Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5117

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
11-08-2015
Zaaknummer
C-16-379890 - HA ZA 14-842
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling woning na einde affectieve relatie. Man was voor eenhonderdste deel eigenaar, vrouw voor negenennegentighonderdste. Eigenlijk was borgstelling door man beoogd tbv vrouw. Vrouw in onderlinge verhouding volledig draagplichtig voor hypotheekschuld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/379890 / HA ZA 14-842

Vonnis van 15 juli 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. M.J.P. AA Leenders,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. H. Seton.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 21 januari 2015

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 28 mei 2015

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

Partijen hebben van medio 2009 tot begin 2012 een affectieve relatie gehad. Tijdens deze relatie hebben partijen gezamenlijk een woning gekocht gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna te noemen: de woning). De vrouw is voor 99/100ste deel en de man voor 1/100ste deel gerechtigd tot de eigendom van deze woning (productie 2 bij dagvaarding). Partijen hebben voor de financiering een hypothecaire lening afgesloten bij ING Bank waarvoor zij beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De man vordert - na wijziging van eis tijdens de comparitie, samengevat - dat de rechtbank:

  • -

    zal bepalen dat de vrouw haar medewerking dient te verlenen aan verkoop en levering van de woning aan een derde,

  • -

    voor recht zal verklaren dat de vrouw gehouden is de hypotheekrente en –premie te dragen die sinds de datum van verbreking van de samenleving verschuldigd is,

  • -

    zal bepalen dat in geval na verkoop van de woning een schuld resteert, de vrouw in de onderlinge verhouding met de man deze schuld dient te dragen,

  • -

    zal bepalen dat de vrouw de woning ten behoeve van de verkoop in een schone en representatieve toestand dient te brengen en te houden,

  • -

    en de vrouw zal veroordelen tot betaling van alle kosten van verkoop en levering van de woning, de advocaatkosten en de proceskosten.

3.2.

De vrouw voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3.

De vrouw vordert samengevat - dat de rechtbank:

  • -

    zal bepalen dat een eventueel bij verkoop resterende restschuld bij helfte tussen partijen wordt verdeeld,

  • -

    zal bepalen dat de makelaars- en notariskosten bij helfte tussen partijen worden verdeeld,

met veroordeling van de man in de proceskosten.

3.4.

De man voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en reconventie

4.1

Ten aanzien van de woning geldt dat tussen partijen een gemeenschap bestaat zoals bedoeld in artikel 3:166 lid 1. Beide partijen wensen tot verdeling te komen. Tussen partijen is niet meer in geschil dat de vrouw niet in staat is om de volledige eigendom van de woning te verwerven. De man heeft zijn daarop gerichte vorderingen tijdens de comparitie ingetrokken. Beide partijen wensen dat de woning wordt verdeeld door verkoop daarvan aan een derde. De rechtbank zal de wijze waarop dit dient te geschieden bepalen als hierna in 4.6 aan de orde zal komen.

4.2

De man stelt dat partijen weliswaar gezamenlijk eigenaar zijn van de woning (de man voor 1/100ste en de vrouw voor 99/100ste deel), maar dat dit in feite een schijnhandeling was en destijds enkel was bedoeld om een hypothecaire financiering te verkrijgen. Het huis behoort volledig tot het vermogen van de vrouw en zij dient dan ook alle kosten en een eventuele restschuld te dragen, aldus de man.

4.3

De vrouw stelt dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van de woning. Uit artikel 3:166 lid 2 BW vloeit volgens haar voort dat een eventuele restschuld na verkoop en alle daarmee gepaard gaande kosten door partijen ieder voor de helft dienen te worden gedragen.

4.4

De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 3:166 lid 2 en 3:172 BW volgt als hoofdregel dat nu de man en de vrouw respectievelijk voor 1/100ste en 99/100ste gerechtigd zijn tot de eigendom van de woning, de opbrengst (of het verlies) na verkoop van de woning aan een derde en de daarmee gemoeide kosten in laatstgenoemde verhouding door partijen gedragen dienen te worden.

Uit hetgeen partijen tijdens de comparitie hebben verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om hiervan af te wijken. Uit die verklaringen blijkt dat het reeds bij de aankoop van de woning de gezamenlijke bedoeling van partijen was dat de vrouw de woning als enige in eigendom zou verkrijgen. Omdat de vrouw de aankoop niet alleen kon financieren heeft de notaris de constructie bedacht waarbij de man voor 1/100ste deel eigenaar zou worden en zo “borg” zou staan voor de vrouw. Zodra de vrouw daartoe financieel in staat was zou zij het aandeel van de man overnemen. De vrouw heeft als enige de kosten voor het vestigen van de hypotheek gedragen en heeft ook als enige de huuropbrengsten van de woning ontvangen (zie proces-verbaal van de comparitie van 28 mei 2015, tweede alinea).

4.5

Hieruit blijkt dat in de verhouding tussen partijen de 1/100ste gerechtigdheid van de man tot de woning slechts is bedoeld als een ‘papieren’ constructie om de vrouw in staat te stellen om (op termijn) de volledige eigendom van de woning te verwerven en partijen zich daar ook naar hebben gedragen (uitsluitend de vrouw heeft ten aanzien van de woning de opbrengsten genoten en de lasten gedragen). Hieruit volgt dat na de verdeling door verkoop van de woning aan een derde de volledige verkoopopbrengst aan de vrouw toekomt evenals dat de vrouw volledig draagplichtig is voor de hypothecaire schuld en de (verkoop)kosten van de woning. In zoverre zijn de vorderingen in conventie van de man toewijsbaar en dienen de vorderingen in reconventie van de vrouw te worden afgewezen.

4.6

De vrouw heeft in haar conclusie (van 17 december 2014) onder 12, niet onderbouwd gesteld dat zij de woning reeds te koop heeft gezet. Uit de stukken die namens de vrouw vóór de comparitie zijn overgelegd blijkt echter dat zij twee dagen voor de comparitie (26 mei 2015) alsnog opdracht heeft gegeven aan een door haar uitgekozen makelaar waarbij de woning te koop wordt aangeboden voor € 259.000,--. De man heeft zijn stelling dat deze verkoopprijs te hoog is niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan vooralsnog voorbij gaat. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw deze opdracht dient te handhaven en ervoor dient zorg te dragen dat de man via de makelaar volledig op de hoogte wordt gehouden van de voortgang van het verkooptraject. Indien het voorgaande niet voor 1 september 2015 tot verkoop van de woning heeft geleid, dienen partijen het vaststellen van de verkoop- en laatprijs aan de makelaar over te laten. Partijen dienen zich te richten naar het advies van de makelaar indien deze na verloop van tijd een wijziging van de verkoopprijs adviseert. De vrouw dient vervolgens mee te werken aan de levering van de woning binnen twee maanden na het sluiten van de verkoopovereenkomst. Tijdens de comparitie zijn namens de man de vorderingen onder 4 en 9 (tot aanwijzing van een vertegenwoordiger namens de vrouw, op haar kosten, voor de verkoop en levering; art. 3:300 BW) ingetrokken, zodat dit geen nadere beoordeling behoeft.

4.7

De rechtbank zal de vorderingen van de man ter zake van het representatief en schoon houden van de woning afwijzen. De man heeft geen concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat de vrouw dit nalaat of binnenkort zal nalaten. De man heeft evenmin belang bij zijn gevorderde verklaring voor recht (dat de vrouw gehouden is de hypotheekrente en –premie te dragen die sinds de datum van verbreking van de samenleving verschuldigd is) nu hij niet concreet heeft gesteld dat de vrouw sinds die datum een achterstand heeft doen ontstaan. Uit hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de wijze van verdeling volgt reeds dat eventuele ontstane of nog te ontstane achterstanden in hypotheekrente en –premie in de onderlinge verhouding van partijen uitsluitend voor rekening van de vrouw zijn.

4.8

Nu partijen gewezen levenspartners zijn en het geschil hieruit voortvloeit, zullen de proceskosten in zowel conventie als reconventie worden gecompenseerd aldus dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

gelast de volgende wijze van verdeling van de woning aan de [adres] te [woonplaats] :

5.1.1.

partijen dienen de woning te verkopen aan een derde waarna de opbrengst van de verkoop (de verkoopopbrengst minus de hypothecaire lening en de kosten) geheel dient te worden toebedeeld aan de vrouw, dan wel indien een schuld resteert dient deze geheel door de vrouw te worden gedragen,

5.1.2

de vrouw dient de reeds gegeven opdracht tot verkoop van de woning van 26 mei 2015 aan [naam] Makelaars te Nieuwegein te handhaven en de vrouw dient ervoor zorg te dragen dat de man via deze makelaar volledig op de hoogte wordt gehouden van de voortgang van het verkooptraject,

5.1.3

indien de woning niet voor 1 september 2015 is verkocht, dienen partijen de vaststelling van de verkoop- en laatprijs door de makelaar te laten bepalen. Partijen dienen zich te richten naar het advies van de makelaar indien deze na verloop van tijd een wijziging van de verkoopprijs adviseert,

5.2

veroordeelt de vrouw tot medewerking aan de levering van de woning binnen twee maanden na het sluiten van de verkoopovereenkomst,

5.3

wijst af het meer of anders gevorderde,

in reconventie

5.4

wijst de vordering af,

in conventie en reconventie

5.5

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Phaff en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2015.1

1 type: JMB coll: HP