Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5425

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
21-07-2015
Zaaknummer
16/653984-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/653984-13

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 21 juli 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte],

Geboren op [1995] in [geboorteplaats],

Wonende aan de [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft deels achter gesloten deuren plaatsgevonden op 9 september 2014, 3 februari 2015 en 7 juli 2015. De verdachte is op 7 juli 2015 in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door zijn raadsman mr. E. Bruijn, advocaat te Amsterdam.

De zaak wordt gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de zaken van medeverdachten [medeverdachte 1] (16/653985-13 en 16/660056-13) en [medeverdachte 2] (16/660056-13).

Tevens waren aanwezig mw. [A] van de Raad voor de Kinderbescherming en de benadeelde partij [aangever] met zijn raadsman mr. Y. Moszkowicz.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

Primair: op 21 juni 2012 in Hilversum samen met anderen door middel van geweld een I-pod, een I-phone en geld van [aangever] heeft gestolen;

Subsidiair: op 21 juni 2012 in Hilversum samen met anderen [aangever] zwaar heeft mishandeld;

Meer subsidiair: op 21 juni 2012 in Hilversum openlijk geweld heeft gepleegd tegen [aangever].

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie is van mening dat verdachte dient te worden veroordeeld voor het primair tenlastegelegde feit. De officier van justitie baseert zich hierbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. Naast het slachtoffer zijn er geen personen die de vermeende rol van verdachte kunnen bevestigen. Alleen hieruit kan niet worden afgeleid dat verdachte heeft deelgenomen aan het strafbare feit.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Bewijsmiddelen ten aanzien van het primair ten laste gelegde1

Op 21 september 2012 krijgt de politie rond 22:10 uur een melding om te gaan naar de Wirixstraat, waar een incident heeft plaatsgevonden. Het gaat om een groep daders van Marokkaanse afkomst en er zouden blonde vrouwen bij hen aanwezig zijn.2 In de Van Neijenrodestraat ziet verbalisant een Marokkaanse man aan komen lopen, samen met een blonde vrouw die een fiets bij zich heeft. De man blijkt [medeverdachte 1] te zijn3 en de vrouw is [X].4 Op de linkermouw van de jas van [medeverdachte 1] zitten bloedspetters, hij heeft een wondje boven zijn wenkbrauw, een wondje op zijn duim en een kras op zijn linkerwang.5 De jas en de tas van [medeverdachte 1] worden onderzocht op sporen.6 Hierbij worden op de voorzijde van de linkermouw (SIN nr. AAN2599NL#2), op de achterzijde van de linkermouw (SIN nr. AAN2599NL#3) en op de sluiting van het zijvak van de schoudertas (SIN nr. AAAN2601NL#02) sporen veiliggesteld. Uit onderzoek van het NFI blijkt dat op alle sporen een DNA profiel is aangetroffen van [aangever] (hierna: aangever) waarvan de kans dat het DNA profiel van iemand anders afkomstig is dan aangever, kleiner is dan één op één miljard.7

Op 21 september 2012 neemt de politie in het ziekenhuis in Hilversum de aangifte op van [aangever] die gewond is geraakt toen hij diezelfde dag op straat is mishandeld en bestolen door meerdere jongens.8 Uit de medische verklaring van GGD arts [H], blijkt dat de lichamelijke klachten binnen zes weken zullen zijn hersteld, maar dat de psychische afwijkingen aanzienlijk langer kunnen duren omdat het een ernstig incident betreft.9

De volgende dag komt aangever naar het politiebureau en verklaart dat hij rond 21:30 uur met [getuige 1] en [getuige 2] bij het Johan Cruijffcourt in Hilversum op een bankje zat, toen een groepje van vier jongens en een meisje met een fiets naar hen toe kwam. Aangever hoorde dat ze onder andere de namen ‘[X]’ en ‘[Y]’ riepen naar elkaar.10 Er ontstond een gesprek waarbij één van de jongens boos werd en een wapen trok. [getuige 2] werd van achter vastgepakt en de jongens schreeuwden: ‘Ik maak je dood, geef je geld’. [getuige 2] weet zich los te rukken, waarna aangever van achteren wordt vastgepakt door drie jongens. De jongens schreeuwden: ‘ik maak je dood, ik wil je geld, sla hem’. Hierop voelde aangever een harde klap op zijn hoofd. Hij zag dat de jongen met het wapen in zijn hand hem daarmee op zijn hoofd had geslagen. De andere jongens sloegen en schopten hem ook. Eén van de jongens pakte zijn spullen uit zijn broekzakken en jaszakken. De jongens bleven maar roepen: ‘maak hem dood, sla hem, geef je geld.’ De jongens hebben een I-pod met Apple oortjes, een Iphone 4S en € 400,- van aangever gestolen. Het wapen dat de jongen bij zich had was een ploertendoder.11 [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat de groep jongens die op hen af kwamen lopen hebben geroepen dat ze hun zakken leeg moesten maken. Eén van de jongens had daarbij een ploertendoder in zijn handen.12

[X] wordt gehoord door de politie en verklaart dat zij op 21 september 2012 samen met haar inmiddels ex-vriend [medeverdachte 2] Rida [medeverdachte 2] en zijn vrienden [verdachte] en [medeverdachte 1], naar het Johan Cruijffcourt was gelopen. De jongens waren behoorlijk dronken en [medeverdachte 1] had een ploertendoder bij zich. Bij het Johan Cruijffcourt aangekomen begonnen de jongens te schreeuwen en te roepen naar een groepje andere jongens. Ze zag dat de jongens die bij haar waren, de andere jongens begonnen te slaan.13 Uiteindelijk renden ze weg en bleef [medeverdachte 1] bij haar omdat hij zich niet lekker voelde.14

Aangever heeft de politie een foto overhandigd van een jongen die hij via het Facebook account van [X] heeft gevonden. De jongen op de foto heeft hij herkend als één van de daders, waarvan hij heeft gehoord dat deze [verdachte] heet.15

Aan de getuige, [X] wordt door de politie deze foto getoond.16 Zij herkent de jongen als de [verdachte] over wie zij heeft verklaart.17

Bewijsoverweging

De raadsman heeft aangevoerd dat, indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring, er geen sprake kan zijn van medeplegen omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte een significante bijdrage heeft geleverd aan het ten laste gelegde feit. De rechtbank verwerpt dit verweer. De aangever heeft verklaard dat hij door meerdere jongens is geschopt en geslagen. Ook is hij door twee jongens vastgehouden, terwijl een andere jongen hem sloeg. Uit het dossier leidt de rechtbank af dat één van die twee jongens die aangever hebben vastgehouden, verdachte is geweest. Hierdoor is de rechtbank van oordeel dat verdachte medepleger is van de diefstal met geweld.

De rechtbank leidt uit het bovenstaande af dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem primair tenlastegelegde.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

op 21 september 2012 te Hilversum, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een Ipod (zilverkleurig) en oortjes (merk Apple, kleur wit) en een I-phone (type 4S, kleur wit) en vierhonderd (400) euro, toebehorende aan [aangever], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [aangever], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld

hierin bestonden dat verdachte en zijn mededaders

- die [aangever] hebben vastgepakt en

- vervolgens meermalen, met kracht met een ploertendoder tegen het hoofd en tegen het lichaam van die [aangever] hebben geslagen en

- meermalen met kracht hebben geslagen/gestompt en geschopt/getrapt tegen het gezicht/hoofd en tegen het lichaam van die [aangever] (terwijl die [aangever] op de grond lag) en

- daarbij tegen die [aangever] hebben gezegd en geroepen: "Ik maak je dood" en "Ik wil je geld" en "Sla hem" en "Maak hem af" en "Steek hem neer" en "Zakken leegmaken".

Voor zover in de tenlasteleggingen, met uitzondering van de aangehaalde tekst van verdachte, taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als:

het medeplegen van diefstal voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.

7 De strafbaarheid van verdachte

Het feit en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte voor het door hem bewezen geachte primaire feit wordt opgelegd een jeugddetentie van 90 dagen geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast een werkstraf van 100 uur, te vervangen door 50 dagen jeugddetentie indien deze niet of niet naar behoren wordt verricht. Ook vraagt de officier van justitie om aan verdachte een contactverbod met het slachtoffer voor de duur van 2 jaar op te leggen, zoals bedoeld in artikel 38v Wetboek van Strafrecht. Elke keer dat door verdachte contact wordt gezocht met het slachtoffer, zal hem 2 maanden jeugddetentie worden opgelegd.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en verzoekt de rechtbank subsidiair om de straf substantieel te matigen, mede gelet op de jonge leeftijd van verdachte ten tijde van het delict en het feit dat alles zich inmiddels bijna drie jaar geleden heeft afgespeeld.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft samen met anderen een gewelddadige straatroof gepleegd. Het slachtoffer is bestolen van zijn geld, I-pod en I-phone, terwijl hij op het hoofd werd geslagen met een ploertendoder en er werd geroepen dat hij zou worden neergestoken en afgemaakt. Ook toen het slachtoffer inmiddels door het geweld op de grond was gevallen, zijn verdachte en zijn mededaders doorgegaan met het schoppen en slaan tegen het hoofd en lichaam van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van een dergelijk incident nog lange tijd zowel fysiek als geestelijk last kunnen hebben. Uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring van slachtoffer [aangever] blijkt dat de beroving ernstige gevolgen voor hem heeft gehad. Hij lijdt aan een post traumatische stress stoornis waarvoor hij momenteel in behandeling is bij een psycholoog en hij heeft een gehoorbeschadiging opgelopen door het geweld. Daarnaast voelt hij zich nog dagelijks angstig en onveilig op straat en heeft hij zijn opleiding moeten stoppen omdat hij lijdt aan concentratieproblemen. Naast de gevolgen voor het slachtoffer, zorgen dergelijke feiten voor algemene gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. Verdachte heeft bij dit alles in het geheel niet stilgestaan. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van een ander, op deze manier snel aan geld te komen.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het uittreksel justitiële documentatie 19 mei 2015 van verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een geweldsdelict is veroordeeld.

De rechtbank heeft kennis genomen van het uitgebreid advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 2 juli 2015, waaruit blijkt dat er zorgen zijn omtrent verdachte op meerdere leefgebieden. Het advies is om aan hem een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met daarbij als bijzondere voorwaarden het deelnemen aan een schuldhulpverleningstraject en dat verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen die hem door de reclassering worden gegeven. Gezien het feit dat verdachte inmiddels meerderjarig is, adviseert de Raad om het toezicht uit te laten voeren door de volwassen Reclassering.

Ter zitting is mw. [A] van de Raad voor de Kinderbescherming gehoord, die heeft verklaard nadat zij hierover is bevraagd door zowel de rechtbank als de officier van justitie, dat het advies voor een deels onvoorwaardelijke jeugddetentie is gebaseerd op de ernst van het feit. Zij geeft aan dat er geen contra indicaties zijn waarom een jeugddetentie schadelijk is voor verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst en de aard van het feit een onvoorwaardelijke jeugddetentie rechtvaardigen. Echter houdt de rechtbank rekening met het feit dat het incident zich drie jaar geleden, in 2012, heeft afgespeeld. Gezien dit tijdsverloop vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie niet langer op zijn plaats. De rechtbank zal de officier van justitie niet volgen in zijn eis om aan verdachte een contactverbod met het slachtoffer in de zin van artikel 38v Wetboek van Strafrecht op te leggen. In lid 1 van het artikel staat dat de maatregel kan worden opgelegd ‘ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten’. Het feit is drie jaar geleden gepleegd en hieruit kan niet langer voortvloeien dat de maatregel moet worden opgelegd voor bovengenoemde doeleinden. Aan de wettelijke vereisten wordt dus niet voldaan.

Duidelijk is geworden dat verdachte een aantal stappen gezet leek te hebben. Hij hing minder op straat, volgde met succes een opleiding en liep stage. Helaas is gebleken dat op het moment dat hij steun had moeten vragen aan zijn begeleider in het vrijwillig kader, hij dat niet heeft gedaan. Hierdoor is zijn schoolopleiding zeer onzeker geworden en zijn de financiële problemen vergroot. De rechtbank acht gedwongen hulpverlening ten aanzien van het praktisch vormgeven van zijn leven noodzakelijk. De rechtbank zal daarom aan de geheel voorwaardelijke jeugddetentie bijzondere voorwaarden koppelen.

De rechtbank zal aan verdachte opleggen voor het primair ten laste gelegde feit een jeugddetentie van 90 dagen geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende deze proeftijd zal meewerken aan het toezicht en de begeleiding door de (volwassenen) Reclassering Nederland aan het adres Wibautstraat 12 (1091 GM) in Amsterdam, ook als dat inhoudt meewerken aan een schuldhulpverleningstraject en het vinden van dagbesteding of passend onderwijs. Daarnaast zal aan verdachte worden opgelegd een werkstraf van 100 uur, te vervangen door 50 dagen vervangende jeugddetentie.

Gelet op de persoon van verdachte zal de rechtbank bepalen dat indien de tenuitvoerlegging van de opgelegde vervangende jeugddetentie aan de orde is, deze niet zal worden ten uitvoer gelegd als vervangende hechtenis, maar dat verdachte in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie (artikel 77l Wetboek van Strafvordering, zoals dat gold ten tijde van het tenlastegelegde). Ditzelfde geldt voor een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis bij de hierna te bespreken schadevergoedingsmaatregel.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [aangever] heeft de door het tenlastegelegde feit geleden schade gevorderd van € 18.955,68, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting verzocht de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank primair om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren omdat vrijspraak is bepleit en omdat de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Subsidiair verzoekt de verdediging de vordering (gedeeltelijk) af te wijzen.

Voor de post ‘beschadigde kleding’ kan niet worden vastgesteld of deze kleding nog hersteld had kunnen worden. In ieder geval kan niet de nieuwwaarde van de al gedragen kleding worden toegewezen.

Ten aanzien van de fiets ontbreekt het causaal verband tussen de eventuele bewezenverklaring en de schade omdat de fiets niet wordt genoemd op de tenlastelegging.

De hoogte van de zorgkosten kan niet worden vastgesteld, omdat op de stukken niet de naam van de benadeelde partij wordt genoemd. Het is bovendien niet aannemelijk dat alle geboden zorg in verband staat met het voorval van 21 september 2012.

Uit de stukken blijkt niet wanneer en hoe vaak de benadeelde partij een reis heeft gemaakt, dus de reiskosten zijn niet voldoende inzichtelijk gemaakt.

Met betrekking tot de immaterieel gevorderde schade, worden een drietal vergelijkbare zaken opgevoerd door de benadeelde partij. De hoogst toegekende schade in die zaken is € 10.000,-. Als dit volgens de benadeelde partij vergelijkbare zaken zijn, is het niet te volgen dat er een hoger bedrag dan € 10.000,- aan immateriële schade wordt gevorderd.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

De behandeling van de vordering van de benadeelde partij levert geen onevenredige belasting van het strafgeding op. Ook is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank stelt vast dat de materiele schade bestaat uit de volgende posten. Allereerst de € 400,- aan contant geld. Ten aanzien van de I-pod, de I-phone en de kleding zal de rechtbank de schade schatten, nu deze goederen al een tijd door verdachte zijn gebruikt voor het bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal deze kosten voor de helft van het gevorderde bedrag toewijzen, te weten voor respectievelijk € 100,-, € 300,- en € 500,-. Ten aanzien van de beschadigingen aan de fiets verklaart de rechtbank de vordering voor dit deel niet-ontvankelijk aangezien de fiets niet op de tenlastelegging wordt genoemd en hierdoor het causaal verband tussen de schade en het bewezen verklaarde feit ontbreekt. De zorgkosten, de reiskosten en de telefoonkosten worden in zijn geheel toegewezen, nu de verdediging de betwisting hiervan onvoldoende heeft gemotiveerd.

De rechtbank stelt vast dat de immateriële schade moet worden begroot op € 5.000,-, mede gelet op de vergelijkbare zaken uit de Smartengeldgids die de verdediging heeft aangevoerd. Een vaststelling voor het overige deel voert te ver voor het strafproces.

De rechtbank waardeert de totale schade op € 7.998,68 (zegge: zevenduizendnegen honderdachtennegentig euro en achtenzestig eurocent), wat bestaat uit € 2.998,68 aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade. De vordering wordt voor het bedrag van € 7.998,68 toegewezen, inclusief de wettelijke rente berekend vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 21 september 2012, tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige deel kan de benadeelde partij zich wenden tot de burgerlijke rechter.

De rechtbank legt de betalingsverplichting tot schadevergoeding hoofdelijk op omdat verdachte deel heeft uitgemaakt van de groep die de schade aan [aangever] heeft toegebracht. Hij is daardoor medeverantwoordelijk voor de gehele schade.

In het belang van de benadeelde partij wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opgelegd, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade, te weten 21 september 2012 tot aan de dag der algehele voldoening. Uitsluitend voor wat betreft de strafrechtelijke schadevergoedingsmaatregel zal de rechtbank de betalingsverplichting voor verdachte beperken tot 1/3 (één derde) deel. De jeugddetentie die wordt opgelegd in het geval niet tot betaling wordt overgegaan, wordt dan ook beperkt tot één derde deel van hetgeen anders zou worden opgelegd. Kortom: verdachte is hoofdelijk met zijn mededaders verantwoordelijk voor de gehele schade en kan door de benadeelde partij voor het volle bedrag worden aangesproken, echter de Staat zal verdachte bij de executie van de schadevergoedingsmaatregel slechts voor 1/3 deel van de schade aanspreken.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikelen 36f, 47, 63, 77a, 77g, 77i, 77l (oud) 77m, 77n, 77v, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

- Het bewezen verklaarde levert op zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Strafbaarheid

- Verklaart het bewezene strafbaar.

- Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

- Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 90 dagen;

- Beveelt dat deze jeugddetentie in zijn geheel niet zal worden uitgevoerd, tenzij later anders wordt gelast en stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast;

- De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt:

o de verdachte zal zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maken aan een strafbaar feit;

o de verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

o de verdachte zal medewerking verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in 77aa, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

- De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende bijzondere voorwaarden houdt:

o De verdachte zal zich binnen 5 (vijf) werkdagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis melden bij de Reclassering Nederland aan het adres Wibautstraat 12 (1091 GM) in Amsterdam en zich zal blijven melden zo lang en zo vaak als deze instelling dat nodig acht;

o De verdachte zal zich gedurende de proeftijd gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem worden gegeven namens of door de Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt meewerken aan een schuldhulpverleningstraject, indien en zo lang als de reclassering dat nodig acht.

- Draagt de reclasseringsinstelling op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

- Veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 100 uur, met bevel voor het geval dat de verdachte de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 50 dagen.

- Bepaalt dat deze vervangende jeugddetentie als jeugddetentie in een justitiële jeugdinrichting ten uitvoer zal worden gelegd.

Benadeelde partij

- Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever], wonende te Hilversum, toe tot een bedrag van € 7.998,68 (zegge: zevenduizendnegen honderdachtennegentig euro en achtenzestig eurocent), bestaande uit € 2.998,68 aan materiële schade en
€ 5.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf 21 september 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

- Verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige deel niet ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat deze de vordering voor dit deel bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- Veroordeelt verdachte aan [aangever] voornoemd, het hierboven gemelde bedrag te betalen;

- Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- Bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever], te betalen de som van € 2.666,23 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 september 2012 tot de dag der voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 30 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

- Bepaalt dat deze vervangende jeugddetentie als jeugddetentie in een justitiële jeugdinrichting ten uitvoer zal worden gelegd.

- Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen tot het bedrag dat door verdachte in het kader van de andere betalingsverplichting is voldaan.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.A.A. van Kalveen, voorzitter, tevens kinderrechter,

mrs. G.V.M. Veldhoen en J.G. van Ommeren, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Capitano, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 juli 2015.

Mr. J.G. van Ommeren is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 29 september 2014 te Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening weg te nemen door geweld en/of bedreiging van geweld een of meer kluis(zen) (al dan niet met inhoud) en/of een geldbedrag en/of een of meer goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan supermarkt Albert Heijn (locatie [adres]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met één of meer van zijn mededader(s), althans

alleen,

- voornoemde supermarkt heeft/hebben betreden en/of daarbij zijn/hun gezicht(en) heeft/hebben bedekt met een shawl en/of bivakmuts en/of zakdoek en/of

- ( vervolgens) een of meer (doorgeladen) vuurwapen(s), althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of een of meer mes(sen) aan/op [K] en/of [L] (medewerkers van voornoemde supermarkt) heeft/hebben getoond/gericht en/of

- die [L] en/of [K] heeft/hebben vastgepakt/vastgehouden en/of in de richting van de kantoorruimte heeft/hebben geduwd en/of

- ( hierbij) (dreigend) de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Mee komen, mee komen" en/of "je moet meekomen" en/of "maak de kassa open" en/of "maak de kluis open", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- ( vervolgens) heeft/hebben geprobeerd de kassa(lade) te openen,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om proces-verbaal nr. PL1405-2012043089, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aanhouding, p. 35.

3 Proces-verbaal van aanhouding, p. 36.

4 Proces-verbaal van aanhouding, p. 37.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 204.

6 Proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 269.

7 Een schriftelijk bescheid, te weten een NFI rapportage van 29 januari 2013.

8 Proces-verbaal van aangifte, p. 110.

9 Een schriftelijk bescheid, te weten een medische verklaring d.d. 24 september 2014, opgesteld door GGD arts Gooi en Vechtstreek [H], forensisch geneeskundige.

10 Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 114.

11 Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 116.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 168.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 191.

14 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 192.

15 Proces-verbaal verhoor aangever, p. 125.

16 Als bijlage bij proces-verbaal van verhoor getuige, de foto’s op pagina 196 en 197.

17 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 190.