Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5119

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-06-2015
Datum publicatie
03-08-2015
Zaaknummer
4095471
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Concurrentiebeding geschorst. Schriftelijkheidsvereiste. Positieverbetering werkneemster met administratieve werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1439
AR-Updates.nl 2015-0729
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 4095471 UV EXPL 15-200 WL/1132

Kort geding vonnis van 25 juni 2015

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. L.A.M. Hartman,

tegen:

de besloten vennootschap

EGRO B.V.,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen Egro,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. J.P. Koets.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiser]

  • -

    de pleitnota van Egro.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

[eiser] is op 19 juli 2010 in dienst getreden van (de rechtsvoorganger van) Egro in de functie van management-assistent. De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is verlengd per 19 oktober 2010 en per 19 april 2011. Per 19 april 2012 is de arbeidsovereenkomst stilzwijgend omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het laatstgenoten salaris bedraagt € 1.386,10, te vermeerderen met 8 % vakantietoeslag.

2.2.

In het door partijen ondertekende aanhangsel bij de arbeidsovereenkomst van 19 april 2011 is in artikel 5 onder d opgenomen:

“De werknemer is niet bevoegd om binnen 1 jaar bij een concurrerend bedrijf van de werkgever of een soortgelijk bedrijf als de werkgever te werken of van adviezen of informatie te voorzien. Dit geldt ook voor een bedrijf dat de werknemer zelf op start. Verder is de werknemer niet bevoegd om productietechnieken of productieprocedure in de ruimste zin buiten het bedrijf van de werkgever te gebruiken.

Werknemer verplicht zich om gedurende een periode van één jaar na het einde van de dienstbetrekking direct noch indirect, noch voor zichzelf, noch voor anderen in enigerlei vorm werkzaam of betrokken te zijn in of bij enige onderneming met activiteiten op een terrein gelijk aan of concurrerend met dat van werkgever, of daarmede op enigerlei wijze direct of indirect gelieerde ondernemingen, noch daarbij zijn bemiddeling in welke vorm dan ook, direct of indirect, te verlenen. Verder is de werknemer niet bevoegd om productietechnieken of productieprocedure in de ruimste zin buiten het bedrijf van de werkgever te gebruiken.”

2.3.

[eiser] heeft op 31 maart 2015 in een telefoongesprek met de heer [A] , directeur van Egro, de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 mei 2015. Zij heeft Egro daarbij op de hoogte gesteld van haar voornemen om in dienst te treden bij [bedrijf] . (hierna: [bedrijf] ). Egro heeft bij die gelegenheid medegedeeld dat [eiser] gebonden is aan het concurrentiebeding, welk standpunt zij bij brief van 20 april 2015 nogmaals schriftelijk heeft bevestigd.

2.4.

Tussen [bedrijf] en [eiser] is als gevolg van het concurrentiebeding (vooralsnog) geen arbeidsovereenkomst tot stand gekomen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] verzoekt - kort gezegd - primair het concurrentiebeding te vernietigen dan wel te schorsen, alsmede Egro te veroordelen tot betaling van een vergoeding van € 1.924,67 bruto per maand voor de periode tussen 1 mei 2015 en het moment dat [eiser] haar werkzaamheden bij een nieuwe werkgever kan aanvangen.

Subsidiair verzoekt [eiser] om een door Egro te betalen vergoeding van € 1.924,67 bruto per maand op te leggen voor de periode vanaf 1 mei 2015 tot en met 30 april 2016.

3.2.

Ter onderbouwing van de vordering stelt [eiser] allereerst dat het beding niet rechtsgeldig is overeengekomen nu niet is voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste. Voorts stelt [eiser] dat Egro geen belang heeft bij een beroep op het concurrentiebeding gezien haar functie en de kennis en dat zij door de inhoud van het beding teveel wordt beperkt in haar mogelijkheden om elders een dienstverband te verwerven.

3.3.

Egro heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op de inhoud daarvan zal hierna - voor zover van belang - worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Met de stelling van [eiser] dat zij een haar aangeboden dienstverband bij [bedrijf] niet kan accepteren door de gestelde werking van het concurrentiebeding is het voor deze procedure vereiste spoedeisend belang gegeven.

4.2.

Vooropgesteld wordt dat voor toewijzing van een voorziening zoals door [eiser] wordt gevorderd, het in hoge mate waarschijnlijk moet zijn dat een gelijkluidende vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen. Beoordeeld dient dus te worden of al dan niet aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat het beding vernietigd dient te worden. Daarbij is overigens van belang dat het kort geding is bedoeld om een ordemaatregel te treffen, en er derhalve geen ruimte is voor een constitutieve uitspraak als vernietiging van een beding. Voor zover [eiser] vernietiging van het beding vordert stuit dit reeds hierop af.

4.3.

[eiser] heeft allereerst betoogd dat het concurrentiebeding geen gelding meer heeft, nu partijen dit beding niet opnieuw schriftelijk zijn overeengekomen bij aanvang van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Alhoewel dat standpunt wel steun vindt in recente jurisprudentie, blijkt dat de vraag of het schriftelijkheidsvereiste met zich brengt dat in het geval van stilzwijgende voortzetting het concurrentiebeding zijn gelding verliest door de verschillende gerechten in overwegende mate negatief wordt beantwoord. De kantonrechter sluit zich aan bij deze laatste opvatting. In dit geval is de arbeidsovereenkomst stilzwijgend voortgezet van bepaalde naar onbepaalde tijd. Zolang daarbij geen sprake is van een zodanige wijziging van de essentialia van de arbeidsovereenkomst dat deze als nieuwe overeenkomst moet worden aangemerkt, blijven de eerder (schriftelijk) overeengekomen voorwaarden, waaronder het concurrentiebeding, van toepassing. Nu door [eiser] geen feiten of omstandigheden zijn gesteld waaruit zou blijken dat de overeenkomst voor onbepaalde tijd als een nieuwe overeenkomst zou moeten worden aangemerkt, is zij gebonden aan het concurrentiebeding. De enkele omstandigheid dat zij de schriftelijke overeenkomst die Egro haar in maart 2015 heeft voorgelegd niet heeft willen ondertekenen in verband met het daarin opgenomen concurrentie- en relatiebeding maakt dat niet anders, nu voor de beoordeling slechts de situatie op het moment van de voortzetting voor onbepaalde tijd, te weten in april 2012, van belang is.

4.4.

Vervolgens dient aan de orde te komen of [bedrijf] aangemerkt dient te worden als concurrent van Egro. Indien dit niet het geval is staat het concurrentiebeding immers niet aan een dienstverband in de weg. Uit de in het geding gebrachte bedrijfsomschrijvingen en de stellingen van partijen blijkt dat beide ondernemingen gevestigd zijn in de provincie Utrecht en - kort gezegd - als groothandel (onder meer) vlees(producten) en gevogelte leveren aan horecaondernemingen. Landelijk gezien betreft dit een markt waarop, inclusief Egro en [bedrijf] , tussen de tien en vijftien ondernemingen actief zijn. Onder deze omstandigheden moet [bedrijf] geacht worden een concurrent van Egro te zijn. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat, zoals [eiser] stelt, beide bedrijven dusdanig andere segmenten van de markt bedienen dat ze niet als concurrenten kunnen worden aangemerkt, aangezien zij beiden ook het middensegment tot hun klantenkring rekenen.

4.5.

Daarmee ligt de vraag voor of de uitkomst van een belangenafwezig uitvalt in het voordeel van [eiser] . Daarbij moet enerzijds rekening gehouden worden met de mogelijkheid tot positieverbetering aan de zijde van [eiser] , hetgeen blijkt uit het aanbod van [bedrijf] dat € 400,00 bruto hoger ligt dan het laatstverdiende maandsalaris en het recht op vrije arbeidskeuze. Daartegenover staat het belang van Egro om haar bedrijfsbelangen te beschermen.

Uit de stukken blijkt dat [eiser] in april 2010 in dienst is getreden in de functie van management-assistent, waarbij het salaris is vastgesteld op € 816,40 bruto per maand, te weten het naar rato van arbeidsomvang berekende minimumjeugdloon. Sindsdien is haar functieomschrijving niet gewijzigd, terwijl het laatstverdiende salaris niet veel hoger ligt dan het minimumloon. Uit de stellingen van partijen blijkt ook dat [eiser] met name administratieve werkzaamheden heeft uitgevoerd. Behoudens bijzondere omstandigheden kan een concurrentiebeding voor werknemers met een dergelijke functie een onevenredige benadeling opleveren.

Egro heeft weliswaar gesteld dat [eiser] een van de leden van het management was en een spil in de organisatie, maar dat acht de kantonrechter, gezien het voorgaande, overtrokken.

De enkele omstandigheid dat [eiser] uit hoofde van haar functie bekend was met de contactgegevens van leveranciers en klanten en de inkoop- en verkoopfacturen zijn niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat zij op dit moment nog toegang heeft tot deze informatie. Voor zover zij al aan de hand van de facturen de door Egro toegepaste marges zou hebben berekend, hetgeen niet is gebleken, betreft dit informatie die inmiddels al meer dan twee maanden oud is.

Alhoewel Egro als bijzondere omstandigheden nog heeft gewezen op het feit dat [eiser] kennis zou dragen van de identiteit van een aantal bijzondere, niet in de markt bekende, leveranciers en van het revolutionaire hotelconcept met eigen calculatiemethodiek, acht de kantonrechter de stelling van [eiser] dat die kennis niet verder strekt dan noodzakelijk voor de administratieve verwerking van bestellingen en leveringen, mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, voorshands voldoende aannemelijk.

Daarmee is voorshands onvoldoende aannemelijk dat Egro een gerechtvaardigd belang heeft bij handhaving van het concurrentiebeding, te meer daar voldoende aannemelijk is geworden dat het aangeboden dienstverband bij [bedrijf] een aanzienlijke positieverbetering zal inhouden. Het concurrentiebeding zal dan ook worden geschorst.

4.6.

De vordering tot betaling van een vergoeding op grond van artikel 7:653 lid 4 zal worden afgewezen. Het had immers op de weg van [eiser] gelegen om zich er voorafgaande aan het opzeggen van de arbeidsovereenkomst van te vergewissen of het haar vrij stond om bij [bedrijf] in dienst te treden. Dat zij daartoe niet is overgegaan dient voor haar eigen risico te blijven.

4.7.

Egro zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 94,19

- griffierecht € 78,00

- salaris gemachtigde € 400,00 (2 punten x tarief € 200,00)

Totaal € 572,19

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

schorst het concurrentiebeding als opgenomen in artikel 5 onder d in het door partijen ondertekende aanhangsel bij de arbeidsovereenkomst van 19 april 2015;

5.2.

veroordeelt Egro in de kosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 572,19;

5.3.

bepaalt dat Egro van het hiervoor genoemde bedrag aan totale proceskosten een bedrag van € 94,19 dient te voldoen:

  • -

    aan de griffier nadat zij een nota van de rechtbank daarvoor heeft gekregen, of

  • -

    aan [eiser] op het moment dat deze aan Egro een besluit overlegt van de Raad voor de Rechtsbijstand strekkende tot weigering of intrekking van de toevoeging;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2015.