Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5094

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-07-2015
Datum publicatie
09-07-2015
Zaaknummer
16.701802-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitkeringsfraude.Verdachte heeft gedurende een periode van bijna drie jaar nagelaten te melden dat hij een gezamenlijke huishouding voerde met medeverdachte. Door aldus te handelen heeft verdachte misbruik gemaakt van het sociale stelsel zoals dat in Nederland bestaat.

De rechtbank legt aan verdachte op een werkstraf voor de duur van 200 uren. De rechtbank veroordeelt de verdachte voorts tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16.701802-13 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 8 juli 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1973] te [geboorteplaats],

wonende [adres] te [woonplaats].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter openbare terechtzitting dat laatstelijk heeft plaatsgevonden op 24 juni 2015, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.M.M. Pater, advocaat te Emmeloord.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F. Rethmeier en van de standpunten door de raadsvrouw van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks 09 juli 2004 tot en met 18 december 2013 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, in elk geval in Nederland, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van de Wet werk en Bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van

verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft hij, verdachte, (telkens) opzettelijk geen opgave gedaan van en/of verzwegen dat hij, verdachte,

- duurzaam een gezamenlijke huishouding had gevoerd met [medeverdachte] en/of (aldus uit dien hoofde) inkomsten had en/of te goed had en/of

- (reparatie)werkzaamheden aan auto`s had verricht en/of (aldus uit dien hoofde) inkomsten heeft/had ontvangen;

2.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 mei 2010 tot en met 18 december 2013, te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit hetgeen werd aangeschaft met door misdrijf verkregen geld,

te weten geld van (een) door [medeverdachte], met wie hij, verdachte, duurzaam een gezamenlijke huishouding voerde als bedoeld in de Wet Werk en Bijstand en/of de Wet Investeren in Jongeren,

door middel van het (door die [medeverdachte]) opzettelijk niet voldoen aan de inlichtingenverplichting(en),

uit hoofde van de Wet Werk en Bijstand en/of de Wet Investeren in Jongeren verkregen uitkering,

welk geld geheel of gedeeltelijk werd besteed aan het huishouden waarvan hij, verdachte, deel uitmaakte.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Er is sprake van opzet, aangezien verdachte wist wat de consequentie was als hij met medeverdachte [medeverdachte] ging samenwonen. Uit het dossier blijkt dat het waterverbruik in de woning van medeverdachte [medeverdachte] vanaf 21 mei 2010 laag was. Daarbij komt dat de getuigenverklaringen aansluiten bij dit objectieve gegeven. Daarnaast heeft de verdachte een bekennende verklaring afgelegd. De periode ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde dient beperkt te worden van 1 mei 2010 tot en met 18 december 2013, omdat vanaf dat moment het waterverbruik in de woning van de medeverdachte [medeverdachte] laag was.

Verdachte heeft op geld waardeerbare werkzaamheden verricht en dat is op zichzelf voldoende voor bewezenverklaring van schending van de inlichtingenplicht. Hiervoor is niet van belang of verdachte met deze werkzaamheden daadwerkelijk geld heeft verdiend.

Feit 2.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De medeverdachte heeft eveneens uitkeringsfraude gepleegd. Verdachte heeft hiervan geprofiteerd doordat hij met de medeverdachte [medeverdachte] samenwoonde. De periode ten aanzien van het ten laste gelegde dient beperkt te worden van 1 februari 2011 tot en met 18 december 2013, omdat de uitkering aan medeverdachte [medeverdachte] per 1 februari 2011 is verstrekt.

Het standpunt van de verdediging

Feit 1.

De raadsvrouw heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit, aangezien er geen sprake is van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin. De gemeente was op de hoogte van de situatie waarin verdachte verkeerde, waardoor verdachte in de veronderstelling verkeerde dat de gemeente ook vanuit het oogpunt van het beoordelen van het recht op bijstand voldoende geïnformeerd was over zijn relatie met de medeverdachte [medeverdachte].

Feit 2.

De raadsvrouw heeft ook ten aanzien van dit feit vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit, aangezien er geen sprake is van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin. Daarnaast kan geen voordeel worden verkregen als het voordeel betreft wat is verkregen uit eigen misdrijf.

Het oordeel van de rechtbank 1

De verdachte ontvangt vanaf 3 april 2001 een uitkering in het kader van de Algemene Bijstandswet (verder: Abw) van de gemeente Noordoostpolder. Op 1 januari 2005 is de Abw uitkering omgezet naar een uitkering in het kader van de Wet Werk en Bijstand (verder: WWB).Vanaf 1 december 2009 volgens de alleenstaande norm.2

De medeverdachte [medeverdachte] ontvangt vanaf 1 februari 2011 een uitkering in het kader van de Wet Investeren in Jongeren (verder: WIJ) van het cluster Werk en Inkomen van de gemeente Noordoostpolder volgens de norm alleenstaande ouder met 20% alleenstaande ouder toeslag. Verdachte ontvangt vanaf 11 september 2011 een uitkering in het kader van de WWB van het cluster Werk en Inkomen van de gemeente Noordoostpolder volgens de norm alleenstaande ouder met 20% alleenstaande ouder toeslag.3

Aan de toekenning van een uitkering is de voorwaarde verbonden dat de ontvanger op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het recht, hoogte en continuering van de uitkering. Hetgeen is bepaald in de artikelen 17 WWB en 44 WIJ.

Bij de toekenningsbeschikking van de uitkering wordt een bijlage gevoegd waarop deze verplichtingen staan vermeld. Aan de hand van de door de ontvanger persoonlijk ingevulde en ondergetekende mutatieformulieren is de hoogte van de uitkering vastgesteld en uitbetaald.4

Door de burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder zijn de WWB uitkeringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] per 18 december 2013 beëindigd.5

Op 19 juni 2012 is door de preventiemedewerker afdeling cluster Werk en Inkomen van de gemeente Noordoostpolder een rapport opgesteld. Hieruit blijkt onder meer dat op 9 juli 2011 een meisje is geboren waarvan de ouders verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] zijn. Voorts blijkt dat het waterverbruik volgens opgave van medeverdachte [medeverdachte] op het adres [adres] te [woonplaats] 12m3 betreft in de periode van mei 2010 tot en met mei 2011.

Bij waarnemingen in de periode van 8 februari 2012 tot en met 11 juni 2012 is medeverdachte [medeverdachte] eenmaal in de woning aan de [adres] te [woonplaats] gezien. Medeverdachte [medeverdachte] was gedurende zes minuten in de woning en verliet vervolgens de woning. Tijdens deze waarnemingen is tevens gezien dat medeverdachte [medeverdachte] om 8.20 uur met een klein meisje de woning van verdachte aan de [adres] te [woonplaats] verliet. Voorts is gezien dat er bij verdachte vijf verschillende auto’s op de oprit stonden.6

Een nader onderzoek is ingesteld op 6 mei 2013. Uit dit onderzoek blijkt dat door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] geen melding is gedaan van een gezamenlijke huishouding of werkzaamheden of inkomsten. Er zijn immers geen mutatieformulieren of andere meldingen binnengekomen.7

Het elektriciteitsverbruik volgens de NUON van medeverdachte [medeverdachte] aan de [adres] te [woonplaats] was als volgt:

  • -

    in de periode 10 maart 2010 tot en met 1 maart 2011= 2399 Kwh

  • -

    in de periode 1 maart 2011 tot en met 12 maart 2012 = 1037 Kwh

  • -

    in de periode 12 maart 2012 tot en met 28 maart 2013 = 900 Kwh.8

Het waterverbruik volgens Vitens van medeverdachte [medeverdachte] aan de [adres] te [woonplaats] was als volgt:

  • -

    31 mei 2009 = 99 m3 volgens schatting

  • -

    21 mei 2010 = 221 m3 volgens eigen opgave

  • -

    1 mei 2011 = 233 m3 volgens eigen opgave

  • -

    25 april 2012 = 301 m3 volgens schatting

  • -

    16 mei 2013 = 239 m3 volgens eigen opgave.9

In de periode van 21 mei 2010 tot en met 16 mei 2013 heeft medeverdachte [medeverdachte] het waterverbruik doorgegeven via internet. Het verbruik in die periode is 18 m3. Dit waterverbruik is bijzonder laag, omdat er sprake was van een bewoning door een volwassene en vanaf 2011 door twee kinderen. Een normaal waterverbruik zou zijn 91 m3 voor een tweepersoonshuishouden en een waterverbruik van 137 m3 bij een driepersoonshuishouden, volgens het Nibud.10

Uit openbare bronnen op het internet blijkt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] een gezamenlijk Facebook account hebben, waarop medeverdachte [medeverdachte] op 22 en 28 september 2012 berichten zette betreffende haar en verdachte.11

Uit achttien waarnemingen in de periode van 14 mei 2013 tot 18 juni 2013 blijkt het volgende. Vijfmaal is gezien dat medeverdachte [medeverdachte] met haar dochters om 8.20 uur uit de woning van verdachte komt. Voorts zijn er zeven verschillende auto’s op de oprit van verdachte gezien. Tenslotte blijkt dat medeverdachte [medeverdachte] in de gehele periode geen enkele maal is waargenomen bij haar eigen woning aan de [adres] te [woonplaats].12

Uit observaties op grond van het Wetboek van Strafvordering in de periode van 2 juli 2013 tot en met 24 september 2013 blijkt het volgende. Medeverdachte [medeverdachte] slaapt bij verdachte. De kinderen van medeverdachte [medeverdachte] wonen tevens bij verdachte. Medeverdachte [medeverdachte] en verdachte doen gezamenlijk boodschappen. Medeverdachte [medeverdachte] haalt af en toe post op uit haar woning aan de [adres] te [woonplaats]. Verdachte houdt zich bezig met reparaties en onderhoud van auto’s.13

De getuige [getuige] heeft op 14 november 2013 verklaard dat zij drieënhalf jaar op het adres [adres] te [woonplaats] woonde. Volgens deze getuige woonde medeverdachte [medeverdachte] niet in de woning, maar kwam zij daar af en toe. Medeverdachte [medeverdachte] woonde verderop in de [adres] met [verdachte] gedurende de drieënhalf jaar dat de getuige naast haar woonde.14

Uit het proces-verbaal blijkt dat op 18 december 2013 is gesproken met een tweetal bewoners die woonachtig zijn in de [adres] te [woonplaats]. Beiden verklaren onafhankelijk van elkaar dat medeverdachte [medeverdachte] niet haar hoofdverblijf heeft op het adres [adres] te [woonplaats]. Medeverdachte [medeverdachte] is af en toe bij haar woning gezien en de afvalcontainer wordt mede gebruikt door buurtbewoners die teveel afval hebben.15

Uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] op 18 december 2013 blijkt onder meer het volgende. Zij ontvangt een WWB uitkering en is op de hoogte is van de plichten die zijn verbonden aan een uitkering en zij wijzigingen in haar privésituatie moet melden op bepaalde formulieren. Zij heeft bijna vier jaar een relatie met verdachte en zij hebben samen een dochter. Zij weet dat verdachte een WWB uitkering ontvangt. Voorts blijkt dat medeverdachte [medeverdachte] met haar kinderen bij verdachte eet en alle kinderen een eigen bed hebben bij verdachte. Voorts blijkt uit haar verklaring dat zij samen met verdachte boodschappen doet en betaalt. Medeverdachte [medeverdachte] bekent dat zij sinds april 2013 dag en nacht bij verdachte verblijft.16

Uit de verklaring van verdachte op 18 december 2013 blijkt onder meer het volgende. Hij ontvangt een uitkering van de gemeente Noordoostpolder sinds 2001. Hij woont samen met medeverdachte [medeverdachte] en haar kinderen. Verdachte is op de hoogte van de plichten die zijn verbonden aan een uitkering en hij weet dat hij wijzigingen in zijn woon- en leefsituatie moet melden bij de gemeente. Verdachte verklaart dat hij en medeverdachte [medeverdachte] ongeveer vier jaar een relatie hebben en dat zij vanaf de zomer 2012 altijd bij hem is. Verdachte weet dat medeverdachte [medeverdachte] een uitkering ontvangt. Vervolgens herhaalt verdachte dat medeverdachte [medeverdachte] met haar kinderen anderhalf jaar bij hem is. Medeverdachte [medeverdachte] heeft de beschikking over zijn bankpas wanneer zij boodschappen doet. De boodschappen worden gezamenlijk betaald. De huishouding wordt ook gezamenlijk gedaan. Voor het repareren van auto’s heeft verdachte in het verleden het gebruik van een auto gekregen gedurende een periode van zes weken of twintig euro per klus. Voorts verklaart verdachte dat hij medeverdachte [medeverdachte] een jaar eerder had gezegd haar eigen woning op te zeggen en officieel bij hem in te trekken.17

Uit voorgaande bewijsmiddelen, met name de verklaringen van de (anonieme) getuigen en meldingen en de objectieve gegevens omtrent het elektriciteits- en waterverbruik, blijkt dat verdachte vanaf 21 mei 2010 (te weten de begindatum van het lage waterverbruik) een gezamenlijke huishouding met medeverdachte [medeverdachte] voerde en dat hij heeft nagelaten dit op te geven. Derhalve heeft verdachte verzwegen dat hij samenwoonde en hierdoor heeft hij niet voldaan aan de inlichtingenplicht op grond van de WBB en heeft hij zich schuldig gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde feit.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat de gemeente op de hoogte was van de gezamenlijke huishouding en werkzaamheden of inkomsten. Uit het onderzoek ingesteld op 6 mei 2013 blijk immers dat er geen mutatieformulieren of andere meldingen zijn binnengekomen omtrent de gezamenlijke huishouding en werkzaamheden. Zowel verdachte als de medeverdachte [medeverdachte] ontkennen tevens dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding, waardoor het niet voor de hand ligt dat de gemeente hiervan op de hoogte was. Dat verdachte en de medeverdachte met gemeenteambtenaren gesproken hebben over hun persoonlijke situatie maakt dit niet anders, te minder nu daarmee niet aangetoond is dat bij dat contact volledig inzicht verschaft is in hun huishouding.

De rechtbank verwerpt tevens het verweer van de raadsvrouw dat er geen sprake is van opzet. Uit de verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] blijkt dat zij ieder op de hoogte waren dat de ander net als zijzelf een uitkering ontving en dat zij op de hoogte waren van de verplichtingen verbonden aan de verstrekking van de uitkering en dat zij wijzigingen dienden door te geven.

Feit 2.

Blijkens hetgeen onder feit 1 is overwogen heeft medeverdachte [medeverdachte] zich eveneens schuldig gemaakt aan het schenden van de inlichtingenplicht strafbaar gesteld ex artikel 227b van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte heeft door het voeren van een gezamenlijke huishouding met medeverdachte [medeverdachte], voordeel getrokken uit het door de medeverdachte [medeverdachte] gepleegde strafbare feit. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] deelden immers de kosten voor de boodschappen.

De rechtbank acht daarom ook het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij in de periode van 9 juli 2004 tot en met 18 december 2013 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van de Wet werk en Bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft hij, verdachte, (telkens) opzettelijk geen opgave gedaan van en/of verzwegen dat hij, verdachte,

- duurzaam een gezamenlijke huishouding had gevoerd met [medeverdachte] en/of (aldus uit dien hoofde) inkomsten had en/of te goed had en

- (reparatie)werkzaamheden aan auto`s had verricht en/of (aldus uit dien hoofde) inkomsten heeft/had ontvangen;

2.

hij in de periode van 2 februari 2011 tot en met 18 december 2013, te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit hetgeen werd aangeschaft met door misdrijf verkregen geld,

te weten geld van (een) door [medeverdachte], met wie hij, verdachte, duurzaam een gezamenlijke huishouding voerde als bedoeld in de Wet Werk en Bijstand en/of de Wet Investeren in Jongeren,

door middel van het (door die [medeverdachte]) opzettelijk niet voldoen aan de inlichtingenverplichting(en),

uit hoofde van de Wet Werk en Bijstand en/of de Wet Investeren in Jongeren verkregen uitkering,

welk geld geheel of gedeeltelijk werd besteed aan het huishouden waarvan hij, verdachte, deel uitmaakte.

Van het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1.

In strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl zij wist dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar recht op een verstrekking of tegemoetkoming, dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd.

Feit 2.

Opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, alsmede een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de volgende omstandigheden: verdachte is niet eerder veroordeeld, de problematiek van de kinderen en het lange tijdsverloop.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft gedurende een periode van bijna drie jaar nagelaten te melden dat hij een gezamenlijke huishouding voerde met medeverdachte [medeverdachte]. Door aldus te handelen heeft verdachte misbruik gemaakt van het sociale stelsel zoals dat in Nederland bestaat. Als gevolg daarvan heeft verdachte jarenlang ten onrechte een te hoog bedrag aan uitkering ontvangen, ten gevolge waarvan schade is toegebracht aan de gemeenschap. Misbruik van de sociale voorzieningen doet afbreuk aan het sociale zekerheidstelsel en daarvan worden mensen de dupe die op een dergelijke uitkering zijn aangewezen.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de periode waarin verdachte de fraude heeft gepleegd en op het bedrag dat door diens toedoen ten onrechte aan de maatschappij is onttrokken, een forse straf passend en geboden is.

Hoewel er geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn zijn de bewezenverklaarde feiten van enige tijd geleden. Voorts is verdachte blijkens een op zijn naam gesteld uittreksel justitiële documentatie d.d. 1 mei 2015 niet eerder wegens soortgelijke strafbare feiten veroordeeld.

Alles afwegend acht de rechtbank een werkstraf alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Verdachte moet met de voorwaardelijke gevangenisstraf in de toekomst weerhouden worden wederom strafbare feiten te plegen. Verdachte zal een hogere werkstraf opgelegd krijgen dan medeverdachte [medeverdachte], aangezien hij zich gedurende een langere tijd dan de medeverdachte [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan fraude.

9 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 227b en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- legt aan verdachte op een werkstraf voor de duur van 200 uren;

- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 100 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren werkstraf;

- veroordeelt de verdachte voorts tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden;

- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaar niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Bos, voorzitter, mr. C.A. de Beaufort en mr. drs. H. Vegter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Dees, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2015.

Mr. G.A. Bos is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 120038-6025310/1, doorgenummerd 1 tot en met 29, met 22 ongenummerde bijlagen.

2 Pagina 4 en bijlage 1.

3 Pagina 3 en bijlage 1

4 Pagina 4.

5 Pagina 28.

6 Pagina 5 en bijlage 1.

7 Pagina 6.

8 Pagina 8 en bijlage 5.

9 Pagina 8 en bijlage 6.

10 Pagina 8.

11 Pagina 11.

12 Pagina 12 en bijlage 11.

13 Pagina 13 en bijlage 12.

14 Pagina 14 en bijlage 13.

15 Pagina 20 en bijlage 20.

16 Pagina’s 15, 16 en bijlage 16.

17 Pagina’s 17, 18 en bijlage 17.