Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5196

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-08-2015
Datum publicatie
02-09-2015
Zaaknummer
C-16-384457 - HA ZA 15-106
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vraag of op rechtsgeldige wijze mededeling is gedaan van verpanding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2015-0309
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/384457 / HA ZA 15-106

Vonnis van 12 augustus 2015

in de zaak van

HENDERIKUS JOHANNES GROOT,

wonende te Groningen ,

eiser,

advocaat mr. C.H. Beuker te Groningen,

tegen

naamloze vennootschap

SNS BANK N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. K. Heemrood-van Dijk te Utrecht

Partijen zullen hierna de curator en SNS genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 6 mei 2015

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 25 juni 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

De curator vordert – samengevat en na vermindering van eis ter comparitie – een verklaring voor recht dat de tegoeden op een beleggingsrekening rechtsgeldig aan de curator zijn verpand, alsmede veroordeling van SNS tot betaling van € 120.080,00, vermeerderd met rente en kosten. De curator legt aan zijn vordering ten grondslag dat SNS uitkering aan een rekeninghouder heeft gedaan terwijl de tegoeden op de betreffende beleggingsrekening aan de curator waren verpand.

2.2.

SNS voert verweer en stelt -sterk verkort- dat de curator niet rechtsgeldig mededeling heeft gedaan van het gevestigde pandrecht.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 Het geschil en de beoordeling

3.1.

De curator heeft op 2 april 2012 een vaststellingsovereenkomst getekend met [A] . In deze vaststellingsovereenkomst is onder meer de verplichting van [A] opgenomen om ten behoeve van de curator een pandrecht te vestigen op -kort gezegd- de beleggingsrekening van [A] bij SNS.

3.2.

Op 2 april 2012 heeft [A] bij notariële akte ten behoeve van de curator een pandrecht gevestigd op de beleggingsrekening.

3.3.

Het geschil draait om de uitleg van de brief die de curator op 5 april 2012 aan SNS heeft verstuurd. De inhoud van deze brief luidt -voor zover hier van belang- als volgt:

In de vaststellingsovereenkomst voornoemd, is echter ook bepaald dat de effectenportefeuille van [A] aan de curator wordt verpand. Deze verpanding is opgenomen in de pandakte die u in concept bijgaand treft (bijlage 4). Een kopie van de definitieve geregistreerde akte zal ik u zo spoedig mogelijk doen toekomen.

Deze brief kunt u dan ook beschouwen als een mededeling van het pandrecht ex art. 3:246 lid 1 BW. Ik wijs u er uitdrukkelijk op dat, nu mededeling is gedaan, u slechts bevrijdend aan de curator kunt betalen.

3.4.

Een mededeling zoals bedoeld in artikel 3:246 lid 1 BW is vormvrij. Partijen zijn het erover eens dat als de curator in zijn brief had volstaan met de mededeling zoals verwoord in de tweede alinea, er sprake zou zijn geweest van een rechtsgeldige mededeling. SNS stelt echter dat zij deze mededeling terzijde mocht leggen, omdat uit de daaraan voorafgaande alinea ondubbelzinnig blijkt dat het pandrecht nog niet was gevestigd. SNS heeft deze alinea aldus begrepen dat in de toekomst een pandrecht gevestigd zou gaan worden, dat daarom alleen nog maar een concept-akte beschikbaar was, en dat zodra het pandrecht gevestigd zou zijn de curator hiervan mededeling zou doen door toezending van de definitieve akte. Deze heeft SNS echter nooit ontvangen.

3.5.

SNS stelt terecht dat zij zich niet hoeft te verdiepen in de rechtsverhoudingen tussen haar rekeninghouders en derden en dat er dus ook geen onderzoeksplicht rust op SNS ter zake de vraag of er al dan niet rechtsgeldig een pandrecht tot stand is gekomen. Nu de curator in zijn brief uitdrukkelijk schrijft dat er sprake was van een mededeling als bedoeld in art. 3:246 lid 1 BW en ook dat slechts aan hem bevrijdend kon worden betaald, was het daarom dus ook niet aan SNS om op basis van haar interpretatie van de voorgaande alinea (die inderdaad ook gelezen kan worden op de door SNS bepleitte wijze) de conclusie te trekken dat er nog geen pandrecht tot stand was gekomen.

3.6.

SNS stelt subsidiair dat de mededeling geen doel heeft getroffen, omdat de mededeling niet ziet op de juiste verpanding. Zij voert daartoe aan dat de mededeling ziet op de concept-akte en niet op de definitieve akte. Omdat de bank niet bekend was met de definitieve akte, kon de mededeling daar niet op zien, aldus de bank. Dit verweer slaagt niet. Uit de brief van 5 april 2012 blijkt dat de mededeling ziet op de verpanding van de effectenportefeuille van [A] . Anders dan in de jurisprudentie waar de bank naar verwijst, is er dus geen misverstand over de goederen waarop het pandrecht is gevestigd.

3.7.

SNS stelt tot slot dat onduidelijk blijft of de curator voornemens was een stil pandrecht of een openbaar pandrecht te vestigen. Dit verweer is in de kern gebaseerd op het uitgangspunt dat op 5 april 2012 nog geen pandrecht was gevestigd, en slaagt reeds daarom niet.

3.8.

Nu vaststaat dat in de brief van 5 april 2012 mededeling is gedaan van het pandrecht, hoeft niet meer te worden onderzocht of het bestaan van het pandrecht ook ter sprake is geweest tijdens latere telefonische contacten tussen (medewerkers van) de curator en SNS.

Schade

3.9.

Ondanks het gevestigde pandrecht heeft SNS een bedrag van € 120.080,-- uitgekeerd aan [A] . Partijen zijn ter comparitie overeengekomen dat dit bedrag om redenen van proces-economie aan de curator kan worden toegewezen indien de rechtbank zou vaststellen dat er op rechtsgeldige wijze mededeling is gedaan van het pandrecht. Partijen zijn daarbij voorts overeengekomen dat het uiteindelijk te betalen bedrag door hen later in onderling overleg zal worden vastgesteld en dat waar nodig verrekening zal plaats vinden.

3.10.

De rechtbank zal de wettelijke rente toewijzen op de wijze zoals gevorderd.

3.11.

SNS zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op:

- dagvaarding € 94,19

- griffierecht 285,00

- salaris advocaat 2.842,00 (2,0 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 3.221,19

3.12.

De nakosten, waarvan de curator betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

Uitvoerbaar bij voorraad

3.13.

Overeenkomstig het gezamenlijk verzoek van partijen zal de rechtbank dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

verklaart voor recht dat de bankrekening van de heer [A] met nummer [rekeningnummer] en de SNS participatiecertificaten van de heer [A] die onder dit nummer door SNS werden geadministreerd, in april 2012 rechtsgeldig aan de curator zijn verpand,

4.2.

verklaart voor recht dat de door SNS na april 2012 gedane (schade)uitkeringen van de aan de curator verpande bankrekening en ter zake de aan de curator verpande SNS Participatiecertificaten aan een ander dan de curator, niet bevrijdend is geweest,

4.3.

veroordeelt SNS om aan de curator te betalen een bedrag van € 120.080,00 (éénhonderdtwintig duizendtachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 april 2014 tot de dag van volledige betaling,

4.4.

veroordeelt SNS in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 3.221,19, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 augustus 2015 tot de dag van volledige betaling,

4.5.

veroordeelt SNS, onder de voorwaarde dat zij na onherroepelijk worden van dit vonnis niet binnen 14 dagen na aanschrijving door de curator volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 131,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening.

4.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2015.1

1 type: LdW/878coll: