Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5365

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
27-07-2015
Zaaknummer
3761499 MC EXPL 15-245 BmR/842
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsgeschil. Vaststellingsovereenkomst tot beëindiging. Aanspraak niet betaalde pensioenpremie na einde dienstverband, verjaring

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1419
PJ 2015/158
AR-Updates.nl 2015-0699
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Almere

zaaknummer: 3761499 MC EXPL 15-245 BmR/842

Vonnis van 3 juni 2015

inzake

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiseres] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. drs. R.G.M. van der Pas,

tegen:

de stichting

Stichting Nederlandse Publieke Omroep,

gevestigd te Hilversum,

verder ook te noemen NPO,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. drs. M.A. Kuyt-Fokkens.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De Raad van Bestuur van de NPO heeft na consultering van de ondernemingsraad op 28 juli 2011 het besluit genomen tot implementatie van de nieuwe hoofdstructuur van de NPO. Het besluit had personele gevolgen. Ten behoeve daarvan is een Sociaal Plan Landelijke Publieke Omroepen opgesteld en van toepassing verklaard voor de periode van 1 juni 2010 t/m 31 december 2013.

2.2.

Ten behoeve van de beëindiging van het dienstverband met [eiseres] is tussen partijen op 13 februari 2013 een vaststellingsovereenkomst ex artikel 7:900 BW overeengekomen, waarbij het dienstverband is beëindigd met ingang van 1 mei 2013 en waarbij onder meer de financiële gevolgen voor [eiseres] conform het Sociaal Plan zijn geregeld. In de vaststellingsovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“in overweging nemende , dat (..)

- u in dienst getreden bent bij de NPO op 1 april 1978, en geboren bent op [1953] ;

- u voor indiensttreding gedurende een periode van 3 jaar (1975 – 1977) op freelance basis werkzaamheden voor de NPO heeft verricht;

- uw functie van Manager MOA in het kader van deze reorganisatie komt te vervallen;

- overleg heeft plaatsgevonden over de voorwaarden en condities die gelden bij einde dienstverband;

(..)

Zijn wij onderstaande regeling overeengekomen (..)

4 Aan c.q. ten behoeve van u, zal de NPO conform het bepaalde in artikel 8 sub b. en artikel 9 van het Sociaal Plan bij einde dienstverband een bedrag betalen van € 330.776,57 bruto op grond van artikel 8 alsmede € 10.125,81 op grond van artikel 9 van het Sociaal Plan. Dit bedrag is gelijk aan respectievelijk 49 keer en 1,5 keer uw bruto maandsalaris per 1 januari 2013, inclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering. (..)

8 Wij komen met betrekking tot u alle verplichtingen na die uit het dienstverband en/of de beëindiging daarvan voortvloeien t.a.v. de Pensioenwet en/of uit de bepalingen van de geldende pensioenregeling.(..)

15 Met inachtneming van het hierboven sub 1 tot en met sub 14 bepaalde verlenen partijen elkaar algehele en finale kwijting over en weer. (..)”

2.3.

Het Sociaal Plan bevat onder meer de volgende bepalingen:

Artikel 8 Beëindiging arbeidsovereenkomst

a. a) Verplichting werkgever

ten aanzien van boventallige werknemers die niet intern kunne worden herplaatst en met wie daarom het dienstverband wordt beëindigd, verplicht werkgever zich tot het betalen van een financiële vergoeding gebaseerd op de kantonrechtersformule, alsmede tot het aanbieden van professionele begeleiding bij het zoeken naar een nieuwe arbeidsplaat buiten de onderneming.

b) Financiële regeling (..)

Artikel 9 Additionele vergoeding freelancelaren

Freelancejaren zijn geen dienstjaren en kunnen derhalve niet meetellen voor de dienstjarenregeling van de kantonrechtersformule conform artikel 8.

Aan een werknemer die met schriftelijke stukken kan aantonen binnen een termijn van minder dan 2 maanden voorafgaand aan het in dienst treden bij de huidige werkgever werkzaam te zijn geweest op basis van een opdrachtovereenkomst met de opdrachtgever – nu zijnde zijn huidige werkgever – wordt een additionele vergoeding betaald. (..)

Artikel 12 Overige financiële regelingen

a. a) Pensioenverzekering

De werknemer ontvangt bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst een premievrije polis van PNO Media overeenkomstig de bepalingen van het voor de werknemer geldende pensioenreglement van werkgever. (..)

2.4.

Op de arbeidsverhouding tussen partijen is van toepassing het door PNO vastgestelde Pensioenreglement PNO Pensioenregeling 1.

2.5.

Het pensioenfonds hanteert ten behoeve van de ingangsdatum pensioenopbouw als datum indiensttreding van [eiseres] bij NPO (althans haar rechtsvoorganger) 1 april 1981.

2.6.

Bij brief van 3 december 2013 van de gemachtigde van [eiseres] wordt aan NPO medegedeeld dat aanspraak wordt gemaakt op opbouw pensioenrechten over de periode 1 november 1978 tot en met 1 april 1981, op opbouw pensioenrechten na einde dienstverband en op een pensioenbijdrage over het afkoopbedrag vakantiedagen.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van NPO om

- Binnen 1 maand na dagtekening van het vonnis over te gaan tot betaling aan het betrokken pensioenfonds onder gelijktijdige kennisgeving aan [eiseres] van een zodanig bedrag aan pensioenpremie als nodig is om met inachtneming van de voor [eiseres] geldende eindloonregeling pensioenopbouw te doen plaats vinden over de periode van 1 november 1978 tot aan 1 april 1981, op straffe van een dwangsom bij het in gebrek blijven aan deze veroordeling te voldoen van € 250,-- per dag met een maximum van € 50.000,--;

- Binnen 1 maand na dagtekening van het vonnis over te gaan tot betaling aan het betrokken pensioenfonds onder gelijktijdige kennisgeving aan [eiseres] van een zodanig bedrag aan pensioenpremie – al dan niet in de vorm van toekomstige termijnen – als nodig is om met inachtneming van de voor [eiseres] geldende eindloonregeling pensioenopbouw te doen plaats vinden over de periode van 1 mei 2013 tot aan de datum van het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, op straffe van een dwangsom bij het in gebrek blijven aan deze veroordeling te voldoen van € 250,-- per dag met een maximum van € 50.000,--;

- Binnen 1 maand na dagtekening van het vonnis over te gaan tot betaling aan [eiseres] van een bedrag gelijk aan het werkgeversdeel van de pensioenpremie over de niet genoten vakantiedagen met inachtneming van het aantal vakantiedagen als opgenomen in de daarop betrekking hebbende eindafrekening onder gelijktijdige kennisgeving aan [eiseres] van de door NPO vervaardigde berekening;

- Aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 653,40 aan gemaakte advieskosten, alsmede van een door u in goede justitie te bepalen bedrag eigen kosten, daaronder begrepen de kosten van rechtskundige bijstand;

- Aan [eiseres] te betalen primair een bedrag van € 5.000,--, subsidiair een zodanig bedrag in goede justitie te bepalen ter zake van aantasting van de eer en de goede naam van [eiseres] als gevolg van het door NPO aangeven zich bedrogen te voelen door [eiseres] met veroordeling van NPO in de proceskosten.

3.2.

Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiseres] dat NPO jegens [eiseres] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen ingevolge de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst respectievelijk vaststellingsovereenkomst, door pensioenpremies niet af te dragen aan het pensioenfonds over de periode 1 november 1978 (vanaf haar 25 jarige leeftijd) tot aan 1 april 1981 en over de periode na 1 mei 2013 tot aan de AOW gerechtigde leeftijd, alsmede door geen pensioenpremie af te dragen over de aan [eiseres] uitbetaald vakantiedagen. [eiseres] maakt tevens aanspraak op vergoeding van advieskosten en kosten van rechtskundige bijstand.

3.3.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat zij met ingang van 1 april 1978 op basis van oplopende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in dienst is getreden van de rechtsvoorganger van NPO. Vervolgens is vanaf 1 april 1981 sprake van een overeenkomst voor onbepaalde tijd. NPO heeft verzuimd haar dienstverband met ingang van 1 april 1978 aan het pensioenfonds door te geven. Nu in de vaststellingsovereenkomst bij beëindiging van de arbeidsrelatie ook is opgenomen dat het dienstverband is ingetreden op 1 april 1978 is NPO alsnog gehouden de pensioenpremies over die periode te voldoen. [eiseres] beroept zich voorts op artikel 16.1 van het pensioenreglement waaruit valt op te maken dat de pensioenregeling na einde dienstverband dient te worden voortgezet omdat sprake is van een loongerelateerde afvloeiingsregeling. Aldus maakt [eiseres] aanspraak op betaling van de pensioenpremies na ontslag per 1 mei 2013 tot aan de AOW gerechtigde leeftijd. Na beëindiging van het dienstverband is aan [eiseres] de opgebouwde, niet genoten, vakantiedagen uitbetaald zonder dat daarover pensioenpremie is afgedragen. NPO is gehouden dit alsnog te doen. [eiseres] beroept zich op de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen bepaling dat NPO alle verplichtingen zal nakomen die uit het dienstverband voortvloeien uit de Pensioenwet of de pensioenregeling. Tot slot is [eiseres] van oordeel dat haar eer en goede naam is aangetast, omdat NPO zich heeft of heeft doen uitlaten dat NPO zich door [eiseres] bedrogen voelt. Zij vordert als gevolg daarvan schadevergoeding.

3.4.

NPO heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3.5.

NPO baseert haar verweer - kort weergegeven - op het volgende. [eiseres] is op basis van opdrachtovereenkomsten van 1975 tot 1981 als freelancer werkzaam geweest tot 1 april 1981. Van opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd is geen sprake. Eerst op 1 april 1981 is [eiseres] in dienst getreden van de rechtsvoorganger van NPO. Vanaf die datum is [eiseres] deelnemer in de pensioenregeling. NPO was derhalve vóór 1 april 1981 niet premieplichtig. De vaststellingsovereenkomst ziet op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst conform het door NPO opgestelde Sociaal Plan. NPO is [eiseres] onverplicht tegemoetgekomen door in de vaststellingsovereenkomst de aanvang van het dienstverband op 1 april 1978 te stellen om zo een hogere vergoeding bij einde dienstverband te realiseren voor [eiseres] . Deze opname van de aanvang van het dienstverband ziet niet op het alsnog toekennen van aanspraken op betaling van pensioenpremies over de periode van 1 november 1978 tot 1 april 1981. NPO voelt zich door de (latere) aanspraken van [eiseres] op grond van de vaststellingsovereenkomst bedrogen. NPO beroept zich op het feit dat partijen bij de vaststellingsovereenkomst elkaar finale kwijting hebben gegeven. NPO meent voorts dat de vordering van [eiseres] is verjaard.

3.6.

De aanspraken pensioenopbouw na einde dienstverband dienen eveneens te worden afgewezen. In het Sociaal Plan is opgenomen dat bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst de werknemer een premievrije polis van PNO media ontvangt. Werknemers die zich onevenredig benadeeld voelen door de beëindiging van de pensioenopbouw kunnen een beroep doen op de speciale paritaire CAO-commissie. De commissie heeft het beroep van [eiseres] afgewezen. Bij einde dienstverband is ook de pensioenregeling beëindigd. NPO stelt voorts dat bij beëindiging van de arbeidsrelatie de pensioenregeling voorziet in een vrijwillige voortzetting door de werknemer of indien werknemer en werkgever voortzetting, bij wachtgeldachtige uitkeringen, die periodiek worden uitgekeerd, zijn overeengekomen. Daarvan is in het onderhavig geval geen sprake. Tot slot stelt NPO zich op het standpunt dat zij niet gehouden is over de uitbetaalde vakantiedagen pensioenpremie te voldoen. Het betalen van pensioenpremie is immers alleen verschuldigd als een persoon als deelnemer in de pensioenregeling moet worden gekwalificeerd. Door beëindiging van de arbeidsrelatie is daarvan niet langer sprake.

3.7.

De vordering tot vergoeding van schade wegens aantasting van de eer en goede naam van [eiseres] dient te worden afgewezen nu van een aantasting van die eer en goede naam geen sprake is.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Pensioenopbouw vanaf 1 april 1978 tot 1 april 1981

4.2.

Vaststaat dat [eiseres] op 1 april 1981 voor onbepaalde tijd in dienst is getreden van (de rechtsvoorganger van) NPO. Door NPO is [eiseres] met ingang van 1 april 1981 aangemeld bij het pensioenfonds PMO Media. Vanaf die tijd heeft NPO het werkgeversaandeel pensioenpremie in het fonds gestort. [eiseres] maakt aanspraak op pensioenopbouw vanaf 1 november 1978 tot 1 april 1981 op basis van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd vanaf 1 april 1978. [eiseres] stelt dat NPO verzuimd heeft haar aan te melden bij het pensioenfonds en verzuimd heeft de pensioenpremies af te dragen over die periode. Tussen partijen is in geschil of sprake is geweest van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd dan wel sprake is geweest van opdrachtovereenkomsten op freelance basis.

4.3.

Veronderstellenderwijs dat moet worden aangenomen dat sprake is geweest van opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd vanaf 1 april 1978 tot 1 april 1981 en dat op die overeenkomsten de toen geldende pensioenregeling (die overigens door partijen niet in het geding is gebracht) van toepassing was en uit dien hoofde een pensioen premieverplichting gold voor NPO dan dient allereerst het meest verstrekkende verweer van NPO, namelijk dat sprake is van verjaring, te worden besproken. De kantonrechter oordeelt als volgt. [eiseres] heeft niet nader gereageerd op het door NPO gedane beroep op verjaring. De verplichting voor de werkgever — zoals die voortvloeit uit de pensioenregeling (in de arbeidsovereenkomst) — is het aanmelden van [eiseres] bij het pensioenfonds "teneinde" het kunnen toekennen van een bepaald pensioen op de pensioendatum. Hier is een rechtshandeling door de werkgever vereist, namelijk het aanmelden voor de pensioenverzekering en het betalen van de daartoe benodigde premie aan de verzekeraar. Dat heeft de werkgever pas voor het eerst gedaan in april 1981. De rechtsvordering van de werknemer tot het alsnog betalen van premies door de werkgever over de periode vóór april 1981 is een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen. Een dergelijke rechtsvordering verjaart naar verloop vijf jaar op rond van artikel 3: 307 BW nadat deze opeisbaar is geworden (en dat was in 1978 toen de arbeidsovereenkomst met pensioenregeling tot stand kwam). Ook als dient te worden uitgegaan van de verjaringstermijn van 20 jaar ex artikel 3:310 BW dan is de vordering van [eiseres] eveneens verjaard. De onderhavige situatie is overigens een essentieel andere situatie dan in het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2012 (PJ 2012/39) waar [eiseres] in door haar overgelegde correspondentie aan refereert, want daarin was de "pensioenverzekering" al van rechtswege tot stand gekomen door de wettelijke verplichtstelling tot deelname aan een pensioenfonds. De kantonrechter is van een dergelijke wettelijke verplichting evenwel niet gebleken noch is dit door [eiseres] gesteld. Daar doet niet aan af het beroep van [eiseres] op de tussen partijen tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst van 13 februari 2013 waarin is opgenomen dat de indiensttreding van [eiseres] een aanvang heeft genomen op 1 april 1978 en NPO zich heeft verbonden alle verplichtingen die uit het dienstverband en/of na de beëindiging daarvan voortvloeien t.a.v. de Pensioenwet en/of uit de bepalingen van de geldende pensioenregeling. Dit betekent dat de kantonrechter aan de overige stellingen van partijen niet meer toekomt en dat de vordering van [eiseres] dient te worden afgewezen.

Pensioenopbouw vanaf 1 mei 2013 tot AOW gerechtigde leeftijd

4.4.

[eiseres] meent dat NPO gehouden is ook na beëindiging van het dienstverband pensioenpremie te betalen tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd van [eiseres] . Zij beroept zich daarbij op artikel 16.1 van het tussen partijen geldende pensioenreglement, waarin is opgenomen dat:

“1. Onder een loongerelateerde afvloeiingsregeling verstaan we een regeling op grond waarvan u een salaris vervangende uitkering ontvangt bij ontslag die is gerelateerd aan uw laatstverdiende salaris.

2. Heeft u aanspraak op een loongerelateerde afvloeiingsregeling? Dan handhaven we uw deelnemerschap. Uw voormalige werkgever blijft de verschuldigde pensioenpremie aan ons voldoen. Wij zeten de opbouw van de pensioenaanspraken voor t op basis van lid 3 van dit artikel. Dit doen we tot het tijdstip waarop de loongerelateerde afvloeiingsregeling eindigt.(..)”

NPO legt een andere versie van het pensioenreglement over waarin in 16.1 sub 2 is opgenomen dat voortzetting van de pensioenregeling slechts mogelijk is nadat dit met de werkgever is overeengekomen. [eiseres] stelt bij repliek dat de door haar overgelegde pensioenregeling, de regeling is die op het moment van beëindiging van het dienstverband geldend was. NPO heeft dit niet weersproken zodat de kantonrechter van die regeling uitgaat. [eiseres] stelt verder dat zij mede gezien het bepaalde in artikel 16.1 van het pensioenreglement erop mocht vertrouwen dat NPO in de vaststellingsovereenkomst een zodanige modaliteit zou kiezen in de vaststellingsovereenkomst dat ten aanzien van [eiseres] ook na datum van de uitdiensttreding bij NPO nog pensioenopbouw zou plaatsvinden. Zij zou de vaststellingsovereenkomst, indien zij juist was geïnformeerd over de gevolgen voor de pensioenregeling nimmer hebben getekend.

4.5.

De kantonrechter volgt [eiseres] niet in het hierboven omschreven standpunt. Het beroep van [eiseres] op het pensioenreglement ziet op een onjuiste interpretatie van het aangehaalde artikel 16.1. Met de loongerelateerde afvloeiingsregeling wordt naar het oordeel van de kantonrechter bedoeld een regeling waarbij een vervangende (periodieke) uitkering wordt verstrekt ter vervanging van het salaris. Dit vloeit ook voort uit lid 4 van artikel 16.1 van het pensioenreglement waarin is opgenomen dat indien de loongerelateerde afvloeiingsregeling eindigt dit gelijk wordt gesteld aan beëindiging van het deelnemerschap. Aan [eiseres] is geen periodieke uitkering verstrekt, maar een éénmalige uitkering van € 330.776,57 op basis van het Sociaal Plan uitgewerkt in de tussen partijen tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst. Als al zou kunnen worden gesproken van een loongerelateerde afvloeiingsregeling in de zin van artikel 16.1 sub 1 dan is door betaling van het bedrag ineens de afvloeiingsregeling beëindigd en daarmede ook het deelnemerschap. De kantonrechter is verder van oordeel dat uit het Sociaal Plan genoegzaam blijkt dat bij beëindiging van het dienstverband ook het deelnemerschap in de pensioenregeling eindigt. In artikel 12 van het Sociaal Plan is immers opgenomen dat bij die beëindiging van de arbeidsovereenkomst een premievrije polis bij PNO Media zal worden verstrekt. Dat [eiseres] stelt dat zij bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst heeft gedwaald, is naar het oordeel van de kantonrechter gelet op het bovenstaande niet aannemelijk, temeer [eiseres] zich bij het sluiten van de overeenkomst van juridische bijstand had kunnen voorzien conform het door NPO toegekende budget. De vordering van [eiseres] zal dan ook worden afgewezen.

Pensioenpremie over uitgekeerde vakantiedagen

4.6.

De kantonrechter stelt vast dat partijen bij de vaststellingsovereenkomst van 13 februari 2013 ter zake de niet genoten vakantiedagen niet expliciet de rechten en verplichtingen over en weer hebben geregeld. Wel is opgenomen dat NPO het salaris en de emolumenten tot einde dienstverband op de gebruikelijke wijze zal uitkeren. NPO heeft door na einde dienstverband de niet genoten vakantiedagen in de vorm van vakantieloon uit te keren zich ook verplicht gevoeld uit hoofde van de arbeidsovereenkomst dan wel de vaststellingsovereenkomst bedoelde uitkering te doen. Een en ander vloeit ook voort uit artikel 7:641 BW. De kantonrechter staat thans voor de vraag of als uitgangspunt heeft te gelden dat het werkgeversdeel van de pensioenpremie moet worden meegewogen bij berekening van de uitkering in geld vanwege een niet-genoten vakantieaanspraak bij einde dienstverband?

4.7.

De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend. Uit de jurisprudentie van de HvJ EG (EU Hof van Justitie Williams/British Airways van 15 september 2011 (JAR 2011/279) en HR ( Hoge Raad 26 januari 1990, NJ 1990, 499; Hof Den Haag, 28‑01‑2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:72) volgt dat de vergoeding tijdens/voor een vakantiedag gelijk dient te zijn aan het bedrag dat de werknemer zou hebben gekregen als hij geen vakantie had opgenomen. Daarnaast geldt dat een werknemer bij uitbetaling van niet genoten vakantiedagen niet in een nadeliger positie mag komen te verkeren, dan bij in dienst blijven en het opnemen van die vakantiedagen. Vaststaat dat de werkgever van [eiseres] over het loon voor tijdens het dienstverband opgenomen vakantiedagen het werkgeversdeel van de pensioenpremie moet afdragen aan de pensioenuitvoerder. Dit betekent dat hij deze bijdrage ook verschuldigd is, voor niet genoten vakantiedagen. Dat de pensioenpremie over de uit te betalen vakantiedagen wegens het geëindigd zijn van de dienstbetrekking van [eiseres] niet meer kan worden afgedragen aan de pensioenuitvoerder, betekent niet dat [eiseres] in een financieel gunstiger positie wordt gebracht indien de premie aan haar wordt uitbetaald. NPO wordt hierdoor ook niet benadeeld, zodat niet valt in te zien waarvoor deze hiervan zou moeten profiteren. Het verweer van NPO, dat volgens het geldend pensioenreglement alleen premie is verschuldigd als een persoon als deelnemer moet worden gekwalificeerd en [eiseres] vanaf 1 mei 2013 door de beëindiging van het dienstverband geen deelnemer meer was, faalt. Bepalend is immers het te hanteren (ruime) loonbegrip ex artikel 7:641 BW voortvloeiend uit de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst, waarin is opgenomen een pensioenregeling ten behoeve van [eiseres] . Dit betekent dat de vordering van [eiseres] voor toewijzing in aanmerking komt.

Aantasting eer en goede naam

4.8.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat zij in haar eer en goede naam is aangetast doordat NPO via een e-mailbericht van de advocaat van NPO heeft gemeld dat NPO uitermate teleurgesteld is en zich bedrogen voelt door [eiseres] . De kantonrechter is van oordeel dat de mededeling van de advocaat, die overigens niet wordt betwist, moet worden bezien in de context van de tussen partijen gevoerde correspondentie en ingenomen standpunten. Nu NPO zich op het standpunt heeft gesteld, in verband met een voor [eiseres] te realiseren hogere afvloeiingsregeling op basis van het Sociaal Plan, uit coulance overwegingen in de vaststellingsovereenkomst te hebben opgenomen dat de datum van indiensttreding 1 april 1978 is gesteld terwijl volgens NPO de werkelijke indiensttreding 1 april 1981 is geweest, is de reactie van NPO, althans haar raadsman, op de aanspraken van [eiseres] op betaling van pensioenpremies gebaseerd op die eerdere indiensttreding per 1 april 1978 weliswaar niet verstandig, maar begrijpelijk en niet zonder meer grievend. Bovendien is niet gebleken dat deze uitlating op enigerlei wijze publiekelijk is gedaan. Aldus dient de vordering van [eiseres] naar het oordeel van de kantonrechter te worden afgewezen.

Advieskosten en rechtsbijstandskosten

4.9.

[eiseres] heeft de gevorderde advieskosten onvoldoende onderbouwd. Bovendien is [eiseres] ten aanzien van de gevorderde premiebetalingen, waar het advies kennelijk op ziet, grotendeels in het ongelijk gesteld. De gevorderde kosten rechtsbijstand is in het geheel niet onderbouwd. Niet is aangegeven welke werkzaamheden niet onder het verband van een eventuele proceskosten veroordeling vallen. De vordering dient dan ook te worden afgewezen.

4.10.

De kantonrechter ziet aanleiding de proceskosten te compenseren in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt nu beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld.

5 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt NPO om binnen 1 maand na dagtekening van het vonnis over te gaan tot betaling aan [eiseres] van een bedrag gelijk aan het werkgeversdeel van de pensioenpremie over de niet genoten vakantiedagen met inachtneming van het aantal vakantiedagen als opgenomen in de daarop betrekking hebbende eindafrekening onder gelijktijdige kennisgeving aan [eiseres] van de door NPO vervaardigde berekening;

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2015.