mogelijkerwijs concurreren met die van de vennootschap waarin hij aandelen houdt (vgl. Hof Arnhem 29 maart 2011, LJN BQ0581 en Rechtbank Midden-Nederland 1 oktober 2014; ECLI:NL:RBMNE:2014:4781). Onder omstandigheden kan dit anders zijn. Bij de beoordeling is van belang dat de toetsing van feitelijk handelen van de aandeelhouder als zodanig, al dan niet buiten de algemene vergadering van aandeelhouders, is onderworpen aan de norm van artikel 2:8 BW naast de generieke onrechtmatige daadnorm van 6:162 BW. Feitelijk handelen van een aandeelhouder dat niet als zodanig plaatsvindt valt, gelet op de formulering daarvan, niet onder de norm van artikel 2:8 BW (vgl. MvA II Parl. Gesch. InvW 2. p. 1087), maar wel onder die van artikel 6:162 BW. Het in dit verband door Porc-Ex Holland Holding aangehaalde artikel 2:9 BW mist toepassing omdat Porc-Ex Breeding geen bestuurder is van Porc-Ex Holland Holding.

4.22.

Anders dan Porc-Ex Holland Holding lijkt te betogen, brengt handelen in strijd met de – al dan niet in artikel 2:8 BW vervatte – eisen van redelijkheid en billijkheid, niet zonder meer mee dat sprake is van een normschending in de zin van artikel 6:162 BW en daarmee van onrechtmatig handelen jegens haar. Hiervoor zijn bijkomende omstandigheden vereist die – onder meer – meebrengen dat wordt voldaan aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW. Met andere woorden is van belang of de geschonden norm zich richt op Porc-Ex Holland Holding en of deze norm haar beoogt te beschermen tegen de schade die zij stelt te lijden. Porc-Ex Holland Holding heeft op dit punt evenwel niets gesteld. Daarmee is onduidelijk welke concrete norm zou zijn geschonden en op welke wijze dit zou zijn gebeurd. Dit klemt omdat hiervoor tot uitgangspunt is genomen dat het een aandeelhouder in beginsel vrijstaat activiteiten te ontplooien die mogelijkerwijs concurreren met die van de vennootschap waarin hij aandelen houdt. Dit wordt niet anders indien zij deze activiteiten ontplooit met behulp van een – al dan niet gelieerde – vennootschap (zoals in dit geval Porc-Ex Netherlands).

4.23.

Het derde verwijt dat Porc-Ex Holland Holding Porc-Ex Breeding in dit kader maakt is dat deze laatste het Porc-Ex Holland Holding verbiedt door VSP ontwikkelde varkensgenetica te verkopen in Nederland. Dit verbod is volgens Porc-Ex Holland Holding opgenomen in de (hiervoor onder 2.8. gedeeltelijk geciteerde) brief van 22 april 2015.

4.24.

Zoals hiervoor reeds is besproken, is Porc-Ex Breeding distributeur van fokmateriaal van VSP en is het haar als zodanig toegestaan dit materiaal op de Nederlandse markt aan te bieden. Het staat haar daarom in beginsel vrij het fokmateriaal aan te bieden aan andere afnemers dan Porc-Ex Holland Holding. Omdat niet met Porc-Ex Holland Holding is overeengekomen dat deze laatste exclusief gerechtigd is tot verhandeling van – kort gezegd – door VSP ontwikkelde varkensgenetica op de Nederlandse markt (zie ook hiervoor onder 4.17) en gelet op het distributiesysteem van VSP, kan niet gezegd worden dat Porc-Ex Breeding onrechtmatig handelt of dreigt te handelen jegens Porc-Ex Holland Holding door het (het oorspronkelijk aan Porc-Ex Holland toegekende) recht te ontzeggen tot verkoop van varkensgenetica van VSP. Het door Porc-Ex Holland Holding primair gevorderde komt ook hierom niet voor toewijzing in aanmerking.

Doen van uitlatingen

4.25.

Tussen partijen is de rechtsgeldigheid van de door Porc-Ex Breeding ingeroepen ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst in geschil. Over de beëindiging van de overeenkomst (en daarmee de samenwerking) tussen Porc-Ex Holland en Porc-Ex Breeding heeft deze laatste zich uitgelaten tegenover (voormalige) klanten van Porc-Ex Holland. Een aantal klanten heeft een brief gekregen waarin de beëindiging van de samenwerking is medegedeeld en verder is vermeld dat Porc-Ex Holland vanaf 27 april 2015 geen vertegenwoordiger meer is van Porc-Ex Breeding.

4.26.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient de primaire vordering van Porc-Ex Holland Holding te worden afgewezen waar het het doen van uitlatingen betreft. Zij is geen partij bij de samenwerkingsovereenkomst en wordt in de als productie 8 overgelegde brieven niet vermeld. Zonder onderbouwing op dit punt, die geheel ontbreekt, valt niet in te zien dat (schriftelijke) uitlatingen van Porc-Ex Breeding over de beëindiging van de samenwerking onrechtmatig zijn jegens Porc-Ex Holland Holding en toewijzing van het primair gevorderde gebod op zijn plaats is.

iii. Conclusie

4.27.

Omdat uit het voorgaande volgt dat (dreigend) onrechtmatig handelen niet aannemelijk is geworden en Porc-Ex Holland Holding voor het overige onvoldoende argumenten heeft aangevoerd die toewijzing van het door haar gevorderde gebod kunnen rechtvaardigen, komt dit niet voor toewijzing in aanmerking.

Vorderingen van Porc-Ex Holland

4.28.

Porc-Ex Holland stelt weliswaar dat Porc-Ex Breeding tekortschiet in de nakoming van de samenwerkingsovereenkomst, maar laat na concreet te stellen en onderbouwen waaruit deze tekortkoming bestaat en waarom deze (vermeende) tekortkoming toewijzing van het gevorderde gebod rechtvaardigt. Haar stellingen op dit punt zijn daarom onhoudbaar en kunnen dientengevolge niet leiden tot toewijzing.

4.29.

Porc-Ex Holland en Porc-Ex Breeding twisten over de rechtsgeldigheid van de door Porc-Ex Breeding ingeroepen ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst. Dit brengt mee dat niet zonder meer gezegd kan worden dat iedere uitlating van Porc-Ex Breeding over de ontbinding, en daarmee beëindiging van de samenwerking met Porc-Ex Holland, onrechtmatig is. Porc-Ex Holland heeft in het bestek van dit kort geding niet concreet geduid op welke wijze Porc-Ex Breeding in strijd handelt met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betamelijk is en daarom onrechtmatig is jegens Porc-Ex Holland. Dit brengt mee dat het gevorderde gebod ook hierom niet voor toewijzing in aanmerking komt.

4.30.

Voor zover bedoeld is te stellen dat uitlatingen van Porc-Ex Breeding c.s. over de deelneming van [eiseres sub 2] , door middel van Stak, in Porc-Ex Holland Holding kunnen deze uitlatingen, mochten deze al onrechtmatig zijn, niet tot toewijzing van het gevorderde gebod leiden.

Vorderingen jegens Porc-Ex Netherlands

4.31.

Porc-Ex Holland c.s. heeft geen concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat Porc-Ex Netherlands onrechtmatig handelt of dreigt te handelen. De vorderingen jegens Porc-Ex Netherlands zullen vanwege het ontbreken van deze onderbouwing worden afgewezen.

Slotsom primaire vorderingen

4.32.

Omdat de primaire vordering van Porc-Ex Holland c.s. zal worden afgewezen is de gevorderde dwangsom eenzelfde lot beschoren.

Subsidiaire vordering van Porc-Ex Holland c.s.

4.33.

Omdat Porc-Ex Holland c.s. ter onderbouwing van haar subsidiaire vordering geen andere gronden heeft aangevoerd dan zij heeft gedaan ten aanzien van het primair gevorderde, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om op het punt van de subsidiaire van het daar gegeven oordeel af te wijken. De subsidiaire vordering, alsmede de in dit verband gevorderde dwangsom, zal daarom eveneens worden afgewezen.

Overige

4.34.

Pork-Ex Holland c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Porc-Ex Breeding c.s. worden begroot op € 1.429,00, bestaande uit € 613,00 aan griffierecht en € 816,00 aan salaris advocaat.

4.35.

De nakosten, waarvan Porc-Ex Breeding c.s. betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Pork-Ex Holland c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Porc-Ex Breeding c.s. tot op heden begroot op € 1.429,00,

5.3.

veroordeelt Porc-Ex Holland c.s., onder de voorwaarde dat zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de exploitkosten van betekening van het vonnis,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft 5.2. en 5.3. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. Peterzon en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2015.1

1 type: CTH/4065 coll: IP/4423