Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5316

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-07-2015
Datum publicatie
20-07-2015
Zaaknummer
UTR 14/7693
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wob; veiligheid van de staat; beveiligingsmaatregelen; prive gebruik koning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 14/7693

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 juli 2015 in de zaak tussen

RTL Nederland, te Hilversum, eiseres

(gemachtigden: P. Klein en R.J.E. Vleugels)

en

de Minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigden: mr. A.C. de Winter en mr. E.V. van Kloppen).

Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder een aantal documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt, naar aanleiding van het verzoek van eiseres van 20 augustus 2014 om informatie te verstrekken over schriftelijke afspraken met betrekking tot het privégebruik van de steiger bij de vakantiewoning van de Koning in Griekenland op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Bij besluit van 18 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft de gedingstukken aan de rechtbank doen toekomen en daarbij verzocht om onder toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de niet openbaar gemaakte stukken te bepalen dat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis mag nemen. Eiseres heeft de rechtbank toestemming verleend om op grondslag van de geheime stukken uitspraak te doen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Verweerder is in de gelegenheid gesteld om na de zitting nadere stukken in te dienen. Eiseres heeft de rechtbank toestemming verleend om deze stukken bij de beoordeling te betrekken. Verweerder heeft op 5 juni 2015 de stukken aan de rechtbank toegezonden. Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres heeft bij verzoek van 20 augustus 2014 verzocht om openbaarmaking van de schriftelijke afspraken met betrekking tot de verrekening van het privégebruik van de steiger bij de vakantiewoning van de Koning in Griekenland. In beroep heeft eiseres het geschil beperkt tot het in artikel 14.3 van de overeenkomst van 4 juni 2014 tussen Staat en Koning opgenomen totaalbedrag van de kosten die zijn gemoeid met de realisatie van de steiger.

2. Bij het primaire besluit van 19 september 2014, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 18 november 2014, heeft verweerder het verzoek afgewezen op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wob omdat bij openbaarmaking van het in artikel 14.3 van de overeenkomst tussen de Staat en de Koning opgenomen totaalbedrag van de kosten voor de steiger de veiligheid van de Staat in het geding is. Met het openbaar maken van het totaalbedrag kan volgens verweerder inzicht worden verkregen in het beschermingsniveau dat wordt geboden. Ook wordt het verzoek om de kosten openbaar te maken van de realisatie van de steiger, exclusief de kosten van de getroffen beveiligingsmaatregelen, om die reden niet ingewilligd. Als openbaar wordt gemaakt welk bedrag de Koning aan de steiger betaalt, is gelet op de openbaar gemaakte afgesproken kostenverdeling (50/50) tussen de Staat en de Koning het bedrag van de getroffen beveiligingsmaatregelen vervolgens makkelijk vast te stellen. Verder heeft verweerder aan de weigering ten grondslag gelegd dat bij openbaarmaking sprake is van bedreiging van de persoonlijke levenssfeer en van onevenredige benadeling, zoals bedoeld in respectievelijk artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob.

3. Eiseres kan zich niet vinden in het bestreden besluit en heeft - kort weergegeven - aangevoerd dat niet valt in te zien dat wel de kostenverdeling openbaar wordt gemaakt, maar niet het bedrag dat met de bouw van de steiger is gemoeid. Volgens eiseres valt niet in te zien hoe openbaarmaking van het totaalbedrag helderheid over de beschermingsmaatregelen zou kunnen geven. Bovendien stelt eiseres dat als het totaalbedrag niet wordt vrijgegeven, dan ten minste de kosten van de steiger min de kosten van beveiliging kunnen worden vrijgegeven.

4. De rechtbank overweegt dat het recht op openbaarmaking van informatie op grond van de Wob het belang dient van een goede en democratische bestuursvoering. Voorop staat het belang van openbaarmaking. De in artikel 10 van de Wob genoemde uitzonderingsgronden ten aanzien van dit beginsel moeten volgens vaste rechtspraak restrictief worden uitgelegd.

5. Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen te hebben van de door verweerder ingestuurde vertrouwelijke stukken komt de rechtbank tot het oordeel dat de grond de ‘veiligheid van de Staat’ de weigering het totaalbedrag van de kosten van de steiger openbaar te maken, kan dragen. Hiertoe acht de rechtbank redengevend dat verweerder ter zitting nader heeft toegelicht dat de steiger zelf de beveiligingsmaatregel is nu deze is gebouwd ter beveiliging van de Koning en dat alle kosten die met de bouw van de steiger zijn gemoeid, kosten voor beveiliging zijn. Informatie over de kosten hiervan zou inzage geven in het beschermingsniveau van de Koning en zijn omgeving. Het komt de rechtbank, mede gelet op het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde advies/oordeel van de Nationaal Coördinator Terrorisme bestrijding en Veiligheid, aannemelijk voor dat openbaarmaking van het bedrag daadwerkelijk kan leiden tot meer inzicht in het getroffen beveiligingsniveau. Bovendien valt naar het oordeel van de rechtbank uit de stukken niet af te leiden dat niet alle kosten van de bouw van de steiger aan beveiliging zijn toe te rekenen. Verweerder heeft dan ook artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wob aan de weigering om de totale kosten van de realisatie van de steiger openbaar te maken, ten grondslag mogen leggen.

6. De rechtbank overweegt vervolgens dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de kosten die de Koning betaalt voor het privégebruik van de steiger behoren tot de persoonlijke levenssfeer van de Koning. De rechtbank stelt daarbij echter voorop dat openbaarmaking van de privé uitgaven van de Koning niet per definitie geweigerd mag worden, maar dat daarbij op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob een belangenafweging moet worden gemaakt, waarbij het belang van de Koning bij eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer moet worden afgezet tegen het algemeen belang bij openbaarmaking.

7. De rechtbank constateert daarbij echter dat, doordat verweerder in het primaire besluit de kostenverdeling tussen de Staat en de Koning openbaar heeft gemaakt, het openbaar maken van het bedrag dat de Koning bijdraagt tot gevolg heeft dat het totaalbedrag van de steiger eenvoudig te herleiden is. Nu aan het openbaar maken van het totaalbedrag het belang van de veiligheid van de Staat in de weg staat, kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat het openbaar maken van het bedrag dat de Koning betaalt, eveneens geweigerd moet worden. Openbaarmaking ervan zou immers strijd opleveren met de absolute weigeringsgrond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wob. De rechtbank stelt vast dat door deze handelswijze van verweerder geen plaats meer is voor het kunnen maken van een belangenafweging, zoals artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob vereist.

8. Gelet op het voorgaande kan in het midden blijven of verweerder het verzoek van eiseres ook heeft kunnen weigeren op de grond dat het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van een onevenredige benadeling van bij de aangelegenheid betrokken personen.

9. Wat eiseres overigens heeft aangevoerd kan niet leiden tot een ander oordeel.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, voorzitter, en mr. M.C. Stoové en

mr. B. Rademaker, leden, in aanwezigheid van mr. M. Landwaart-Ekkelenkamp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.