Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5432

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-07-2015
Datum publicatie
21-08-2015
Zaaknummer
UTR 14/2474
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen opgelegde loonsanctie ongegrond. Er zijn niet direct en voortvarend activiteiten ondernomen gericht op het tweede spoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 14/2474

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 juli 2015 in de zaak tussen

Administratie Partners B.V., te Nieuwegein, eiseres

(gemachtigde: mr. O. Labordus),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: M. Florijn).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [A] , te [woonplaats]

(gemachtigde: mr. B.J.M. de Leest).

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2013 heeft verweerder het tijdvak, waarin werkneemster

[A] (verder: de werkneemster) jegens eiseres als werkgever recht heeft op loon tijdens

ziekte, verlengd met 52 weken tot 30 oktober 2014. Die verlenging - ook wel kortweg

loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de wachttijd van 104

weken en op de grond dat de re-integratie-inspanningen van eiseres onvoldoende zijn

geweest.

Bij een tweede besluit van 30 september 2013 heeft verweerder de aanvraag van de

werkneemster om in aanmerking te komen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en

inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) opgeschort tot 30 oktober 2014.

Bij besluit van 6 maart 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van

eiseres gericht tegen de beide primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 201 5. Eiseres heeft zich laten

vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [X] . Verweerder heeft zich laten

vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij is met voorafgaande kennisgeving

niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Werkneemster was sinds 6 november 2000 werkzaam bij eiseres als telefoniste/receptioniste.

Op 19 april 2010 heeft werkneemster zich ziek gemeld. Na een re-integratietraject is zij

vanaf 23 mei 2011 weer volledig gaan werken. Na tussentijds één dag ziekte op 15 augustus

2011 heeft werkneemster zich op 3 november 2011 opnieuw ziek gemeld.

Eiseres heeft op 7 november 2011 een ontslagvergunning aangevraagd. Deze vergunning is

bij beslissing van 13 maart 2012 geweigerd, omdat aannemelijk is dat de ongeschiktheid tot

functioneren samenhangt met een ziekte of gebrek.

Bij besluit van 7 mei 2012 heeft verweerder geweigerd aan werkneemster per 16 april 2012

een WIA-uitkering toe te kennen. Aan deze weigering is ten grondslag gelegd dat geen

sprake is geweest van een doorlopende arbeidsongeschiktheid vanaf 19 april 2010, waardoor

niet is voldaan aan het vereiste van 104 weken ongeschiktheid voor het verrichten van het

eigen werk.

Op 20 augustus 2012 heeft de bedrijfsarts aan eiseres meegedeeld dat hij terugkeer van de

werkneemster in het werk bij eiseres vrijwel onmogelijk acht. De bedrijfsarts heeft daarbij

geadviseerd om een arbeidsdeskundige de arbeidsmogelijkheden in kaart te laten brengen.

Bij beslissing op bezwaar van 25 september 2012 heeft verweerder het bezwaar van eiseres

tegen de weigering om per 16april2012 aan werkneemster een WW-uitkering toe te kennen.

ongegrond verklaard. Dat besluit staat thans van rechtswege vast.

Op 26 september 2012 heeft eiseres opdracht gegeven aan bureau [naam] om een

arbeidskundig onderzoek in te stellen. Na ontvangst van het arbeidskundig rapport heeft

eiseres de werkneemster op 2$ november 2012 aangemeld bij het re-integratiebedrijf

[naam] voor het tweede spoortraject.

Werkneemster heeft op 7 augustus 2013 opnieuw een WIA-uitkering aangevraagd.

Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen, zoals vermeld onder Procesverloop.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep [M] van 4 maart 20l4 ten grondslag gelegd. Deze arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat met het advies van de bedrijfsarts van 20 augustus 2012 op dat moment niets is gedaan. Eiseres en werkneemster hadden zich per 20 augustus 2012 moeten gaan oriënteren op werk buiten de eigen werkgever en niet moeten wachten op de uitkomst van de procedure inzake de WIA-uitkering. Dit betekent dat niet tijdig de juiste re-integratie-instrumenten zijn ingezet en dat de re-integratie-inspanningen als onvoldoende moeten worden beschouwd.

3. Eiseres betwist dat zij niet tijdig en onvoldoende te-integratie-instrumenten heeft ingezet. Ook acht zij de conclusie van de primaire arbeidsdeskundige dat zij niet het eenmalig gedane advies van de bedrijfsarts over bemiddeling heeft opgevolgd, niet terecht.

Al spoedig was immers duidelijk dat terugkeer van de werkneemster in het eigen werk niet mogelijk was en werd afgeraden. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij heeft mogen afgaan op de conclusie van de bedrijfsarts op 20 augustus 2012 dat er geen

arbeidsmogelijkheden voor de werkneemster meer waren bij eiseres en op het advies om een

arbeidskundig onderzoek te laten verrichten. Eiseres betwist dat zij daar te lang mee heeft

gewacht. Zij heeft direct na ontvangst van de beslissing op bezwaar van 25 september 2012

opdracht gegeven tot arbeidskundig onderzoek. hetgeen heeft geleid tot een aanmelding bij

het re-integratiebureau [naam] op 28 november 2012.

4. Artikel 7:658a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de werkgever ten aanzien

van de werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de

bedongen arbeid te verrichten, de inschakeling in de arbeid in zijn bedrijf bevordert. Indien

vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en in het bedrijf van de

werkgever geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert de werkgever, gedurende

het tijdvak waarin de werknemer jegens hem recht op loon heeft, de inschakeling van de

werknemer in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever.

In artikel 25, negende lid, van de Wet WIA is, kort samengevat, bepaald dat het Uwv het

tijdvak waarover de ‘werkgever het loon van de werknemer moet doorbetalen gedurende ten

hoogste 52 weken verlengt, indien de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re

integratie-inspanningen heeft verricht.

Artikel 65 van de Wet WIA bepaalt dat het Uwv beoordeelt of de werkgever en de

verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn

verricht.

5. De uitgangspunten voor de beoordeling van de re-integratie-inspanningen die van een

werkgever en een werknemer mogen worden verwacht, zijn neergelegd in de Beleidsregels

beoordelingskader Poortwachter (de Beleidsregels). De eerste stap in de beoordeling betreft

de vraag of re-integratie tot een bevredigend resultaat heeft geleid. Indien dit het geval is,

legt het U\v geen loonsanctie op. Is geen sprake van een bevredigend resultaat, dan

beoordeelt het Uwv of de werkgever voldoende inspanningen heeft verricht. Uitgangspunt

bij deze beoordeling is of de werkgever in redelijkheid tot de verrichte re-integratie

inspanningen heeft kunnen komen. Daarbij dient de werkgever in eerste instantie te bezien of

de werknemer in de eigen functie kan terugkeren en als dat geen kans van slagen heeft. de

werknemer ander passend werk in het eigen bedrijf aan te bieden (spoor 1). Is het niet

mogelijk de werknemer in het eigen bedrijf te laten re-integreren, dan dient de werkgever de

mogelijkheden te onderzoeken en te benutten de werknemer te herplaatsen bij een andere

werkgever (spoor 2). Het Uwv legt een loonsanctie op aan de werkgever indien de re

integratie-inspanningen van de werkgever onvoldoende worden geacht en de werkgever

daarvoor geen deugdelijke grond aannemelijk heeft gemaakt.

6. Vaststaat dat van een bevredigend resultaat als bedoeld in de Beleidsregels geen

sprake is nu de werkneemster haar werk niet heeft hervat en ook geen ander werk verricht bij

eiseres. Verweerder heeft dan ook terecht de re-integratie-inspanningen van eiseres getoetst.

Uit artikel 65 van de Wet WIA volgt dat het bij de beoordeling van de re-integratie

inspanningen gaat om de vraag of de werkgever daartoe in redelijkheid heeft kunnen komen.

Verweerder dient deugdelijk te motiveren waarom in redelijkheid meer van de werkgever

had kunnen worden gevergd dan hij heeft gedaan om bestaande re-integratiemogelijkheden

te benutten. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) gaan de gestelde eisen niet zover dat verweerder de concreet door de werkgever te nemen stappen ten aanzien van de re-integratie van de werknemer moet formuleren. De concrete invulling van de re-integratie is een taak van de werkgever (zie CRvB van 28 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK1570). Dat laat echter onverlet dat het bepaalde in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA meebrengt dat de door verweerder bij het besluit tot oplegging van de loonsanctie gegeven motivering zodanig concreet dient te zijn, dat het de werkgever op basis daarvan voldoende duidelijk kan zijn waaruit zijn tekortkoming ten aanzien van de re-integratie-inspanningen bestaat.

7.1

De rechtbank stelt vast dat aan het besluit tot verlenging van de toondoorbetalingsverplichting als kern ten grondslag ligt dat niet direct na 20 augustus 2012

activiteiten zijn gestart gericht op het tweede spoor, maar pas op dan wel na 26 september

2012. Voor zover eiseres betoogt dat haar niet kan worden verweten dat zij voor die tijd geen

bemiddelingspogingen heeft ondernomen, merkt de rechtbank op dat dit niet ten grondslag

ligt aan het bestreden besluit. Ook is niet in geschil dat bij de werkneemster vanaf

20 augustus 2012 slechts sprake was van marginale arbeidsmogelijkheden.

7.2

De rechtbank is niet gebleken dat er kort na het advies van de bedrijfsarts van

20 augustus 2012 concrete re-integratie-inspanningen zijn ondernomen, gericht op het

kunnen gaan verrichten van werkzaamheden bij een andere werkgever. Nadat de bedrijfsarts

heeft vastgesteld dat spoor 1 niet mogelijk is en dat het spoor 2 traject moet worden gestart

heeft eiseres tot 26 september 2012 geen -re-integratie-inspanningen verricht. De rechtbank

ziet geen gegronde redenen waarom eiseres tot dan haar re-integratieverplichtingen naast

zich heeft neergelegd. Dat eiseres eerst de uitkomst inzake de WIA-procedure heeft willen

afwachten, voordat zij verdere stappen wilde ondernemen richting het tweede spoor, komt

voor haar rekening en risico. Eiseres is als werkgever immers gehouden om naast het

verrichten van re-integratie-inspanningen ten aanzien van het eerste spoor de mogelijkheden

bij een andere werkgever te bezien. Zie ook CRvB 14april2010, ECLI:NL:CRVB:BM 1179.

7.3

Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van eiseres gelegen om direct na

20 augustus 2012 het advies van de bedrijfsarts op te volgen en voortvarend activiteiten te

ondernemen gericht op het tweede spoor traject. De rechtbank neemt daarbij in

aanmerking dat voor eiseres reeds voor die datum duidelijk was dat terugkeer voor de

werkneemster op het eigen werk niet meer aannemelijk was. Op het moment dat de

bedrijfsarts zijn advies uitbrengt om over te gaan tot het inschakelen van een

arbeidsdeskundige om de mogelijkheden bij een andere werkgever in kaart te brengen, had

eiseres dan ook direct en voortvarend het tweede spoor moeten in zetten. Temeer daar in de voorafgaande periode geen re-integratieactiviteiten waren ondernomen als gevolg van het arbeidsconflict vanwege de geweigerde ontslagvergunning dat al enige maanden bestond.

8. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat

eiseres zonder deugdelijke grond na 20 augustus 2012 onvoldoende re-integratie

inspanningen heeft verricht, zodat terecht een loonsanctie is opgelegd. Nu geen van de

beroepsgronden slaagt, is het beroep ongegrond. Onder deze omstandigheden bestaat geen

aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzitter, en mr. M.E.A. Braeken en

mr. J.A. Spee, leden, in aanwezigheid van mr. M.S.D. de Weerd, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juli 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.