Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5360

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
27-07-2015
Zaaknummer
3477020 MC EXPL 14-12088 BmR/842
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Ondernemingsrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Vennootschap onder firma. Beëindiging van vennootschap. Pachtovereenkomst horeca. Geestelijke stoornis. Vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1420
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Almere

zaaknummer: 3477020 MC EXPL 14-12088 BmR/842

Vonnis van 15 juli 2015

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. P.M.L. Schröder,

tegen:

[gedaagde] , tevens h.o.d.n. " [naam] ",

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. J. Nagtegaal.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

  • -

    de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie

  • -

    de akte van uitlating producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen de besloten vennootschap [bedrijf 1] als verhuurder en [A] , als huurder is op 15 juli 2013 een huurovereenkomst gesloten betreffende de bedrijfs-winkelruimte aan de [adres] te [vestigingsplaats] voor de duur van drie jaar ingaande op 1 september 2013 en lopende tot 1 september 2016 tegen een aanvangshuurprijs van € 12.396,00. In de overeenkomst is onder meer opgenomen:

“(..) 9 Bijzondere Bepaling:

Verhuurder behoudt zich het recht voor om de huurovereenkomst te beëindigen, indien er sprake is van een wijziging door de gemeente of de projectontwikkelaar m.b.t. de herindeling en of renovatie van het gehuurde pand [adres] , [postcode] te [vestigingsplaats] gevestigd in het winkelcentrum [winkelcentrum] .

Met dien verstanden: dat de huurder een verhuisfaciliteit en een nieuw huurcontract wordt aangeboden voor een noodunit en het nieuw te bouwen pand [adres] , [postcode] te [vestigingsplaats] gevestigd in het winkelcentrum [winkelcentrum] (..)”

2.2.

[A] is met [gedaagde] met ingang van 1 januari 2014 een vennootschap onder firma aangegaan teneinde voor gezamenlijke rekening de onderneming onder de naam “Pizzeria grillroom [naam] ”, gevestigd aan de [adres] te [vestigingsplaats] , te gaan uitoefenen. [gedaagde] heeft aan [A] een eenmalige investering voldaan van € 15.000,00.

2.3.

[eiser] heeft met [A] op 31 december 2013 een koopovereenkomst gesloten waarbij [eiser] 50% van Afhaalcentrum Pizza en Grillroom, gedreven onder de naam “ [naam] ” en gevestigd aan de [adres] te [vestigingsplaats] , heeft gekocht voor een bedrag van € 15.000,00. In de koop is begrepen de handelsnaam, de inventaris (volgens toegevoegde lijst) en de inrichting. [eiser] heeft zich verplicht daarnaast een bedrag van € 1.481,25 zijnde de helft van de door [A] betaalde borgsom aan de verhuurder, te betalen en een bedrag aan reeds betaalde huur van januari 2014. In de overeenkomst is ogenomen:

“(..) Artikel 5

De verkoper zal zorgen dat de koper zijn naam komt in de huur kontrakt als mede huurder met de heer [gedaagde] tegen de zelfde huurprijs. (..)”

2.4.

Met ingang van 1 januari 2014 zijn [eiser] en [gedaagde] een vennootschap onder firma aangegaan onder de naam “ [naam] ” met als doel de exploitatie van de pizzeria en grillroom [naam] aan de [adres] te [vestigingsplaats] uit te oefenen. Winst of verlies wordt door de vennoten ieder voor de helft toegekend/gedragen. De akte is gelijkluidend aan de akte onder overweging 2.2 en bevat de volgende bepalingen:

“(..) Artikel 3

De vennootschap wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. Ieder der vennoten heeft het recht de vennootschap op te zeggen, mits met inachtneming van een termijn van drie maanden en slechts tegen het einde van een boekjaar.

Artikel 10

De vennootschap eindigt:

a. Door ontbinding in onderling overleg;

b. Door opzegging in overeenstemming met het in artikel 3 bepaalde;

c. Door het overlijden, de onder curatele stelling of faillietverklaring van één der vennoten, evenals de verlening van surseance van betaling van de vennoten;

Artikel 11

Bij het eindigen van vennootschap is ieder der vennoten in het vermogen van de vennootschap gerechtigd voor:

- het bedrag waarvoor hij in de boeken van de vennootschap is gecrediteerd;

Zijn aandeel in het resultaat, ontstaat door de herwaardering als hieronder vermeld.

Op de bij beëindiging van de vennootschap op te maken balans zullen de vermogensbestanddelen der vennootschap worden opgenomen tegen de verkoopwaarde. Bedoelde waardering genoemd in het vorige lid dienen slechts ter bepaling van het vermogensaandeel van de gedefinieerde vennoot en houden geen fiscale herwaardering in voor de vennoot die de onderneming van de vennootschap voortzet.(..)”

2.5.

De besloten vennootschap [bedrijf 1] heeft op 23 januari 2014 met [A] en [gedaagde] een indeplaatsstelling huurovereenkomst gesloten, waarbij [gedaagde] met ingang van 17 februari 2014 (Ktr: bedoeld is mogelijk 17 januari 2014) in de plaats is getreden van [A] als huurder onder gelijke voorwaarden. De huurprijs bedraagt € 987,50 ex BTW per maand.

2.6.

Tussen [eiser] en [gedaagde] is op 17 januari 2014 een pachtovereenkomst betreffende de onderneming [naam] gesloten:

“(..) IN AANMERKING NEMENDE:

- Dat A (ktr: lees [eiser] ) en B (ktr: lees [gedaagde] ) zijn de eigenaren van de tot dus verre door hun gedreven Afhaalcentrum van Pizza en grillgerechten [naam] , gevestigd [adres] , [postcode] [vestigingsplaats] .

- Dat A zijn ondernemersactiviteiten (ZIJN helft) wenst te beperken door verpachting van deze onderneming aan B;

- dat beide partijen hun rechtsverhoudingen uit diens hoofde nader wensen te regelen;

ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:

artikel 1

De gehuurde onderneming

1. Met ingang van 17 januari 2014 verpacht A aan B, gelijk B van A pacht, voor de duur van een 18 maanden (1 ½ jaar) , de in lid 2 nader omschreven onderneming voor de in artikel 2 nader te regelen pachtprijs.

2. De in lid 1 bedoelde [naam] , en omvat;

a. de gehuurde [naam] [adres] te [vestigingsplaats] ;

b. de inventaris, waarvan een afzonderlijke staat is opgemaakt die door beide partijen wordt ondertekend, en die desgewenst aan dit contract zal worden gehecht;

c. de handelsnaam

d. de goodwill.

Artikel 2

Pachtprijs

1. De pachtprijs van de in artikel 1 genoemde onderneming, bedraagt 250,-- euro per maand. (..)

Artikel 3

Pachttijd

1. De onderhavige pachtovereenkomst wordt aangegaan voor de tijd van 18 maanden, met ingang van 17 januari 2014.

2. De pacht eindigt op 17 juli 2015 . Het pacht kontrakt wordt automatisch telkens verlengt met 18 maanden tenzij een van de partijen wenst om niet te verlengen en de partij die wenst om niet te verlengen dient dat te doen door een aangetekend brief 2 maanden voor het einde van de kontrakt datum.

3. Partij B heeft optie om het aandeel van partij BA te kopen voor 15.000 euro indien partij A wenst om de kontrakt niet verder te verlengen. (..)”

2.7.

[gedaagde] heeft op 13 februari 2014 een eerste betaling verricht van de pachtprijs van € 250,00. Nadien hebben geen betalingen plaatsgevonden.

2.8.

Uit de brondocumenten van [naam] bij de Kamer van Koophandel blijkt dat de vennootschap onder firma [naam] met ingang van 17 januari 2014 is ontbonden en beëindigd. Per die datum is de onderneming als eenmanszaak onder de naam [naam] door [gedaagde] voortgezet.

2.9.

Bij brief van 22 juni 2014 bevestigt [bedrijf 1] namens [bedrijf 1] de gemaakte afspraken over beëindiging van de huurrelatie.

“(..) Huurder heeft te kennen gegeven geen gebruik te willen maken van de verhuis faciliteit en het nieuwe huurcontract voor de noodunit en het nieuw te bouwen pand (nieuw te realiseren pand).

Huurder de heer [gedaagde] heeft bevestigd te stoppen met de onderneming en het lopende huurcontract.

Per 15 september 2014 zal huurder het gehuurde leeg en ontruimd opleveren met achterlating van de sleutels bij de verhuurder. (..)”

2.10.

Bij brief van 16 juli 2014 deelt de Gemeente Blaricum mede dat het winkelcentrum [winkelcentrum] zal worden vernieuwd en deels zal worden gesloopt. Het bouwplan voorziet in de (her)bouw van winkels met daarop appartementen aan de Hooibrug.

2.11.

Bij brief van 20 mei 2014 heeft [eiser] [gedaagde] gesommeerd over te gaan tot betaling van de pachtprijs. Bij brief van 29 augustus 2014 van de gemachtigde van [eiser] wordt opnieuw gesommeerd over te gaan tot betaling van de pachtprijs. Voorts wordt aangegeven dat [gedaagde] de vennootschap onder firma ten onrechte en zonder toestemming heeft uitgeschreven en de onderneming nadien heeft beëindigd. [eiser] maakt aanspraak op een bedrag van totaal € 69.460,00.

2.12.

[gedaagde] heeft het gehuurde op 15 september 2014 ontruimd. De verhuurder heeft de borgsom van € 3.099,00 aan [gedaagde] terugbetaald.

2.13.

Bij brief van 27 maart 2015 heeft [bedrijf 2] het voorlopig resultaat van de onderneming over 2014 kenbaar gemaakt:

“(..) Wellicht ten overvloede willen wij u erop wijzen dat dit conceptcijfers betreft en wij geen zekerheid verstrekken omtrent de getrouwheid van de cijfers. Voornoemde neemt niet weg dat wij niet verwachten dat de cijfers materieel zullen wijzigen. Het belangrijkste punt dat de cijfers aantonen is, zoals eerder met u besproken, dat de onderneming vanaf de start nauwelijks bestaansrecht had als gevolg van de relatief hoge kosten in vergelijking met de omzet. De onderneming heeft over het eerste halfjaar van 2014 een verlies van EUR 23.774 gemaakt. Hierin is een bedrag van Eur 15.000 inbegrepen inzake de overnamesom die als gevolg van de sluiting van de onderneming direct dient te worden afgeschreven.(..)”

2.14.

[gedaagde] heeft volgens het revalidatiecentrum [revalidatiecenturm] d.d. 24 juni 2010 op 18 februari 2010 een hersenbloeding gehad met als gevolg een hemiparese rechts, dysartrie, afasie en mogelijk cognitieve stoornissen, alsmede een beperking in zijn loopfunctie en arm-handfunctie rechts. De neuroloog Herderschee rapporteert aan de huisarts op 12 november 2014 dat bij [gedaagde] sprake is van een heler bewustzijn, een taalprobleem en waarschijnlijk ook ernstig gemengde afasie. De revalidatie arts rapporteert op 30 december 2014:

(..) Patient overschat zijn eigen functioneren. Hij is beperkt op het gebied van mobiliteit, dagbesteding, cognitief functioneren, stemming en communicatie.(..)”

De logopediste verbonden aan het revalidatiecentrum [revalidatiecenturm] verklaart op 26 maart 2015:

“(..) Hieruit blijkt dat dhr. Een afasie heeft met ernstige taalbegripstoornis. In zijn geval betekent dit dat zowel het auditief taalbegrip als het leesinhoudelijk taalbegrip is aangedaan; het lezen is vooral ernstig beschadigd. Dhr. Kan door deze stoornis het geschreven documenten niet begrijpen. Het leesinhoudelijk taalbegrip is zo ernstig gestoord dat dhr. Zelfs een simpele zin op papier niet begrijpt. Bij het lezen begrijpt hij slechts af en toe losse woorden die veel voorkomen. (..)”

De neuro/GZ pschyoloog verbonden aan het revalidatiecentrum [revalidatiecenturm] verklaart op 24 maart 2015:

“(..) Bovengenoemde patient is bij ons bekend met ernstige afasie met daarnaast aanwijzingen voor informatieverwerkingsproblemen en cognitieve problemen. Als gevolg hiervan begrijpt hij gesproken en geschreven teksten onvoldoende en zal hij consequenties van gesproken en geschreven informatie niet kunnen overzien. (..)”

2.15.

[gedaagde] is als gevolg van de hersenbloeding in 2010 onder bewind gesteld omdat hij niet in staat was zijn vermogensrechtelijke belangen op behoorlijke wijze waar te nemen. Het bewind is in 2012 opgeheven. Bij beschikking van 10 februari 2015 is [gedaagde] opnieuw onder bewind gesteld, waarbij door de rechtbank is vastgesteld dat [gedaagde] niet in staat is om de rekening en verantwoording te beoordelen.

3 Het geschil

In conventie

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] om aan [eiser] te voldoen € 82.960,00 (bestaande uit € 16.500,00 aan koopsom en waarborgsom te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 17 januari 2014, € 4.250,00 aan huurpenningen te vermeerderen met de wettelijke(handels)rente vanaf 20 februari 2014, € 60.000,00 contractuele boetes ex artikel 17 van de vennootschapsakte en ex artikel 5 van de pachtovereenkomst en € 1.210,00 aan buitengerechtelijke incassokosten), met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en nakosten.

3.2.

Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiser] dat [gedaagde] jegens [eiser] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen ingevolge de tussen partijen gesloten pachtovereenkomst, door de huurpenningen van € 250,00 per maand ondanks sommaties, onbetaald te laten. [gedaagde] is gehouden de huur vanaf 17 januari 2014 voor de duur van de overeengekomen 18 maanden te voldoen. Die vordering bedraagt € 4.250,00. [gedaagde] is wegens de eenzijdige toe-eigening van het deel van de aan [eiser] toekomende onderneming, alsmede de eenzijdige ontbinding van de vennootschap onder firma en de voortzetting van de onderneming als eenmanszaak de koopprijs verschuldigd als vastgesteld in artikel 3 van de pachtovereenkomst. Tevens is [gedaagde] door eerder genoemde eenzijdige toe-eigening van de onderneming op grond van artikel 17 van de vennootschapsakte een boete verschuldigd van € 10.000,00. [gedaagde] heeft immers de artikelen 3, 5, 10, 11, 13 en 15 van de vennootschapsakte overtreden. Op grond van artikel 5 van de pachtovereenkomst is [gedaagde] wegens schending van artikel 2 tot en met 6 van de pachtovereenkomst een boete verschuldigd van € 50.000,00. [eiser] maakt aanspraak op de wettelijke handelsrente en de buitengerechtelijke kosten nu [gedaagde] in verzuim is geraakt, respectievelijk [eiser] de vordering uit handen heeft moeten geven.

3.3.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.4.

[gedaagde] baseert zijn verweer - kort weergegeven - op het volgende. [gedaagde] stelt dat de vordering van [eiser] dient te worden afgewezen op grond van artikel 21 Rv. [eiser] heeft immers opzettelijk in strijd met de waarheid gesteld dat [gedaagde] de vennootschap onder firma eenzijdig heeft ontbonden. Op 17 januari 2014 zijn partijen gezamenlijk naar de Kamer van Koophandel gegaan, terwijl ook op het opgaveformulier de handtekening van [eiser] staat vermeld.

Nu van een eenzijdige ontbinding geen sprake is, maar deze in gezamenlijk overleg heeft plaatsgevonden is geen grond aanwezig dat [gedaagde] gehouden is aan [eiser] een kooprijs te betalen van € 15.000,00. Ook niet op grond van artikel 3 van de pachtovereenkomst. Van een koopovereenkomst tussen partijen is niet gebleken noch dat [gedaagde] de optie tot koop zou hebben ingeroepen. De vordering tot betaling van een bedrag van € 1.500,00 van een betaalde waarborgsom aan [A] dient te worden afgewezen. Van een daadwerkelijke betaling is niet gebleken. Bovendien staat het huurcontract op naam van [gedaagde] en niet op naam van de vennootschap noch op naam van [eiser] .

[gedaagde] stelt dat hij niet (ten volle) in staat was bij ondertekening van de overeenkomsten zijn wil te bepalen noch dat hij in staat was tot een redelijke waardering van de bij de rechtshandelingen betrokken belangen. [gedaagde] meent dat op grond van artikel 3:34 BW zowel de vennootschapsakte als de pachtovereenkomst vernietigbaar zijn, zodat de vorderingen van [eiser] niet voor toewijzing in aanmerking komen. [gedaagde] verwijst daarvoor naar de overgelegde medische documentatie waaruit blijkt dat hij ten gevolge van afasie in 2010 een beschadiging aan de hersenen heeft opgelopen. Voor zover de pachtovereenkomst niet voor vernietiging in aanmerking komt geldt dat de pachtovereenkomst in onderling overleg op 25 juni 2014 is geëindigd. Toen heeft er immers een gesprek plaats gevonden tussen partijen waarbij [gedaagde] heeft aangegeven dat de verhuurder op grond van artikel 9 van de huurovereenkomst het huurcontract wilde beëindigen. Partijen zijn toen overeengekomen dat de pachtovereenkomst per direct werd beëindigd. In die situatie is [gedaagde] (subsidiair) de huur verschuldigd van maart 2014 tot en met juni 2014. Meer subsidiair stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat de huurpenningen tot en met 15 september 2014 verschuldigd zijn. De verhuurder heeft immers de ontruiming op grond van artikel 9 van de huurovereenkomst gelast per 15 september 2014. Deze ontruiming was voor [gedaagde] volledig onvoorzienbaar. [gedaagde] meent aanspraak te kunnen maken op gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst met een beroep op artikel 6:258 BW.

[gedaagde] is geen boete verschuldigd uit hoofde van de vennootschapsakte. [eiser] miskent dat de vennootschap niet eenzijdig is ontbonden. Van enige overtreding van de bepalingen in de akte is geen sprake. [gedaagde] is voorts van mening dat de boeteclausule van de pachtovereenkomst niet inhoudt dat [gedaagde] per overtreding een boete is verschuldigd van € 5.000,00. Bij de totstandkoming van de overeenkomst is niet afzonderlijk over de boete onderhandeld. Partijen hebben een dergelijk (hoge) boete niet beoogd. De boete is ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW. De boete staat in geen verhouding tot de werkelijk geleden schade, de maandelijkse pachttermijn bedraagt immers niet meer dan € 250,00 per maand. Tot slot beroept [gedaagde] zich op matiging van de boete ex artikel 6:94 BW. [gedaagde] maakt bezwaar tegen de gevorderde rente en buitengerechtelijk incassokosten. De kosten zien op advocaatkosten en vallen onder een eventuele proceskosten veroordeling.

In reconventie

3.5.

[gedaagde] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, primair vernietiging van de overeenkomst tot het aangaan van de vennootschap onder firma en vernietiging van de pachtovereenkomstveroordeling en subsidiair gedeeltelijke ontbinding van de pachtovereenkomst vanaf 15 september 2014 en veroordeling van [eiser] om aan [gedaagde] te voldoen € 484,00 met veroordeling van [eiser] in de proceskosten en nakosten.

3.6.

Ter onderbouwing van die vordering verwijst [gedaagde] naar hetgeen in conventie als verweer is opgeworpen. De vennootschapsakte en de pachtovereenkomst zijn vernietigbaar op grond van artikel 3:34 BW. Subsidiair komt de pachtovereenkomst voor gedeeltelijke ontbinding in aanmerking, omdat de verhuurder op grond van artikel 9 van de huurovereenkomst ontruiming van het gehuurde heeft verlangd. [gedaagde] was daaraan gebonden. [eiser] is jegens [gedaagde] toerekenbaar tekortgeschoten. [gedaagde] heeft de kosten voldaan van het opstellen van de vennootschapsakte en de pachtovereenkomst. Tussen partijen is afgesproken dat [eiser] daarvan de helft zou voldoen, te weten een bedrag van € 484,00.

3.7.

[eiser] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In conventie en reconventie

4.1.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Beroep op artikel 21 Rv

4.2.

Artikel 21 Rv legt vast dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Houdt men zich niet aan de waarheidsplicht, dan kan de rechter volgens de tweede zin van deze bepaling daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Tussen partijen is in geschil of [eiser] zich samen met [gedaagde] op 17 januari 2014 heeft vervoegd bij de Kamer van Koophandel om de vennootschap onder firma per die datum te ontbinden. Tegenover de uitdrukkelijke ontkenning van de zijde van [eiser] heeft [gedaagde] erop gewezen dat het “opgaveformulier betreffende ontbinden samenwerkingsverband” van 17 januari 2014 is getekend door [eiser] . Die handtekening is niet door [eiser] betwist, zodat moet worden aangenomen dat het hier de handtekening van [eiser] betreft. Daarnaast heeft [gedaagde] nog overgelegd de rapportage identiteitscontrole van de Kamer van Koophandel waarop staat vermeld dat de documenthouder en het document (paspoort) zijn gecontroleerd onder meer door een fotovergelijking. De stelling van [eiser] dat hij geregeld het paspoort aan [gedaagde] ter beschikking heeft gesteld en [gedaagde] aldus het paspoort heeft gebruikt, komt de kantonrechter niet overtuigend voor. De kantonrechter is van oordeel dat op grond van het bovenstaande voldoende is komen vast te staan dat [eiser] op 17 januari 2014 met de ontbinding van de vennootschap heeft ingestemd. Dit vindt ook zijn bevestiging in de tussen partijen gesloten pachtovereenkomst van gelijke datum, waarin expliciet is opgenomen dat [eiser] zijn ondernemersactiviteiten wenst te beperken tot verpachting van zijn deel van de onderneming aan [gedaagde] . Voor een sanctionering als door [gedaagde] gevraagd ziet de kantonrechter evenwel geen aanleiding.

Beroep op artikel 3:33 BW (geestelijke stoornis)

4.3.

Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv is het aan degene die de verklaring aflegde om te stellen en zo nodig te bewijzen dat ten tijde van die verklaring zijn geestvermogens blijvend dan wel tijdelijk waren gestoord. Voorts zal degene die zich op een geestelijke stoornis beroept in beginsel overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv dienen aan te tonen dat als gevolg van die stoornis of in verband daarmee een met de verklaring overeenstemmende wil heeft ontbroken. Deze bewijsvoering ten aanzien van het causaal verband heeft de wetgever verlicht door het opnemen van een tweetal wettelijke vermoedens die in eerst in werking treden wanneer de verklarende heeft weten aan te tonen dat op het moment van de rechtshandeling zijn geestelijke vermogens waren gestoord. Een met de verklaring overeenstemmende wil wordt rechtens geacht te ontbreken indien de gestoorde bewijst dat:

a. de stoornis een redelijke waardering van de bij de rechtshandeling betrokken belangen belette of;

b. de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan.

De kantonrechter staat dan ook eerst voor de vraag of [gedaagde] heeft aangetoond dat op het moment van de door hem gedane verschillende rechtshandelingen (op 1 januari 2014 en 17 januari 2014) zijn geestelijke vermogens waren verstoord. [gedaagde] heeft daartoe medische informatie overgelegd. Uit die medische informatie komt het volgende beeld naar voren. [gedaagde] heeft op 18 februari 2010 een hersenbloeding gehad. Hij is als gevolg daarvan tijdelijk opgenomen geweest en behandeld bij Revalidatiecentrum [revalidatiecenturm] . [revalidatiecenturm] concludeert op 24 juni 2010 dat de gevolgen van de hersenbloeding heeft geleid tot een hemiparese rechts (Ktr: Hemiparese betekent een verzwakking aan één kant van het lichaam, verlamming), dysartrie (Ktr: spraakstoornis die betrekking heeft op de articulatie van de gesproken taal), afasie (Ktr: taal- en spraakgebrek ten gevolge van een hersenletsel, verstoord taalbegrip) en mogelijk cognitieve stoornissen. [gedaagde] is op 14 april 2010 onder bewind gesteld omdat aannemelijk is geworden dat hij als gevolg van zijn lichamelijke en/of geestelijke toestand niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Dit bewind is op 11 april 2012 opgeheven. Uit neurologisch onderzoek van 12 november 2014 blijkt dat sprake is van een helder bewustzijn, een taalprobleem, waarschijnlijk een ernstig gemengde afasie en een functieloze rechterarm. Maatschappelijk werk van [revalidatiecenturm] concludeert op 23 januari 2015 dat [gedaagde] nooit meer zal kunnen werken vanwege de halfzijdige verlamming maar ook door de afasie. Gesteld wordt dat [gedaagde] beperkt is in het begrijpen van taal hetgeen hem en zijn omgeving in de problemen kan brengen. De psycholoog bij [revalidatiecenturm] komt op 24 maart 2015 tot de conclusie dat sprake is van ernstige afasie met daarnaast aanwijzingen voor informatieverwerkingsproblemen en cognitieve problemen. Als gevolg daarvan begrijpt hij gesproken en geschreven teksten onvoldoende en zal hij de consequenties daarvan niet kunnen overzien. De revalidatiearts van [revalidatiecenturm] concludeert op 26 maart 2015 dat het auditief taalbegrip en het leesinhoudelijk taalbegrip is aangedaan. [gedaagde] kan door de stoornis geschreven documenten niet begrijpen, aldus de revalidatiearts. Nu de hierboven beschreven gebreken het gevolg zijn geweest van de hersenbloeding in 2010 gaat de kantonrechter ervan uit dat die gebreken zich ook ten tijde van het sluiten van de verschillende overeenkomsten in 2014 bestonden. De kantonrechter is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat [gedaagde] ten tijde van het sluiten van de vennootschapsovereenkomst, de huurovereenkomst en de pachtovereenkomst dusdanige gebreken had die (deels) zijn te kwalificeren als een geestelijke stoornis.

4.4.

Vervolgens is aan de orde de vraag of op basis van de feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat de stoornis een redelijke waardering van de bij de rechtshandeling betrokken belangen belette of de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan. Zodanige feiten en omstandigheden bestaan in dit geval onder meer in de aard van de stoornis, nu op basis van de door [gedaagde] overgelegde medische stukken moet worden vastgesteld dat hij niet in staat is als gevolg van zijn stoornis schriftelijke documenten te begrijpen en de reikwijdte daarvan te overzien. Dit wordt versterkt door het feit dat de rechtbank bij beschikking van 10 februari 2015 [gedaagde] opnieuw onder bewind heeft gesteld, omdat hij geacht wordt zijn vermogensrechtelijke belangen niet behoorlijk te kunnen waarnemen en niet in staat is om rekening en verantwoording te beoordelen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de stoornis een redelijke waardering van de bij de rechtshandelingen betrokken belangen belette. In dit verband is mede van belang de wijze waarop partijen en ook [A] met elkaar in zeer korte tijd wisselende contracten hebben gesloten. Immers eerst gaat [gedaagde] een vennootschap onder firma aan met [A] op 1 januari 2014, vervolgens met [eiser] op 1 januari 2014 ter zake dezelfde onderneming, terwijl 17 dagen later [eiser] zich overigens in strijd met de inhoud van de vennootschapsakte feitelijk terugtrekt uit de onderneming om vervolgens een pachtovereenkomst met [gedaagde] te sluiten. Nu een van onder a en b aangeduide situaties is komen vast te staan, geldt het vermoeden dat een met de verklaring overeenstemmende wil heeft ontbroken. Dat vermoeden, kan door de wederpartij niet meer worden weerlegd.

4.5.

In dat geval – waarin de stoornis en het causaal verband vast staan – heeft degene tot wie de verklaring is gericht nog de mogelijkheid van een beroep op art. 3:35 BW, zoals ook door [eiser] is gedaan. Ook voor een geestelijke gestoorde geldt immers dat hij zich niet op het ontbreken van een met zijn verklaring overeenstemmende wil kan beroepen wanneer zijn wederpartij redelijkerwijs heeft mogen aannemen dat die wil er wel was, hetgeen in deze context onder meer zal kunnen worden aangenomen in de reeds genoemde gevallen dat de stoornis voor de wederpartij niet kenbaar was of hij uit andere, bij normaal bewustzijn afgelegde, verklaringen van de feitelijke onbekwame heeft begrepen dat deze de verklaring wel degelijk heeft gewild. Of het vertrouwen dat de wederpartij (bij een meerzijdige rechtshandeling, zoals een overeenkomst) op grond van een verklaring of gedraging koestert, gerechtvaardigd is, is een vraag die wordt beantwoord aan de hand van, behalve de verklaring of gedraging zelf, een waardering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van alle feiten en omstandigheden van het geval. Het begrip feiten en omstandigheden moet hierbij ruim worden opgevat: daaronder vallen bijvoorbeeld de aard van de rechtshandeling, de voorgeschiedenis die partijen met elkaar hebben gehad, de branche- en handelsgebruiken in de betreffende sector en de hoedanigheid (opleidingsniveau, mate van professionaliteit, ervaring, culturele achtergrond, taalbeheersing, leeftijd, enz.) van zowel de verklarende partij als de vertrouwende partij, de onderlinge verhouding tussen die twee partijen, de context waarin de verklaring plaatsvindt, het resultaat waartoe een bepaalde uitleg van de verklaring of gedraging zou leiden. Ook feiten en omstandigheden die zich na het verrichten van de rechtshandeling voordoen, kunnen een aanwijzing vormen voor de beantwoording van de vraag of de andere partij gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen op de verklaring c.q. gedraging van de handelende partij.

De kantonrechter oordeelt verder als volgt. Vaststaat dat [gedaagde] noch zijn echtgenote, die eerder het bewind over [gedaagde] heeft gevoerd, aan [eiser] kenbaar hebben gemaakt dat bij [gedaagde] sprake was van een geestelijke stoornis. [eiser] heeft er onweersproken op gewezen dat [gedaagde] eerder de exploitatie van een pizzeria heeft gevoerd en er aldus op mocht vertrouwen dat [gedaagde] de reikwijdte van de overeenkomsten voldoende onderkende. [gedaagde] heeft ook, nadat de overeenkomsten tot stand waren gekomen de exploitatie van [naam] ter hand genomen. [gedaagde] heeft zelfstandig met de verhuurder de indeplaatstelling van de huurovereenkomst geregeld, de beëindiging van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde. Onder deze omstandigheden slaagt naar het oordeel van de kantonrechter het beroep van [eiser] op de vertrouwensleer als opgenomen onder artikel 3:35 BW. De overeenkomsten komen derhalve niet voor vernietiging in aanmerking nu, gelet op het bovenstaande, geen beroep kan worden gedaan op het ontbreken van een met de verklaring(en) overeenstemmende wil. Van misbruik van omstandigheden in relatie tot het bovengestelde is de kantonrechter evenmin gebleken.

Koopsom van € 15.000,00 en waarborgsom van € 1.500,00

4.6.

[eiser] vordert betaling van een bedrag van € 15.000,00, het bedrag dat [eiser] als koopprijs zou hebben voldaan aan [A] voor de overname van de helft van de onderneming [naam] . [eiser] stelt daartoe dat [gedaagde] , nadat partijen een vennootschap onder firma waren aangegaan, de onderneming op 17 januari 2014 zich heeft toegeëigend en als eenmanszaak heeft voortgezet zonder daartoe gerechtigd te zijn. [eiser] maakt aanspraak op de vergoeding op grond van artikel 3 van de pachtovereenkomst. [gedaagde] betwist dat sprake is van eenzijdige ontbinding van de vennootschapsovereenkomst en stelt dat de ontbinding in onderling overleg tot stand is gekomen en [eiser] ook medewerking heeft verleend aan inschrijving van die ontbinding bij de Kamer van Koophandel. Zoals onder overweging 4.2 is overwogen is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] op 17 januari 2014 heeft ingestemd met de ontbinding van de vennootschap bij de Kamer van Koophandel en aldus daaraan zijn medewerking heeft verleend. In die situatie bestaat geen rechtsgrond voor de vordering van [eiser] , afgezien nog van het feit dat niet is komen vast te staan dat [eiser] daadwerkelijk een bedrag van € 15.000,00 als koopsom aan [A] heeft voldaan. Dat [gedaagde] vervolgens de inventaris tot zich heeft genomen, maakt dat niet anders nu door [eiser] onvoldoende is gesteld omtrent de waarde van de inventaris.

4.7.

Maar ook in de door [eiser] voorgestane situatie komt de vordering niet voor toewijzing in aanmerking. Veronderstellenderwijs dat [eiser] niet zou hebben ingestemd met de omzetting van de vennootschap onder firma naar een eenmanszaak dan geldt als uitgangspunt voor de schadeberekening dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand wordt gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Dit brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die vermoedelijk zou zijn geweest indien de schadeveroorzakende gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden. In dat geval zou de vennootschap onder firma zijn voortgezet tot in ieder geval tot 15 september 2014, de datum van ontruiming van het gehuurde en het beëindigen van de exploitatie van de onderneming, zodat alsdan op basis van de bepalingen in de vennootschapsakte tussen partijen afgerekend dient te worden. Nu onweersproken is gesteld dat de onderneming verlies lijdt, is er dan ook geen plaats voor een uitkering aan [eiser] uit het vermogen van de vennootschap. Het beroep op artikel 3 van de pachtovereenkomst baat [eiser] evenmin nu daarin geen verplichting tot koop van het aandeel van [eiser] in de vennootschap is opgenomen, maar slechts een optie tot koop. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat dit onderdeel van de vordering dient te worden afgewezen.

4.8.

Ook de vordering tot betaling van de een bedrag van € 1.500,00, gelijk aan het bedrag dat [eiser] stelt te hebben betaald aan [A] voor de borg van het gehuurde, komt niet voor toewijzing in aanmerking. Uit de koopovereenkomst tussen [eiser] en [A] volgt dat [eiser] zich heeft verplicht € 1.481,25 terzake de helft van de betaalde borgsom aan [A] te voldoen. [eiser] stelt dat hij een bedrag van € 1.500,00 heeft betaald. [gedaagde] betwist dat dit bedrag is betaald. Het had op de eerste plaats op de weg van [eiser] gelegen aan te tonen, middels een betalingsbewijs, dat hij dit bedrag inderdaad heeft voldaan aan [A] . Dat heeft hij niet gedaan. Reeds op die grond moet de vordering worden afgewezen. Vaststaat bovendien dat de huurovereenkomst van het gehuurde op naam staat van [gedaagde] en niet is gesteld noch gebleken dat partijen terzake de door [eiser] mogelijk aan [A] betaalde borg nadere afspraken hebben gemaakt omtrent enige verrekening.

Boete ex artikel 17 van de vennootschapsakte

4.9.

[eiser] vordert betaling van een boete van € 10.000,00 op grond van artikel 17 van de vennootschapsakte. De boete is verschuldigd indien een der partijen met zijn verplichtingen uit de overeenkomst in gebreke blijft. Grondslag van de vordering ziet op het eenzijdig toe-eigenen van de onderneming en het staken van de onderneming zonder daartoe gerechtigd te zijn. Zoals onder overweging 4.2 en 4.6 is overwogen is de kantonrechter van oordeel dat vast is komen te staan dat [eiser] op 17 januari 2014 heeft ingestemd met de ontbinding van de vennootschap bij de Kamer van Koophandel en aldus daaraan zijn medewerking heeft verleend. Alsdan is van een overtreding van enige verplichting uit hoofde van de vennootschapsakte geen sprake en dient de vordering te worden afgewezen.

Huurpenningen uit hoofde van pachtovereenkomst

4.10.

Op 17 januari 2014 hebben partijen een pachtovereenkomst gesloten, waarbij uitdrukkelijk is opgenomen dat [eiser] zijn ondernemersactiviteiten wenst te beperken tot verpachting van zijn deel van de onderneming. De pachtovereenkomst is aangegaan voor de duur van een periode van 18 maanden tegen een maandelijkse verplichting van € 250,00. Vaststaat dat [gedaagde] slechts een maand termijn heeft voldaan en derhalve in verzuim is geraakt. [gedaagde] is dan ook in beginsel gedurende de gehele looptijd van de pachtovereenkomst huurpenningen verschuldigd. [gedaagde] voert aan dat hij slechts gehouden is tot betaling van de huurpenningen tot 25 juni 2014 dan wel 15 september 2014. [gedaagde] stelt daartoe dat op eind juni 2015 in overleg met [eiser] de pachtovereenkomst per direct is beëindigd in verband met een aanzegging van de verhuurder op grond van artikel 9 van de huurovereenkomst tot ontruiming vanwege een door de gemeente Blaricum aangezegde sloop en renovatie van het winkelcentrum [winkelcentrum] , waarin het gehuurde zich bevindt. Voor zover het bovenstaande niet komt vast te staan dient de pachtovereenkomst met ingang van 15 september 2014 als beëindigd te worden beschouwd op grond van de ontruiming per die datum als gevolg van het door de verhuurder ingeroepen artikel 9 van de huurovereenkomst. Verder stelt [gedaagde] dat de huurovereenkomst geheel buiten de macht van [gedaagde] niet kon worden voortgezet, het bedrijf verliesgevend was en dat de beëindiging onvoorzienbaar was op grond waarvan hij ex artikel 6:258 BW gedeeltelijke ontbinding vordert van de pachtovereenkomst op. [eiser] betwist uitdrukkelijk dat hij heeft ingestemd met beëindiging van de pachtovereenkomst. De kantonrechter is van oordeel dat gelet op de uitdrukkelijke betwisting van de zijde van [eiser] [gedaagde] moet worden toegelaten tot het bewijs dat tussen partijen op eind juni 2014 is overeengekomen dat de pachtovereenkomst per direct is beëindigd. Indien [gedaagde] in het bewijs slaagt zal hij worden veroordeeld tot betaling van de huurpenningen over de periode maart 2014 tot en met juni 2014, zijnde een bedrag van € 1.000,00.

4.11.

Voor zover [gedaagde] niet zal slagen in het bewijs is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] gehouden is de huurpenningen te voldoen over de gehele periode van nog 17 maanden, derhalve tot een bedrag van € 4.250,00. De kantonrechter is alsdan van oordeel dat de beëindiging van de huurovereenkomst met de verhuurder voor rekening en risico dient te komen van [gedaagde] . Daar doet niet aan af dat de noodzakelijke ontruiming buiten de macht van [gedaagde] tot stand is gekomen op grond van het bepaalde in artikel 9 van de huurovereenkomst. In de huurovereenkomst is bepaald dat [gedaagde] ten behoeve van zijn onderneming de exploitatie kan voortzetten in een noodunit en na voltooiing van de renovatie van het winkelcentrum kan voortzetten in een nieuw te verkrijgen locatie. Dat [gedaagde] daarvan mede op grond van de exploitatieresultaten geen gebruik wil maken, valt onder het ondernemersrisico en kan niet aan [eiser] worden tegengeworpen. Van een onvoorziene omstandigheid als bedoeld in artikel 6:258 BW is naar het oordeel van de kantonrechter evenmin sprake. Immers in de huurovereenkomst tussen [gedaagde] en de verhuurder is de door [gedaagde] gestelde onvoorziene omstandigheid nu juist verdisconteerd, zodat [gedaagde] bij het sluiten van de pachtovereenkomst met [eiser] bekend was met de mogelijkheid van voortijdige beëindiging/ontruiming van het gehuurde. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen bij het sluiten van de pachtovereenkomst daarmede rekening te houden. Dit betekent dat de vordering in reconventie van [gedaagde] tot gedeeltelijke ontbinding van de pachtovereenkomst (in die situatie) zal moeten worden afgewezen.

Boete ex artikel 3 onder d van de pachtovereenkomst

4.12.

[eiser] vordert betaling van een bedrag van € 50.000,00 op grond van de in de pachtovereenkomst opgenomen boeteclausule onder artikel 3 onder d. De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in zijn verweer dat [eiser] naast nakoming slechts bevoegd is om van [gedaagde] een bedrag te vorderen per overtreding, maar dat dit niet betekent dat [gedaagde] een dergelijke boete ook verschuldigd is. Het bepaalde in artikel 3 onder bevat naar het oordeel van de kantonrechter onmiskenbaar een boete clausule, inhoudende dat bij elke overtreding [eiser] bevoegd is een bedrag van € 5.000,00 te vorderen. In hoeverre een dergelijke vordering in volle omvang kan worden toegewezen zal hieronder worden besproken. [gedaagde] voert aan dat het boetebeding onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 BW), dan wel dat de boete dient te worden gematigd (art. 6:94 BW). Het boetebeding is buitensporig, uitermate onereus en gelet op alle omstandigheden, waaronder de geestelijke stoornis van [gedaagde] , het gebrekkig taalbegrip in het Nederlands, de gedwongen ontruiming door de verhuurder, en het ontbreken van enig inkomen onaanvaardbaar. [eiser] vordert voor 8 maanden (maart 2014 t/m oktober 2014) niet voldoen van de huurpenningen een boete van 8 maal € 5.000,00 en voor het staken van de onderneming in juli en augustus 2014 en het volledig staken van de onderneming een boete van 2 maal € 5.000,00. De kantonrechter is van oordeel dat een boeteclausule in de overeenkomst op zich zelf niet onaanvaardbaar is. De kantonrechter is wel van oordeel dat toepassing van het boete beding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. De kantonrechter let daarbij op de verhouding tussen de werkelijke schade (minimaal de € 1.000,00 en maximaal € 4.500,00) en de hoogte van de gevorderde boete (€ 50.000,00), maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. Vaststaat dat partijen hun rechtsverhouding in een zeer korte periode van 17 dagen hebben gewijzigd van een vennootschap onder firma in een pachtovereenkomst. De kantonrechter houdt rekening met hetgeen onder overweging 4.4 is overwogen terzake de vast gestelde geestelijke stoornis, het gebrekkig taalbegrip van [gedaagde] . Daarnaast houdt de kantonrechter rekening met het feit dat voorafgaand aan het sluiten van de pachtovereenkomst bij partijen bekend was dat de onderneming slecht liep. De kantonrechter zal het boete beding bij eindbeslissing naar redelijkheid en billijkheid matigen op een bedrag van € 250,00 per overtreding.

4.13.

De kantonrechter houdt de verdere beslissing over de gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten aan.

4.14.

[gedaagde] vordert betaling in reconventie van een bedrag van € 484,00, zijnde de helft van de kosten voor het opstellen van de vennootschapsakte en de pachtovereenkomst. Deze kosten zijn door hem voorgeschoten. Partijen zijn van mening dat het hier gaat om kosten ten laste van de vennootschap onder firma. Niet aangetoond is dat deze kosten door [gedaagde] zijn gedragen, zodat de vordering op die grond niet voor toewijzing in aanmerking komt.

Conclusie

4.15.

In conventie zal de vordering tot betaling van de koopsom (€ 15.000,00) en de waarborgsom (€ 1.500,00), tot betaling van de boete ex art 17 van de vennootschapsakte (€ 10.000,00) bij eindbeslissing worden afgewezen. De gevorderde boete ex artikel 3 van de pachtovereenkomst zal worden gematigd.

Terzake de gevorderde achterstallige huurpenningen zal [gedaagde] worden toegelaten tot bewijslevering van de gestelde beëindiging van de pachtovereenkomst per 25, althans eind, juni 2014 als overwogen onder overweging 4.10.

Voor het overige zal verder bij eindbeslissing worden geoordeeld.

4.16.

In reconventie zal de vordering tot vernietiging van de vennootschapsakte en de pachtovereenkomst bij eindbeslissing worden afgewezen.

De subsidiaire vordering tot gedeeltelijke ontbinding van de pachtovereenkomst zal bij eindbeslissing worden afgewezen.

De vordering tot betaling van een bedrag van € 484,00 zal bij eindbeslissing worden afgewezen.

Bewijsopdracht

4.17.

Indien [gedaagde] het bewijs (mede) wenst te leveren door schriftelijke stukken of andere gegevens, dient hij deze afzonderlijk bij akte in het geding te brengen. Indien [gedaagde] het bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, dient hij dit in de akte te vermelden en de verhinderdata op te geven van alle partijen en van de op te roepen getuigen. De rechtbank zal dan vervolgens een dag en uur voor een getuigenverhoor bepalen.

Partijen moeten bij de getuigenverhoren in persoon aanwezig zijn. Indien een partij zonder gegronde reden niet verschijnt, kan dit nadelige gevolgen voor die partij hebben.

De kantonrechter verwacht dat het verhoor per getuige minimaal 30 minuten, maximaal 90 minuten zal duren. Als [gedaagde] verwacht dat het verhoor van een getuige langer zal duren dan de hiervoor vermelde duur, kan dat in de te nemen akte worden vermeld.

5 De beslissing

De kantonrechter:

draagt [gedaagde] op om te bewijzen dat partijen op 25 juni althans eind juni 2014 hebben afgesproken dat de pachtovereenkomst per direct is beëindigd;

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 5 augustus 2015 te 11.00 uur teneinde [gedaagde] in de gelegenheid te stellen bij akte aan te geven op welke wijze hij bewijs wil leveren;

bepaalt dat, indien [gedaagde] (mede) bewijs wil leveren door middel van schriftelijke bewijsstukken, hij die stukken op die rolzitting in het geding moet brengen;

bepaalt dat, indien [gedaagde] bewijs wil leveren door middel van het horen van getuigen, hij op die rolzitting:

- de namen en woonplaatsen van de getuigen dient op te geven;

- moet opgeven op welke dagen alle partijen, hun (eventuele) advocaten/gemachtigden en de getuigen in de drie maanden nadien verhinderd zijn; hij@zij dient bij die opgave ten minste vijftien dagdelen vrij te laten waarop het getuigenverhoor zou kunnen plaatsvinden;

bepaalt dat:

- voor het opgeven van verhinderdata geen uitstel zal worden verleend;

- indien [gedaagde] geen gebruik maakt van de mogelijkheid om verhinderdata op te geven de rechter eenzijdig een datum zal bepalen waarvan dan in beginsel geen wijziging meer mogelijk is;

- het getuigenverhoor zal kunnen worden bepaald op een niet daarvoor opgegeven dagdeel, indien bij de opgave minder dan het hiervoor verzochte aantal dagdelen zijn vrijgelaten;

bepaalt dat de datum van het getuigenverhoor in beginsel niet zal worden gewijzigd nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2015.