Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5080

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-07-2015
Datum publicatie
09-07-2015
Zaaknummer
UTR 14/8020 en UTR 14/7894
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Baatbelasting op grond van artikel 222 van de Gemeentewet voor aanleg riolering. Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), criterium samenhangende zaken.

Verweerder heeft in het buitengebied van de voormalige gemeente Abcoude riolering aangelegd en dit gebied opgedeeld in tien verschillende clusters. Per cluster heeft verweerder een Verordening baatbelasting vastgesteld. Gemachtigde heeft namens 171 eisers een beroep ingesteld. Voor vijf van de tien clusters wordt de Verordening onverbindend verklaard omdat deze niet uiterlijk twee jaar na het voltooien van de werkzaamheden in het cluster is vastgesteld, zoals artikel 222 van de Gemeentewet voorschrijft. De uitspraak UTR 14/7977 ea betreft één van deze vijf clusters. In de andere vijf clusters komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder wel heeft aangetoond dat de Verordening tijdig is vastgesteld, zodat verweerder een aanslag baatbelasting heeft mogen opleggen. Echter, ook in deze clusters zijn enkele beroepen gegrond, onder meer omdat verweerder zijn gedragslijn om de aanslag te verminderen indien een eigenaar zijn woning heeft gekocht in de periode tussen het bekostigingsbesluit en het vaststellen van de Verordening niet geheel consequent heeft toegepast. Het beroep van diverse eisers op gedane toezeggingen slaagt niet omdat dit onvoldoende is onderbouwd. Verweerder heeft overigens ook zelf een onderzoek naar dergelijke toezeggingen verricht. De uitspraak UTR 14/8020 en UTR 14/7894 is een voorbeeld van een dergelijke zaak.

In totaal zijn er 54 beroepen gegrond. De rechtbank merkt deze zaken aan als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Dit leidt op grond van het Bpb tot een wegingsfactor 1,5 wegens vier of meer samenhangende zaken. Het gewicht van de zaak wordt, gelet op de benodigde specifieke en vaktechnische kennis die door de gemachtigde van eisers is opgedaan, aangemerkt als zeer zwaar (wegingsfactor 2). De rechtbank ziet aanleiding om op de voet van artikel 2, derde lid, van het Bpb af te wijken van de met toepassing van het Bpb vastgestelde vergoeding en deze vast te stellen op € 10.000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-1745
FutD 2015-1746
V-N Vandaag 2015/1505

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 14/8020 en UTR 14/7894

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juli 2015 in de zaak tussen

[eiser 1], te [woonplaats], en een ander volgens bijlage, eiser

(gemachtigde: mr. R.A.A. Maat),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente], verweerder

(gemachtigde: mr. R.T. Wiegerink).

Procesverloop

Bij beschikking van 28 februari 2014 heeft verweerder aan eiser voor het object [adres] te [woonplaats] (het object) een aanslag baatbelasting aanleg riolering opgelegd van € 3.100,-. Bij uitspraak van 24 november 2014 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het door eiser daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.


Eiser heeft bij brief van 19 maart 2015 te kennen gegeven dat hij zestien getuigen voor de zitting heeft opgeroepen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met 171 soortgelijke zaken, plaatsgevonden op 9 april 2015. [A], [B], [C], [D], [E], [F], [G], [H], [I], zoon van [J], [K], directeur van [bedrijf 1] bv, en [L], directeur van [bedrijf 2] bv, zijn in persoon verschenen.

Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [M] en [N], beiden werkzaam bij de gemeente [gemeente], bijgestaan door de gemachtigde.


Ter zitting heeft de rechtbank de volgende personen als getuige gehoord:
- [getuige 1], account manager bij [bedrijf 3] bv ([bedrijf 3]), destijds projectleider bij [bedrijf 4] bv ([bedrijf 4]), onder aflegging van de belofte;
- [getuige 2], werkzaam bij [bedrijf 3], destijds radiuscoördinator bij [bedrijf 4];
- [getuige 3], destijds werkzaam bij [bedrijf 5] bv ([bedrijf 5]);
- [getuige 4], destijds werkzaam bij [bedrijf 5].


Alle door de gemachtigde vertegenwoordigde eisers en verweerder hebben ermee ingestemd dat in vergelijkbare zaken door de rechtbank meerder uitspraken in één geschrift worden verenigd.

Overwegingen

  1. Op 22 februari 2001 heeft de gemeenteraad van de gemeente [gemeente] besloten een gedeelte van de kosten van de aanleg van de riolering in het buitengebied te verhalen door middel van baatbelasting.

  2. Op 7 juli 2005 heeft de gemeenteraad van de gemeente [gemeente] een aangevuld bekostigingsbesluit aanleg riolering genomen voor het buitengebied [buitengebied], cluster [cluster] en [cluster] (het cluster). Het object [adres] is gelegen in het cluster.

  3. Op 7 januari 2013 heeft de gemeenteraad van de gemeente [gemeente], per 1 januari 2011 de rechtsopvolger van de gemeente [gemeente], de Verordening op de heffing en invordering van de baatbelasting cluster [cluster] (de Verordening) vastgesteld.

  4. Artikel 222 van de Gemeentewet luidt als volgt:
    1. Ter zake van de in een bepaald gedeelte van de gemeente gelegen onroerende zaak die gebaat is door voorzieningen die tot stand worden of zijn gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur, kan van degenen die van die onroerende zaak het genot hebben krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, een baatbelasting worden geheven, waarbij de aan de voorzieningen verbonden lasten geheel of gedeeltelijk worden omgeslagen. Indien de aan de voorzieningen verbonden lasten ter zake van een onroerende zaak krachtens overeenkomst zijn of worden voldaan, of met toepassing van artikel 6.17, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening zijn of behoren te worden voldaan, wordt de baatbelasting ter zake van die onroerende zaak niet geheven.

2. Voordat met het treffen van voorzieningen wordt aangevangen, wordt door de raad besloten in welke mate de aan die voorzieningen verbonden lasten door middel van een baatbelasting zullen worden verhaald. Een besluit als bedoeld in de eerste volzin bevat een aanduiding van het gebied waarbinnen de gebate onroerende zaak is gelegen. Het besluit wordt bekend gemaakt overeenkomstig artikel 139.

3. Of een onroerende zaak is gebaat wordt beoordeeld naar de toestand op een in de belastingverordening te bepalen tijdstip, dat is gelegen uiterlijk een jaar nadat de voorzieningen geheel zijn voltooid.

4. Tot invoering van de belasting wordt besloten uiterlijk twee jaren nadat de voorzieningen geheel zijn voltooid.

5. De belasting wordt ineens geheven, met dien verstande dat de belasting op verzoek van de belastingplichtige in de vorm van een jaarlijkse belasting wordt geheven gedurende ten hoogste dertig jaren, een en ander volgens in de verordening vast te stellen regelen.

5. Eiser betoogt dat de Verordening niet uiterlijk twee jaar na het voltooien van de voorzieningen is vastgesteld, zodat de Verordening om die reden onverbindend moet worden verklaard.

De omvang van de voorzieningen

6. De rechtbank ziet zich in dit verband in de eerste plaats gesteld voor de vraag welke voorzieningen in dit geval precies moeten zijn voltooid voordat de in artikel 222, vierde lid, van de Gemeentewet gestelde termijn van twee jaar aanvangt. Eiser heeft in dit verband betoogd dat de aansluiting op de elektriciteit en de installatie van H2gO (in de stukken ook aangeduid met de naam van het identieke systeem Mous Aquaweb) niet tot de voorzieningen behoren. De rechtbank volgt dit standpunt niet en overweegt daartoe als volgt.

Verweerder heeft toegelicht dat de aangelegde riolering voor het grootste gedeelte een drukriolering is, die niet functioneert door het op afschot liggen, maar door pompen (aangeduid als (mini)gemalen). Het drukriool kan pas functioneren als de pompen van spanning zijn voorzien.
Uit het Programma van Eisen betreffende de mechanische en elektrotechnische installatie drukrioleringspompunits gemeente Abcoude van 3 maart 2004 (het Programma van Eisen) blijkt verder dat ook het installeren en het werkend opleveren van het radiografische beheerssysteem, fabrikaat Mous type Radius, tot de te verrichten werkzaamheden behoorde. [getuige 1] heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat Radius, inmiddels Radius Pro, kan worden beschouwd als de hardware in het rioolgemaal. Om het beheerssysteem te laten functioneren, verzamelt de apparatuur gegevens en zendt het een eventuele storingsmelding naar een centrale storingsdienst. Het softwareprogramma dat dit mogelijk maakt, heet thans H2gO/Mous Aquaweb. Dit programma zorgt er voor dat de gegevens uit de (mini)gemalen webbased (en niet meer zoals voorzien in het Programma van Eisen via GSM) kunnen worden geraadpleegd, zodat storingen kunnen worden gesignaleerd. Dit uitwisselen van gegevens heet telemetrie. Het voorgaande betekent dat er eerst met het voltooien en in werking (kunnen) hebben van het telemetriesysteem voor de riolering sprake van was dat de voorzieningen waren voltooid als bedoeld in artikel 222, vierde lid, van de Gemeentewet. Hierbij geldt dat het telemetriesysteem pas kan functioneren als er spanning op staat. Het was dus, zowel voor het kunnen functioneren van het drukriool als voor het kunnen functioneren van het telemetriesysteem, noodzakelijk dat de (mini)gemalen (met Radius) waren aangesloten op het elektriciteitsnet. In het Programma van Eisen is onder punt 4.1. in dit verband het volgende vermeld:

‘Alle voedingskabels worden door derden geleverd en geïnstalleerd. Het aansluiten van deze voedingskabels op de daarvoor bestemde aansluitklemmen in de CVK’s en P.U.’s behoort tot de werkzaamheden van de aannemer.’

De rechtbank is verder van oordeel dat, anders dan eiser stelt, bij de beoordeling van het al dan niet voltooid zijn moet worden uitgegaan van de laatste versie van het telemetriesysteem, die op het moment van installatie gangbaar is.

De voltooiing van de voorzieningen

7. De belasting wordt geheven op basis van de Verordening. Nu verweerder per cluster een afzonderlijke (belasting)verordening heeft vastgesteld, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat per cluster, dus in dit geval voor het cluster, moet worden beoordeeld of de Verordening tijdig, dat wil zeggen binnen twee jaar na het voltooien van de voorzieningen, is vastgesteld. Dit volgt uit artikel 222, vierde lid, van de Gemeentewet.

8. Bij de beoordeling of de voorzieningen in het cluster zijn voltooid, geldt verder dat hiervan pas sprake is als de gehele riolering in het cluster, inclusief de onder rechtsoverweging 6 genoemde voorzieningen, is voltooid. Het feit dat de uitvoering van de werkzaamheden een periode stil heeft gelegen, betekent niet dat de Verordening eerder dan twee jaar na het voltooien van de voorzieningen moest worden vastgesteld.

9. De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast of de Verordening tijdig is vastgesteld op verweerder rust. Aangezien de Verordening op 7 januari 2013 is vastgesteld, dient verweerder aannemelijk te maken dat de voorzieningen in het cluster niet eerder dan op 7 januari 2011 zijn voltooid.

10. Verweerder heeft toegelicht dat de aanleg van de riolering gefaseerd heeft plaatsgevonden en dat het gebied vanwege deze fasering in clusters is verdeeld. De aanleg van de leidingen van de riolering is destijds uitbesteed aan de firma [firma] en de aanleg van het telemetriesysteem aan [bedrijf 4] (thans [bedrijf 3]). Omdat de riolering vanwege de dijken in het gebied veelal niet onder de openbare weg kon worden aangelegd, was verweerder voor de aanleg van de riolering in veel gevallen afhankelijk van de toestemming van particulieren. Om afspraken met deze particulieren te maken heeft verweerder [bedrijf 5] ingeschakeld. Verweerder heeft gesteld dat er, doordat de aanleg van de riolering op sommige plaatsen langer heeft geduurd door problemen met het verkrijgen van toestemming en het realiseren van de aansluitpunten voor elektriciteit, geen duidelijk moment van oplevering is geweest. Naar aanleiding van het verzoek van eiser om de gegevens omtrent de oplevering van de riolering openbaar te maken, heeft verweerder een door Deloitte Belastingadviseurs bv (Deloitte) opgesteld rapport van 20 januari 2014 overgelegd. Hierin wordt per cluster de datum genoemd waarop de voorzieningen waren voltooid. In de bijlagen bij dit rapport zitten de stukken waarop Deloitte deze data heeft gebaseerd.

10. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat de voorzieningen reeds vóór 7 januari 2011 waren voltooid allereerst gewezen op een brief van 22 december 2009 van de gemeente [gemeente] aan het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht omtrent de subsidieverstrekking voor de aanleg van de riolering. In deze brief is onder meer het volgende vermeld:

‘Het gehele stelsel is inmiddels aangelegd en opgeleverd.’

‘De twee eindafrekeningen gaan, elk vergezeld van een accountantsverklaring, hierbij.’

‘Voor de goede orde en ook om volledige transparantie te geven zij vermeld dat het stelsel evenwel nog niet in gebruik kan worden genomen. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat de nodige elektriciteit voorzieningen niet dan wel niet geheel zijn aangelegd, waardoor de aanwezige pompinstallaties voor de drukriolering niet functioneren.’

12. Anders dan eiser leidt de rechtbank uit deze brief niet af dat de voorzieningen op het moment van het verzenden van deze brief volledig waren voltooid. De rechtbank verwijst daarvoor naar rechtsoverweging 6. Wel leidt de rechtbank uit deze brief het vermoeden af dat voor voltooiing van de voorzieningen kon worden volstaan met aansluiting op het elektriciteitsnet. Het is aan verweerder dit vermoeden te weerleggen.

12. Eiser heeft verder brieven van de gemeente [gemeente], gericht aan bewoners in het cluster, overgelegd. Het betreft een brief van 30 augustus 2010, gericht aan de bewoner van [adres], brieven van 21 september 2010, gericht aan de bewoners van [adres], [adres], [adres], [adres] en [adres], en een brief van 22 september 2010, gericht aan de bewoner van [adres]. In deze brieven staat onder meer het volgende:

‘Het is inmiddels enige tijd geleden dat er bij uw woning een nieuw rioleringstelsel is aangelegd. Door omstandigheden heeft het erg lang geduurd voor het nieuwe stelsel in gebruik genomen kan worden. Het verheugd ons dan ook u te kunnen meedelen dat het stelsel inmiddels gereed is en dat u gebruik kan gaan maken van het nieuwe rioleringssysteem.’

In alle brieven wordt de bewoners verzocht om binnen twee maanden na ontvangst van de brief een aansluiting op het nieuwe rioleringssysteem te realiseren. Eiser stelt dat een dergelijke brief is verstuurd naar alle bewoners van het cluster, zodat aan deze brieven de conclusie kan worden verbonden dat de riolering in het gehele cluster op 22 september 2010 gereed was. Indien verweerder betwist dat hij een dergelijke brief naar alle adressen heeft verstuurd, is het aan hem om dit te ontkrachten.

14. Verweerder heeft in reactie op de door eiser overgelegde brieven gesteld dat deze brieven niet naar alle adressen in het cluster zijn gestuurd omdat het rioleringsstelsel nog niet in het hele cluster was voltooid. Hij heeft toegelicht dat alleen voor de adressen waar dit kon de mogelijkheid is geboden om aan te sluiten op de openbare riolering. De riolering op deze adressen is na aansluiting in gebruik genomen. Dit was mogelijk door de gedeeltes van de riolering die nog niet waren voltooid, tijdelijk af te sluiten.

14. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen brieven van een latere datum, of een overzicht van de door hem verzonden brieven heeft overgelegd. Zij acht het desondanks niet zonder meer aannemelijk dat de door eiser overgelegde brieven zijn verzonden naar alle adressen in het cluster waarvoor een aanslag is opgelegd. Uit het door verweerder overgelegde overzicht van de adressen waarvoor baatbelasting is opgelegd, blijkt dat verweerder in het cluster voor 70 adressen een aanslag heeft opgelegd. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het technisch mogelijk is dat bepaalde adressen in het cluster wel al konden aansluiten, terwijl dit op andere adressen nog niet mogelijk was. Daarnaast heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat het realiseren van de aansluitmogelijkheid in bepaalde gevallen, door specifieke omstandigheden op de betreffende locatie, langer heeft geduurd. Dit wordt ook geïllustreerd door het feit dat de brieven die eiser heeft overgelegd op een verschillende datum zijn verstuurd. De door eiser overgelegde brieven maken echter wel dat het des te meer aan verweerder is om aannemelijk te maken dat de voorzieningen in het cluster pas na 22 september 2010 zijn voltooid.

14. Voor de beantwoording van de vraag of de voorzieningen in het cluster niet eerder dan op 7 januari 2011 zijn voltooid, stelt de rechtbank voorop dat in dit dossier een duidelijke datum van oplevering of gereedmelding ontbreekt. Dat betekent dat uitgegaan moet worden van de beschikbare informatie in het dossier. Uit het voorgaande volgt dat op 22 december 2009 het gehele stelsel was aangelegd en geleverd en uitsluitend nog de aansluiting op de elektriciteit plaats zou moeten vinden en dat de brieven aan bewoners dateren van op zijn laatst 22 september 2010.

14. Verweerder stelt dat uit het rapport van Deloitte blijkt dat de voorzieningen in het cluster eerst op 12 april 2012 volledig waren voltooid. In het rapport wordt in dit verband gewezen op bijlage 1. Dit betreft een factuur van WnO van 12 april 2012, gericht aan de gemeente [gemeente]. De factuur betreft ‘Aanleg Persriool Huisaansluiting [adres]’. Ter zitting heeft [N], destijds de projectleider in dienst van de gemeente, toegelicht dat de gemeente [gemeente] de aanleg van enkele nog resterende leidingen van de riolering heeft uitbesteed aan WnO. Hij heeft verder toegelicht dat de factuur van 12 april 2012 de aanleg van de openbare riolering naar het object [adres] betreft en dus niet de aanleg van de aansluiting van deze woning op de openbare riolering. Deze aansluiting diende de bewoner vervolgens zelf nog te (laten) realiseren. De rechtbank acht deze toelichting aannemelijk en volgt eiser dus niet in zijn betoog dat de factuur ook de reparatie van een eerder aangelegde riolering zou kunnen betreffen. De rechtbank stelt vast dat eiser geen brief gericht aan de bewoner van [adres] heeft overgelegd en dat namens die bewoner wel beroep is ingesteld, zodat er geen indicatie is dat de toelichting van verweerder niet juist is. De rechtbank stelt verder vast dat uit een e-mail van 14 januari 2011 van [getuige 2], radiuscoördinator in dienst van [bedrijf 3], aan [N] blijkt dat de minigemalen op de lijsten sub 4, 5 en 6 op dat moment nog geen spanning hadden. Deze e-mail is als bijlage 4 bij het rapport van Deloitte gevoegd. Ter zitting heeft verweerder onweersproken gesteld dat de minigemalen op de lijst sub 4 horen bij de hoge huisnummers aan [cluster] en [cluster] en dat de minigemalen op de lijst sub 5 horen bij de lage huisnummers aan [cluster] en [cluster]. Dit betekent dat ook aan de e-mail van 14 januari 2011 de conclusie kan worden verbonden dat de voorzieningen in het cluster op 7 januari 2011 nog niet waren voltooid.

14. De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de voorzieningen in het cluster niet voor 7 januari 2011 zijn voltooid. Dit leidt tot de conclusie dat de Verordening binnen twee jaar na het voltooien van de voorzieningen is vastgesteld.

Geen baat (voor zover van toepassing)

19. Eiser stelt dat aan hem ten onrechte een aanslag baatbelasting is opgelegd omdat hij geen baat heeft bij de aanleg van de riolering. Eiser betoogt in dit verband dat hij slechts de juridisch eigenaar van het object is en dat alleen [O], de economisch eigenaar, is gebaat bij de aanleg van de riolering.

20. Dit betoog slaagt niet. Eiser betwist niet dat het object gebaat is bij de aanleg van de riolering. Uit de tekst van artikel 222, eerste lid, van de Gemeentewet blijkt dat van degene die van de gebate onroerende zaak krachtens eigendom het genot heeft een baatbelasting kan worden geheven. In dit artikel, of de toelichting daarbij, wordt geen onderscheid gemaakt voor de situatie dat de juridisch eigenaar niet ook de economisch eigenaar is. De rechtbank is van oordeel dat onder het begrip ‘eigendom’ in artikel 222, eerste lid, van de Gemeentewet in ieder geval de juridisch eigendom moet worden begrepen. Dit betekent dat verweerder eiser terecht als belastingplichtige heeft aangemerkt.
Gedane toezeggingen

20. Eiser betoogt dat door of namens verweerder toezeggingen zijn gedaan dat hij geen of minder baatbelasting verschuldigd zouden zijn. Medewerkers van [bedrijf 5], met name [getuige 3] en [getuige 4], hebben volgens eiser dergelijke toezeggingen gedaan.

20. Verweerder heeft toegelicht dat aan de externe projectleider en de uitvoerders geen zelfstandig mandaat is verleend voor het maken van afspraken over het al dan niet opleggen van baatbelasting of het verlenen van een vermindering. De medewerkers van [bedrijf 5] hadden de opdracht om met de eigenaren praktische afspraken te maken over bijvoorbeeld het tracé van de riolering en het plaatsen van pompputten. In dat kader hadden zij ook de opdracht om overleg te plegen met de eigenaren over het sluiten van een zakelijk recht overeenkomst. De werkwijze bij het sluiten van deze overeenkomsten was dat nadat de overeenkomst door de eigenaar was ondertekend, deze vervolgens ook door de gemeente werd ondertekend. In een beperkt aantal situaties is daarbij, vanwege specifieke omstandigheden en op verzoek van de desbetreffende eigenaar, een aanvullende afspraak gemaakt. Deze aanvullende afspraken hadden onder meer betrekking op het niet uitbetalen van de vergoeding, maar het verrekenen van de vergoeding met de toekomstige aanslag baatbelasting. Deze eventuele nadere afspraken zijn vastgelegd in een overeenkomst dan wel in een briefwisseling tussen betrokkene en de gemeente.
Ter voorbereiding van het opleggen van de aanslagen heeft de gemeente uitgebreid dossieronderzoek gedaan. Door middel van dit onderzoek zijn de genoemde aanvullende afspraken vastgesteld. Vervolgens hebben op 17 en 18 september 2013 informatieavonden plaatsgevonden, waarvoor alle betrokken eigenaren zijn uitgenodigd. Tijdens deze informatieavonden is het onderzoeksresultaat toegelicht en is de gelegenheid geboden om daarop te reageren. Tijdens de bijeenkomsten zijn geen nieuwe feiten naar voren gekomen. De vastgestelde nadere afspraken zijn vervolgens aanleiding geweest om in de betreffende gevallen ambtshalve vermindering te verlenen. Enkele betrokkenen hebben in reactie op de toegezonden aanslag baatbelasting contact opgenomen en aangegeven dat in hun geval sprake was van een mondelinge uitlating of schriftelijke afspraak. Zij hebben daarbij verzocht om vermindering. In die gevallen heeft verweerder opnieuw onderzoek gedaan. In de gevallen waarin alsnog is vastgesteld dat sprake is van een aantoonbare afspraak of uitlating heeft verweerder alsnog vermindering verleend.

20. Ter zitting hebben [getuige 3] en [getuige 4] van [bedrijf 5] toegelicht dat zij destijds in opdracht van de gemeente bij eigenaren zijn langs geweest om afspraken te maken over het tracé van de riolering en de ligging van de pompputten. De eigenaren werden daarbij tevoren geïnformeerd dat zij kwamen en dat zij in dienst waren van [bedrijf 5], zij hebben zich ook als zodanig voorgesteld. [getuige 3] en [getuige 4] deden wel een voorstel voor een vergoeding, maar zij gingen niet over het vestigen van het zakelijk recht. Als zij een mondelinge afspraak maakten, werd dit eerst in een conceptovereenkomst gezet. Alleen de gemeente was bevoegd om te tekenen voor de definitieve contracten. [getuige 3] en [getuige 4] hebben verklaard dat zij niet bevoegd waren om afspraken te maken over (het verrekenen met) baatbelasting, daarvoor verwezen zij naar de gemeente. [getuige 3] en [getuige 4] hebben verder verklaard dat zij zich geen individuele gevallen meer kunnen herinneren, maar dat het de praktijk was dat een gedane toezegging steeds schriftelijk werd bevestigd. [getuige 4] heeft verklaard dat hij in 2007 niet meer in Abcoude werkte zodat het niet mogelijk is dat hij in dat jaar nog een toezegging heeft gedaan, zoals wordt gesteld.

20. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn betoog dat door of namens verweerder toezeggingen zijn gedaan over het al dan niet in rekening brengen van baatbelasting niet met specifieke gegevens heeft onderbouwd. Hij heeft enkel gesteld dat een dergelijke toezegging is gedaan, terwijl verweerder zijn handelswijze en zijn onderzoek naar eventuele toezeggingen uitgebreid heeft toegelicht. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is nodig dat door of namens het bevoegde bestuursorgaan, in dit geval de heffingsambtenaar, ter zake mededelingen zijn gedaan waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Het is de rechtbank niet gebleken dat daarvan sprake is.

Rechtszekerheid en opgewekt vertrouwen

25. Eiser betoogt dat hij aan de door hem overgelegde brieven van de gemeente [gemeente] uit 2010 het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat de voorzieningen in het gehele cluster waren voltooid, zodat er ook om die reden van uit moet worden gegaan dat de termijn van twee jaar waarbinnen de Verordening moet worden vastgesteld op dat moment aanving. Hij heeft er in dit verband op gewezen dat in deze brieven staat dat ‘het stelsel inmiddels gereed is’, hetgeen volgens hem impliceert dat de voorzieningen in het hele cluster waren afgerond. Eiser heeft er verder op gewezen dat voor het cluster H3/B2 al in 2006 een verordening is vastgesteld en dat in dit cluster is afgezien van het opleggen van aanslagen. Ook hieraan heeft eiser het vertrouwen kunnen ontlenen dat de Verordening niet meer zou worden vastgesteld of dat hem geen aanslag baatbelasting zou worden opgelegd. Eiser stelt verder dat hij vertrouwen heeft kunnen ontlenen aan het jaarverslag van de gemeente over 2009. In dit jaarverslag is, in het kader van de subsidieverlening, gemeld dat de voorzieningen in 2009 gereed waren.

25. De rechtbank is, gelet op rechtsoverweging 7, van oordeel dat per cluster, dus in dit geval voor het cluster, moet worden beoordeeld of verweerder heeft gehandeld in strijd met het rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat eiser geen vertrouwen heeft kunnen ontlenen aan de werkwijze van verweerder bij cluster H3/B2.

25. Ten aanzien van de door eiser overgelegde brieven stelt de rechtbank voorop dat alleen de ontvangers van een dergelijke brief zich logischerwijs op het standpunt kunnen stellen dat zij daaraan vertrouwen hebben ontleend. Verweerder heeft toegelicht dat de omstandigheid dat enkele percelen in het cluster eerder zijn aangesloten niet betekent dat alle voorzieningen in het cluster gereed waren. De rechtbank is van oordeel dat eiser aan deze brieven, voor zover een dergelijke brief door hem is ontvangen, niet het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat alle voorzieningen in het cluster waren voltooid. Aan het feit dat in de brieven staat dat ‘het stelsel’ gereed is gekomen, kan dit vertrouwen niet worden ontleend. Het is namelijk niet zonder meer duidelijk op welk (gedeelte van het) stelsel in deze brief wordt gedoeld.

25. Naar aanleiding van het betoog over het jaarverslag over 2009 heeft verweerder de brief van 22 december 2009 van de gemeente [gemeente] aan het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht overgelegd. In deze brief is toegelicht dat het feit dat de rioleringsstelsel thans is aangelegd nog niet betekent dat het ook in gebruik kan worden genomen. Om die reden kan aan het gereed melden in het kader van de subsidie, hetgeen in het jaarverslag is vermeld, dus niet het vertrouwen worden ontleend dat de voorzieningen in het cluster in 2009 volledig waren voltooid.

25. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel niet zijn geschonden.

Gelijkheidsbeginsel en de meerderheidsregel

30. Eiser stelt dat de aanslag in strijd met het gelijkheidsbeginsel en de meerderheidsregel is vastgesteld. Hij betoogt in dit verband dat meer dan de helft van de door verweerder opgelegde aanslagen uiteindelijk niet in stand blijft of door verweerder is verminderd. Volgens eiser is dit in strijd met de meerderheidsregel.

30. Dit betoog slaagt niet. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel kan slechts sprake zijn indien er sprake is van gelijke gevallen. Verweerder heeft in de gevallen waarin hij vermindering heeft verleend specifiek toegelicht waarom hij daartoe is overgegaan. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er in zijn geval sprake is van een gelijk geval waarin een dergelijke vermindering niet is toegepast. Het enkele feit dat aan eiser ook een aanslag baatbelasting is opgelegd, is daarvoor onvoldoende. Aangezien van gelijke gevallen geen sprake is, komt de rechtbank niet toe aan toetsing aan de meerderheidsregel, die een verbijzondering van het gelijkheidsbeginsel inhoudt.
Zorgvuldigheidsbeginsel en verbod van willekeur

30. Eiser betoogt dat de aanslag in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het verbod van willekeur is opgelegd. Hij heeft in dit verband gesteld dat verweerder een groot aantal objecten ten onrechte niet in de baatbelasting heeft betrokken en in veel gevallen ongemotiveerd vermindering heeft verleend. Eiser stelt dat de Verordening, vanwege de strijd met het verbod van willekeur, onverbindend moet worden verklaard.

30. De rechtbank stelt ook hier voorop dat, gelet op rechtsoverweging 7, per cluster moet worden getoetst of sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel dan wel het verbod van willekeur.

30. Eiser betoogt dat aan de eigenaar van het object [adres] ten onrechte geen aanslag is opgelegd. Verweerder heeft in de uitspraak op bezwaar in de zaak UTR 14/7973 (betreffende [adres]) toegelicht dat [adres] in het verleden, nog voor de peildatum 1 januari 2012, is samengevoegd met het object [adres]. Om die reden is voor [adres] geen aanslag opgelegd. De rechtbank acht dit voldoende aannemelijk. Het betoog van eiser dat dit niet juist is, is niet met nadere gegevens onderbouwd.

30. Eiser betoogt dat ook aan de eigenaar van het object [adres] ten onrechte geen aanslag is opgelegd. Verweerder heeft in de uitspraak op bezwaar in de zaak UTR 14/7919 (betreffende [adres]) toegelicht dat [adres], een voormalig atelier, op de peildatum niet voldeed aan de criteria die in de Verordening aan een zelfstandig object worden gesteld. De rechtbank acht dit voldoende aannemelijk. Het betoog van eiser dat dit niet juist is, is niet met nadere gegevens onderbouwd.

30. Ten aanzien van het object [adres] heeft eiser gesteld dat de baatbelasting ten onrechte is verminderd tot nihil. Verweerder heeft toegelicht dat in dit geval uit zijn administratie is gebleken dat er, als toevoeging op het met de eigenaar van dit perceel afgesloten zakelijk recht, sprake was van een door de gemeente getekende afspraak dat geen baatbelasting in rekening zou worden gebracht. Om die reden is verweerder er bij [adres] van uit gegaan dat er sprake was van een afspraak om geen baatbelasting in rekening te brengen en heeft hij naar aanleiding van het bezwaar van deze eigenaar de aanslag op nihil gesteld.

30. De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat verweerder voldoende heeft onderbouwd waarom hij in de door eiser genoemde gevallen geen aanslag baatbelasting heeft opgelegd, dan wel deze heeft verminderd tot nihil. Er is derhalve geen sprake van willekeurig handelen door verweerder. De rechtbank is verder van oordeel dat er, met het verlenen van de verminderingen van de baatbelasting naar aanleiding van de gemaakte bezwaren en de ingestelde beroepen, geen wanverhouding is ontstaan ten opzichte van het aantal adressen waarvoor geen vermindering is verleend. De rechtbank stelt in dit verband vast dat er, inclusief de uitspraken in beroep, voor 13 van de 70 adressen in het cluster een vermindering is verleend. Eiser heeft niet gesteld en de rechtbank is niet gebleken dat het niet opleggen van een aanslag of het verlenen van een vermindering er toe heeft geleid dat van eiser meer baatbelasting wordt geheven. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel of het verbod van willekeur geen sprake is.
Conclusie

30. Hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, voorzitter, en mr. drs. P.M.J.H. Muijlaert en mr. M.E. Heinemann, leden, in aanwezigheid van mr. J.K. van de Poel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Bijlage:

ZaaknummerEiserObject

UTR 14/7894 [eiser 2] [adres]